Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2022-10941

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluiten: 10 oktober 2022 met kenmerken UHT-DC-I A en UHT-DH5 A

Hoorzitting: 1 september 2025 om 10:15 uur

Overdracht advies aan UHT: 26 november 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren, de bestreden besluiten niet te herroepen en geen proceskostenvergoeding toe te kennen.

Onderwerp van advies

De door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschriften zijn gericht tegen de door UHT genomen definitieve besluiten compensatie kinderopvangtoeslag (hierna: de bestreden besluiten).

Aan belanghebbende is met toepassing van de Compensatieregeling CAF 11 en vergelijkbare (CAF-)zaken van 28 augustus 2020 (Stcrt. 2020, nr. 45904) geen compensatie toegekend voor de jaren 2009 tot en met 2013.

Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen, hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.6 en 9.2 Wht moeten de bestreden besluiten geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft UHT op 4 december 2020 verzocht om een herbeoordeling van haar kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2009 tot en met 2013.
  • UHT heeft belanghebbende bij besluit van 26 mei 2021 medegedeeld dat zij op grond van de Catshuisregeling in aanmerking komt voor een bedrag van €30.000,-.
  • UHT heeft bij de herbeoordeling gekeken naar de toeslagjaren 2009 tot en met 2013 en haar voorgenomen besluiten voorgelegd aan de Commissie van Wijzen (hierna: CvW).
  • De CvW heeft de voorgenomen besluiten beoordeeld en geconcludeerd dat de Belastingdienst/Toeslagen zich terecht op het standpunt stelt, dat de compensatieregeling van art. 49b van de Awir en de hardheidscompensatie van art. 49 van de Awir niet van toepassing zijn voor de toeslagjaren 2009 tot en met 2013.
  • UHT heeft belanghebbende bij de bestreden besluiten medegedeeld dat zij geen compensatie zal toekennen over de toeslagjaren 2009 tot en met 2013.
  • Bij brief van 17 november 2022 heeft gemachtigde bezwaar gemaakt tegen de bestreden besluiten. Gemachtigde heeft de gronden van het bezwaar bij aanvullend schrijven van 12 juni 2023 (en 23 en 25 juni 2025) aangevuld.
  • UHT heeft op 12 februari 2024 schriftelijk gereageerd.
  • Op 1 september 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 16 oktober 2025 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft daar op 29 oktober op gereageerd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.

Procedurele bezwaren: motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel

Met de door UHT in bezwaar ingediende beschouwing en de overgelegde stukken – waaronder een uitgebreide uitleg per toeslagjaar– en de overige producties waaronder het informatie- en beoordelingsformulier, SAS-overzichten en de (aanvullende) schriftelijke beschouwing, is in ieder geval thans geen sprake van strijd met de door belanghebbende genoemde algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De Commissie overweegt dat de nadere onderbouwing en de uiteenzetting van UHT omtrent de voorbereiding en motivering van de bestreden beschikkingen niet leiden tot het herroepen ervan. De bezwaren treffen geen doel.

Niet herbeoordeelde toeslagjaren

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de toeslagjaren 2007 en 2008 niet in de herbeoordeling zijn meegenomen. De Commissie stelt vast dat het verzoek om herbeoordeling van belanghebbende alleen zag op de toeslagjaren 2011, 2012 en 2013. De persoonlijk zaakbehandelaar van UHT heeft het verzoek vervolgens na een gesprek met belanghebbende uitgebreid met de toeslagjaren 2009 en 2010. In dat licht kan niet worden geconcludeerd dat UHT nagelaten heeft de jaren 2007 en 2008 in de herbeoordeling te betrekken.

Omdat het oorspronkelijke verzoek en de bestreden beschikking de omvang van de onderhavige bezwaarprocedure bepalen, ziet de Commissie geen mogelijkheden om meerdere toeslagjaren (alsnog) in haar advisering te betrekken. UHT heeft ter zitting toegezegd om de toeslagjaren 2007 en 2008 alsnog te laten beoordelen en zal dit bevestigen aan belanghebbende. De Commissie adviseert overeenkomstig.

Afgewezen toeslagjaren

Bij het bestreden besluiten van 10 oktober 2022 heeft UHT geoordeeld dat belanghebbende over de toeslagjaren 2009 tot en met 2013 geen recht heeft op compensatie op basis van vooringenomen handelen dan wel hardheid van het stelsel. De Commissie overweegt dat dat er bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de toeslagjaren 2009 tot en met 2013 geen sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door B/T dan wel hardheid van het stelsel.

Belanghebbende stelt dat zij de KOT over het toeslagjaar 2012 niet heeft stopgezet. De Commissie constateert op basis van het ingevulde antwoordformulier van belanghebbende, dat zij in dit jaar geen kinderopvang heeft genoten. Over dit jaar bestond dus evident geen recht op KOT. De Commissie is van mening dat de B/T uit mocht gaan van informatie zoals door belanghebbende is doorgegeven.

De terugvorderingen KOT over de toeslagjaren 2009 tot en met 2013 waren verder gelegen in een te hoog voorschot, dat op basis van reguliere wijzigingen (aantal opvanguren en gewijzigd toetsingsinkomen) opnieuw is berekend. Deze bijstellingen zijn conform de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hier ten aanzien van belanghebbende anders over te oordelen.

Ter zitting betwist belanghebbende de conclusie van UHT dat zij geen aanspraak kan maken op een opzet/ grove schuld (hierna: O/GS) vergoeding omdat er geen sprake is geweest van een O/GS kwalificatie. Belanghebbende geeft aan meerdere malen met de B/T te hebben gebeld over een betalingsregeling. De B/T heeft hier niet aan meegewerkt en verrekende de openstaande bedragen van de terugvorderingen met andere toeslagen. Hierdoor werd de schuldenproblematiek waarin belanghebbende zich bevond, vergroot.

De rechtbank Amsterdam concludeerde in haar vonnis van 29 juli 2014 dat belanghebbende had gefraudeerd met onterecht ontvangen KOT gelden. Het verzoek van belanghebbende om tot de WSNP te worden toegelaten werd afgewezen. In hoger beroep heeft het Hof in zijn arrest van 23 september 2014 het verzoek van belanghebbende om tot de WSNP te worden toegelaten, toegewezen. Belanghebbende is van mening dat door deze conclusie haar ten onrechte opzet/ grove schuld is verweten door B/T en zij in ieder geval voor de jaren 2009 en 2011 wél in aanmerking komt voor een tegemoetkoming

De Commissie heeft kennis genomen van het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 29 juli 2014 en van het arrest van het Hof van 23 september 2014. Zij constateert dat de conclusie van de rechtbank en van de B/T dat belanghebbende heeft gefraudeerd met KOT-gelden, is gebaseerd op verklaringen van belanghebbende zelf. Zo heeft zij verklaard dat zij de KOT-gelden voor een periode van acht maanden in 2013 heeft laten doorlopen zonder daarbij kinderopvang te hebben genoten, om andere schulden te kunnen aflossen (Visa Card Services en Mcfactor).

Volgens het Hof heeft belanghebbende erkend en toegegeven dat de schuld aan de B/T over het jaar 2013 niet te goeder trouw is ontstaan en heeft zij de KOT-gelden gebruikt om haar schulden (Visa Card Services en Mcfactor) af te lossen. De beoordeling van het Hof om belanghebbende tot de WSNP toe te laten ziet op de omstandigheden dat belanghebbende haar schulden onder controle heeft gekregen, geen nieuwe schulden heeft laten ontstaan en in staat was om het onder het strenge regime van de beslagvrije voet te leven. Het hof komt dus niet tot de conclusie dat belanghebbende niet heeft gefraudeerd met KOT-gelden.

Gelet op het bovenstaand is de Commissie van oordeel dat belanghebbende in 2013 onterecht gebruik heeft gemaakt van het recht op KOT. Volgens de Commissie mocht UHT deze omstandigheid betrekken in haar conclusie dat sprake is van een terechte O/GS kwalificatie over het jaar 2013 en belanghebbende niet in aanmerking komt voor een O/GS tegemoetkoming.

Voor de jaren 2009 en 2011 constateert de Commissie dat er in het dossier geen verzoeken tot persoonlijke betalingsregelingen aanwezig zijn en ook geen weigeringen van verzoeken tot een persoonlijke betalingsregeling door de B/T. Aan deze voorwaarden moet zijn voldaan om in aanmerking te komen voor een O/GS tegemoetkoming.

Ter zitting heeft belanghebbende verklaard dat zij meerdere keren bij de B/T heeft verzocht om rekening te houden met de beslagvrije voet. Dit verzoek had volgens belanghebbende moeten worden beschouwd als een verzoek om een persoonlijke betalingsregeling. Dit bezwaar slaagt niet. De Commissie is van opvatting dat een verzoek om rekening te houden met de beslagvrije voet niet gelijk gesteld kan worden aan een verzoek om een persoonlijke betalingsregeling. Belanghebbende komt niet in aanmerking voor een O/GS tegemoetkoming. Daarnaast levert het verrekenen van de terugvordering met andere toeslagen door de B/T geen handeling op die leidt tot het toekennen van compensatie op grond van hardheid. Uit de wetsgeschiedenis van de Wht en systematiek van de compensatieregeling kan niet worden afgeleid dat de wetgever dergelijke gevallen voor ogen heeft gehad.

De bezwaren treffen geen doel. De Commissie adviseert UHT om de bezwaren ongegrond te verklaren.

Geen proceskostenvergoeding

Het bezwaar is naar opvatting van de Commissie ongegrond. Er is geen aanleiding voor herroeping van het bij bezwaar bestreden besluit. De Commissie ziet, gelet op het bepaalde in artikel 7:15 lid 2 Awb, geen aanleiding om UHT te adviseren een proceskostenvergoeding toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om:

  • het bezwaar ongegrond te verklaren;
  • de bestreden besluiten niet te herroepen;
  • geen proceskostenvergoeding toe te kennen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter