BAC 2025-15659
Publicatiedatum 01-04-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 7 februari 2024 met kenmerk UHT-DCHOA
Hoorzitting: 13 oktober 2025
Overdracht advies aan UHT: 25 november 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren, het bestreden besluit in stand te laten en geen proceskostenvergoeding toe te kennen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2012 tot en met 2019.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 13 september 2022 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2012 tot en met 2019.
- UHT heeft bij besluit van 17 oktober 2022 aan belanghebbende medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000,- op grond van de Catshuisregeling.
- UHT heeft bij vooraankondiging van 24 januari 2024 aan belanghebbende medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor compensatie op grond van de Wht.
- Gemachtigde heeft per e-mail op 23 januari 2024 een zienswijze ingediend tegen deze vooraankondiging.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 30 januari 2024 aan de B/T toegestuurd. De CvW heeft geoordeeld dat de Wht niet van toepassing is op de jaren 2012 tot en met 2018.
- UHT heeft bij het bestreden besluit aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2012 tot en met 2019.
- Gemachtigde heeft bij brief van 14 februari 2024 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 14 april 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 13 oktober 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 28 oktober 2025 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft daar op 3 november 2025 op gereageerd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.
Afgewezen toeslagjaren
Bij het bestreden besluit van 7 februari 2024 heeft UHT geoordeeld dat belanghebbende over de toeslagjaren 2012 tot en met 2019 geen recht heeft op compensatie op basis van vooringenomen handelen, hardheid van het stelsel of een onterechte opzet/grove schuld (hierna: O/GS) kwalificatie.
Ter zitting verklaarde gemachtigde dat het bezwaar van belanghebbende zich richt op het toeslagjaar 2016. De Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) heeft ten onrechte voor dit jaar de KOT verlaagd naar € 2.113 bij besluit van 10 maart 2017. Er is alléén rekening gehouden met de periode juni tot en met december 2016. Voor de periode januari tot en met mei 2016 heeft de B/T de KOT voor dagopvang stop gezet naar aanleiding van ontvangen informatie van de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) dat het kind van belanghebbende per 1 januari 2016 naar de basisschool ging. De B/T was op de hoogte dat de dagopvang was gestopt en had navraag moeten doen bij belanghebbende. In de periode januari tot en met mei heeft belanghebbende buitenschoolse opvang genoten.
Verder stelt gemachtigde in zijn aanvullende reactie na de zitting dat er geen ‘attenderingsbrief’ aan belanghebbende is gestuurd en dat de afkortingen in het dossier “HHR” (handhavingsregie) en “GHI” (geheimhoudingsinformatie) afkomstig zijn van en gebruikt worden door de fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst (FIOD). Het is volgens gemachtigde daarom aannemelijk dat belanghebbende onderwerp is geweest van onderzoek en dat de B/T vooringenomen heeft gehandeld.
UHT stelt zich op het standpunt dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn voor vooringenomenheid. Daarnaast ontbreekt de geleden schade die uit de vooringenomen handeling(en) zou(den) moeten voortvloeien. Hiertoe merkt UHT op dat de B/T in het toeslagjaar 2016 een verrekening van € 441,- binnen twee dagen heeft hersteld door uitbetaling van dit bedrag aan belanghebbende.
Uit het dossier volgt dat belanghebbende op 21 mei 2016 een nieuwe KOT aanvraag heeft ingediend voor buitenschoolse opvang van 60 uur per week met ingang van 1 juni 2016. Over de periode januari tot en met mei 2016 heeft belanghebbende geen wijzingen doorgegeven, waardoor de B/T er terecht van uit mocht gaan dat over deze periode geen buitenschoolse opvang werd afgenomen. De stelling dat de B/T behoorde te weten dat belanghebbende buitenschoolse opvang genoot en hierover navraag had moeten doen bij belanghebbende dan wel een ‘attenderingsbrief’ had moeten sturen, slaagt niet. De Commissie is van opvatting dat het tot de eigen verantwoordelijkheid hoort van belanghebbende om wijzigingen tijdig door te geven. Het niet sturen van een ‘attenderingsbrief’ doet hier niet aan af.
Commissie is op basis van de stukken van opvatting dat de verlagingen over de jaren 2012 tot en met 2019 zijn gebaseerd op reguliere wijzigingen: verlaging(en) in het aantal opvanguren, verhoging(en) van het uurtarief, een gewijzigd toetsingsinkomen, stopzetting van de KOT door belanghebbende en stopzetting door de B/T naar aanleiding van ontvangen informatie van DUO. De Commissie is van oordeel dat de B/T mocht uitgaan van de juistheid van deze doorgegeven wijzigingen. Dergelijke wijzigingen geven in beginsel geen aanspraak op compensatie op grond van de Wht.
Volgens de Commissie heeft de B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de toeslagjaren 2012 tot en met 2019 niet vooringenomen gehandeld. Ook is de Commissie van oordeel dat geen sprake is van hardheid van het stelsel of een onterechte O/GS kwalificatie over deze jaren.
De Commissie acht de bezwaren ongegrond.
Geen proceskostenvergoeding
Het bezwaar is naar oordeel van de Commissie ongegrond. Er is geen aanleiding voor herroeping van het bij bezwaar bestreden besluit. De Commissie ziet, gelet op het bepaalde in artikel 7:15 lid 2 Awb, geen aanleiding om UHT te adviseren een proceskostenvergoeding toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om:
- het bezwaar ongegrond te verklaren;
- de bestreden besluiten niet te herroepen;
- geen proceskostenvergoeding toe te kennen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter