Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-15870

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 27 december 2023 (UHT-DCHOA)

Hoorzitting: n.v.t.

Overdracht advies aan UHT: 4 december 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.

Onderwerp van advies

Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2017 tot en met 2019.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 30 maart 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2017 tot en met 2019.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 13 december 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geoordeeld dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft bij het bestreden besluit aan belanghebbende medegedeeld dat hij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2017 tot en met 2019.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 7 februari 2024, ingekomen op 7 februari 2024, tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
  • Gemachtigde heeft per e-mail van 5 november 2025 een aanvullende bezwaargrond ingediend.
  • Gemachtigde heeft op 17 november 2025 per e-mail aan de Bezwaarschriften-adviescommissie laten weten dat er op basis van de stukken tot advisering mag worden overgegaan.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.

Dossier
Belanghebbende verzoekt om toezending van het dossier. De Commissie overweegt als volgt. De schriftelijke reactie/beschouwing en de stukken die daaraan ten grondslag liggen, zijn aan belanghebbende toegezonden.
De Commissie vindt dat UHT met het toezenden van deze stukken heeft voldaan aan haar verplichting op grond van artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Toeslagjaren 2017 tot en met 2019
De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT over de toeslagjaren 2017 tot en met 2019 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt. Alle verlagingen in de toeslagjaren 2017 tot en met 2019 betreffen reguliere wijzigingen en zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd. De bijstellingen geven ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. Voor de toeslagjaren 2017 en 2019 is er geen sprake van een verlaging of terugvordering van € 1.500 of meer. Er bestaat evenmin aanleiding om voor toeslagjaar 2018 compensatie toe te kennen op grond van de hardheidsregeling. De KOT is rechtstreeks naar belanghebbende overgemaakt en de terugvordering is niet veroorzaakt door fraude door een derde, een formele tekortkoming of andere bijzondere omstandigheden. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

O/GS-tegemoetkoming
Belanghebbende stelt dat hem ten onrechte geen O/GS-tegemoetkoming is toegekend ten aanzien van de toeslagjaren 2017 tot en met 2019. Hij betoogt dat uit het dossier niet blijkt hoe dit is beoordeeld en dat hij geen betalingsregeling kon treffen.

De Commissie constateert dat er voor de toeslagjaren 2017 tot en met 2019 geen sprake was van een O/GS-kwalificatie. Dit blijkt uit pagina 213 van het dossier. Indien er wel sprake was geweest van een O/GS-kwalificatie zou dit op deze pagina hebben gestaan.

Deze gegevens worden namelijk automatisch verwerkt. In specifieke gevallen is het mogelijk om op grond van de hardheidsclausule van artikel 9.1 van de Wht een O/GS-tegemoetkoming toe te kennen voor het weigeren van een betalingsregeling zonder dat er sprake is van een O/GS-kwalificatie. De Commissie stelt vast dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat er om een betalingsregeling is gevraagd. Het dossier bevat geen aanknopingspunten waaruit blijkt dat een dergelijk verzoek is gedaan en ook uit andere omstandigheden is deze stelling de Commissie niet aannemelijk geworden.

Daarnaast moet er sprake zijn van een situatie waarin terechte terugvorderingen grote gevolgen hebben gehad voor belanghebbende. Dit is naar het oordeel van de Commissie evenmin aannemelijk geworden. De Commissie adviseert UHT het bezwaar van belanghebbende op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Proceskosten
Volgens belanghebbende is er ook plaats voor een proceskostenvergoeding, indien het bezwaar ongegrond wordt verklaard, maar de motivering van het bestreden besluit wel wordt aangevuld. Hiervoor verwijst hij naar de uitspraak van de CRvB van 24 september 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3123, r.o. 4.1.

De Commissie volgt het standpunt van belanghebbende niet. Ingevolgde artikel 7:15 lid 2 Awb worden de proceskosten vergoed als het bestreden besluit wordt herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.
Op grond van de op dit punt heersende rechtspraak (zie bijvoorbeeld CRVB
9 december 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:3140, JB 2021/25), is sprake van herroepen in de zin van artikel 7:15 lid 2 Awb als het primaire besluit wordt gewijzigd voor wat betreft het met dat besluit beoogde rechtsgevolg.

Onder omstandigheden kan er ook sprake zijn van een proceskostenvergoeding indien een partij heeft moeten procederen om een deugdelijke motivering van het besluit te krijgen. De situatie die wordt omschreven in de uitspraak van de CRvB, ECLI:NL:CRVB:2014:3123, doet zich hier echter niet voor. In die zaak was namelijk sprake van een gebrekkige motivering in een besluit op bezwaar en dit was aanleiding voor het toekennen van de in beroep gemaakte proceskosten. In deze zaak ziet de Commissie geen gebrekkige motivering. Voor zover er wel sprake is van gebreken in de motivering van het bestreden besluit, kunnen die gebreken naar het oordeel van de Commissie in de beslissing op bezwaar door UHT worden hersteld aan de hand van wat daarover in haar beschouwing is opgemerkt.

Indien de motivering in bezwaar wordt aangevuld, kan het primaire besluit in stand blijven. Het besluit wordt daarmee niet herroepen. De Commissie is daarom, in lijn met de Awb en de genoemde rechtspraak, van mening dat er geen aanleiding is om een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter