BAC 2025-15605
Publicatiedatum 01-04-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 8 augustus 2024 (UHT-DCHOA)
Hoorzitting: 3 november 2025
Overdracht advies aan UHT: 4 december 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om
het bezwaar ongegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag van 8 augustus 2024 (UHT-DCHOA). Deze beschikking wordt hierna aangeduid als het bestreden besluit.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2015 tot en met 2019.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 16 maart 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2015 tot en met 2019.
- UHT heeft bij beschikking van 13 april 2022 aan belanghebbende medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000,-.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 31 juli 2014 aan de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) toegestuurd. De CvW is van oordeel dat gedurende de jaren 2015 tot en met 2019 de compensatieregeling van artikel 2.1 Wht niet van toepassing is.
- UHT heeft bij het bestreden besluit met kenmerk UHT-DCHOA aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2015 tot en met 2019.
- Gemachtigde heeft bij brief van 5 september 2024 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 17 juni 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 3 november 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 3 november 2025 de bij de Commissie ontbrekende producties overgelegd waarnaar in de beschouwing van UHT wordt verwezen. Gemachtigde heeft daar op 20 november 2025 op gereageerd en daarbij een brief van het UWV uit mei 2024 ingebracht op basis waarvan de KOT over toeslagjaar 2016 in 2024 is herzien.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen. De Commissie zal hieronder, mede op grond van hetgeen besproken tijdens de hoorzitting, het advies toelichten.
Motivering- en zorgvuldigheidsbeginsel
Belanghebbende stelt dat het zorgvuldigheids- en het motiveringsbeginsel zijn geschonden. Zonder volledig dossier is het voor haar niet inzichtelijk hoe UHT tot de weigering van compensatie heeft besloten.
UHT heeft het dossier en een schriftelijke reactie aan belanghebbende verstrekt. Belanghebbende heeft gelegenheid gehad om de ontvangen gegevens te beoordelen en de gronden van haar bezwaar zo nodig verder aan te vullen.
Op de hoorzitting heeft belanghebbende bovendien de mogelijkheid gehad om nader te reageren op de ontvangen gegevens en hierop een toelichting te vragen.
De Commissie is van oordeel dat UHT het bestreden besluit voldoende heeft toegelicht. Door het schriftelijke verweer, de uitgebreide uitleg met behulp van de overzichten van het “Landelijk Incasso Centrum” (hierna: LIC) en de overige producties is het bestreden besluit voldoende onderbouwd. Bij de hoorzitting zijn verder geen concrete aanknopingspunten naar voren gekomen op grond waarvan geoordeeld moet worden dat het door UHT overgelegde dossier incompleet is of aangevuld zou moeten worden.
De Commissie adviseert UHT om het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Equality of arms
Belanghebbende voert in bezwaar aan dat UHT handelt in strijd met het beginsel van equality of arms. In haar ogen wordt zij in haar procesbelang geschaad, omdat ze niet de beschikking krijgt over haar persoonlijk dossier en/of een volledig bezwaardossier en daardoor niet over de voor het voeren van bezwaar benodigde documenten beschikt. De Commissie overweegt hierover het volgende.
De Commissie is een onafhankelijke bezwaarschriftenadviescommissie in de zin van artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Voor de procedure bij de Commissie gelden de procedurele waarborgen van de Awb.
Tegen beslissingen op bezwaar van UHT, zoals die volgen op de adviezen van de Commissie, kan een belanghebbende rechtsmiddelen instellen bij de rechter.
Op grond van artikel 7:4 lid 2 Awb en artikel 5.2 lid 3 en 4 Wht heeft een belanghebbende voorafgaand aan de hoorzitting bij de Commissie recht op afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken. De schriftelijke reactie/beschouwing met de bijbehorende producties, waaronder ook de “Overzichten (uit)betalingen en/of verrekeningen toeslagen”, is op 23 juli 2025 aan gemachtigde toegezonden. Hierdoor hebben gemachtigde en belanghebbende kennis kunnen nemen van de op het bezwaar betrekking hebbende stukken.
De Commissie adviseert UHT om het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Automatische voortzetting
In haar bezwaar stelt belanghebbende dat zij in de problemen is gekomen door de automatische continuatie van de KOT in de toeslagjaren 2016 en 2017.
Volgens belanghebbende heeft B/T destijds onzorgvuldig gehandeld en dient B/T ouders die KOT ontvangen te beschermen voor liquiditeitsproblemen vanwege eventuele terugbetalingen en (latere) verrekeningen.
Het is voor de Commissie duidelijk dat B/T destijds op basis van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir) de KOT automatisch heeft verlengd. In artikel 15 lid 5 Awir staat dat een aanvraag voor KOT wordt geacht mede te zijn gedaan voor op het berekeningsjaar volgende toeslagjaren. Als een ouder KOT aanvraagt voor een bepaald toeslagjaar, dan is dat automatisch ook een aanvraag voor daaropvolgende toeslagjaren. Op grond van artikel 15 lid 6 Awir mag B/T de automatische verlenging van KOT voor opvolgende toeslagjaren niet zomaar stoppen.
Indien voor een ouder die KOT heeft aangevraagd bepaalde omstandigheden wijzigen – bijvoorbeeld meer of minder opvanguren worden afgenomen; een wijziging van het opvangtarief; een lager of hoger toetsingsinkomen – dan is die ouder gehouden zelf deze gewijzigde omstandigheden door te geven aan B/T.
Op grond van artikel 15 lid 2 Awir dient de aanvrager van KOT de voor de beslissing op de aanvraag benodigde informatie duidelijk, stellig en zonder voorbehoud te verstrekken. Uit artikel 17 Awir volgt dat, indien een voorschot op de tegemoetkoming is verleend en er een relevante wijziging optreedt in de omstandigheden die van belang zijn voor de beoordeling van de aanspraak op of de bepaling van de hoogte van de tegemoetkoming, de belanghebbende is gehouden die wijziging zelf door te geven. Het door de wetgever in de Awir gekozen stelsel brengt volgens de beoordeling van de Commissie geen verplichting mee voor B/T aanvragers en gebruikers van KOT te beschermen tegen het door gemachtigde gestelde risico van liquiditeitsproblemen.
De Commissie adviseert UHT om het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Toeslagjaar 2016
Met betrekking tot toeslagjaar 2016 heeft belanghebbende gesteld dat zij de door B/T verstuurde informatieverzoeken nooit heeft ontvangen. Doordat zij deze niet heeft ontvangen, kon zij daar ook niet op reageren en dient de nihilstelling van de KOT voor dit toeslagjaar als vooringenomen handeling te worden beschouwd waardoor recht bestaat op compensatie, aldus belanghebbende.
Na bestudering van de stukken in het dossier, waaronder de verschillende belnotities, maakt de Commissie op dat belanghebbende in ieder geval het eerste verzoek om informatie van 21 juli 2018 en de stopzettingsbrief van 9 oktober 2018 heeft ontvangen. Op grond van artikel 18 lid 1 Awir dient een belanghebbende desgevraagd alle gegevens en inlichtingen die van belang voor de aanvraag kunnen zijn te verstrekken. Bij het uitblijven van een tijdige reactie mag B/T de hoogte van het voorschot herzien en indien bij B/T niet genoeg gegevens bekend zijn waaruit de aannemelijkheid van een recht op KOT blijkt, kan op basis van artikel 18 lid 4, 5 en 6 samen met artikel 16 lid 4 Awir het voorschot worden herzien tot nihil.
De Commissie overweegt dat niet aannemelijk is geworden dat bij de nihilstelling van de KOT over toeslagjaar 2016 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door B/T dan wel hardheid van het stelsel.
Deze verlaging is conform de wet uitgevoerd. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hier ten aanzien van belanghebbende anders over te oordelen. Dat de KOT over toeslagjaar 2016 in het kader van de herbeoordeling in 2024 is herzien op basis van nieuwe informatie, te weten de brief van het UWV uit mei 2024, maakt dit niet anders.
De Commissie adviseert UHT om het bezwaar ook op dit punt ongegrond te verklaren.
Proceskostenvergoeding
Nu de bezwaren naar het oordeel van de Commissie ongegrond zijn, heeft belanghebbende geen recht op een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand. De Commissie adviseert UHT om dit verzoek af te wijzen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek voor een proceskostenvergoeding af te wijzen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter