Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-14641

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 23 augustus 2023 (UHT-DCH)

Hoorzitting: 27 oktober 2025 om 10:15 uur

Overdracht advies aan UHT: 3 december 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gegrond te verklaren.

Onderwerp van advies

Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag van 23 augustus 2023 (UHT-DCH). Deze beschikking wordt hierna aangeduid als het bestreden besluit.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 23.863,- voor het jaar 2013 en de maanden januari tot en met mei 2014 en geen compensatie toegekend voor de maanden juni tot en met december 2014.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 8 februari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2013 tot en met 2019.
    In overleg met de zaaksbehandelaar van UHT is dit aangepast tot de toeslagjaren 2013 en 2014 omdat voor de overige jaren geen KOT aanvragen of beschikkingen bekend zijn.
  • UHT heeft bij brief van 30 april 2021 aan belanghebbende meegedeeld dat hij in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000,-.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 24 mei 2023 aan de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) toegestuurd. De CvW is van oordeel dat de B/T zich terecht op het standpunt stelt dat de compensatieregeling van artikel 2.1, eerste lid, van de Wht niet van toepassing is voor de maanden juni tot en met december van het toeslagjaar 2014.
  • UHT heeft bij het bestreden besluit aan belanghebbende compensatie toegekend voor een bedrag van € 23.863,- voor het jaar 2013 en de maanden januari tot en met mei 2014 en geen compensatie toegekend voor de maanden juni tot en met december 2014.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 29 september 2023 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 6 maart 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 27 oktober 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • Gemachtigde heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht,
    op 19 november 2025 een nadere schriftelijke reactie ingediend. UHT heeft daar op 25 november 2025 op gereageerd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie voor het jaar 2013 en de maanden januari tot en met mei 2014 op de juiste wijze heeft berekend en terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de maanden juni tot en met december 2014 en de jaren 2015 tot en met 2019 af te wijzen.

Motivering- en zorgvuldigheidsbeginsel
Belanghebbende stelt dat het zorgvuldigheids- en het motiveringsbeginsel zijn geschonden. Zonder volledig dossier is het voor hem niet inzichtelijk hoe UHT tot het bestreden besluit is gekomen.

UHT heeft het dossier en de schriftelijke reactie aan belanghebbende verstrekt. Belanghebbende heeft gelegenheid gehad om de ontvangen gegevens te beoordelen en de gronden van zijn bezwaar zo nodig verder aan te vullen.
Op de hoorzitting heeft belanghebbende bovendien de gelegenheid gehad om nader te reageren op de ontvangen gegevens en hierop een toelichting te vragen.

De Commissie is van oordeel dat UHT het bestreden besluit voldoende heeft toegelicht. Hiernaast geldt dat door het schriftelijke verweer, de uitgebreide uitleg met behulp van de overzichten van het “Landelijk Incasso Centrum” (hierna LIC) en de overige producties het bestreden besluit voldoende is onderbouwd.
Bij de hoorzitting zijn verder geen concrete aanknopingspunten naar voren gekomen op grond waarvan geoordeeld moet worden dat het door UHT overgelegde dossier incompleet is of aangevuld zou moeten worden.

De Commissie adviseert UHT om het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

Toeslagjaar 2014
Dat belanghebbende gedurende het gehele toeslagjaar 2014 vooringenomen is behandeld door B/T staat niet ter discussie. Ook staat inmiddels vast dat belanghebbende in dat toeslagjaar gebruik heeft gemaakt van gekwalificeerde opvang. Op basis van wat de gemachtigde en de zaakbehandelaar van UHT ter zitting hebben besproken en de aanvullende beschouwing van UHT, staat inmiddels ook vast dat belanghebbende gedurende heel 2014 inkomen uit arbeid heeft genoten.

UHT is voornemens, zo begrijpt de Commissie, om belanghebbende bij de beslissing op bezwaar te compenseren voor heel 2014.

De Commissie ziet geen reden om hiervan af te wijken en adviseert UHT om dit onderdeel van het bezwaar gegrond te verklaren en om aan belanghebbende dus ook compensatie toe te kennen voor de maanden juni tot en met december 2014.

Toeslagjaar 2015
Gemachtigde heeft gesteld dat de KOT voor het toeslagjaar 2015 automatisch gecontinueerd had moeten worden aangezien belanghebbende gedurende het gehele toeslagjaar 2014 recht op KOT had. Het vooringenomen handelen van B/T in toeslagjaar 2014 werkte door naar toeslagjaar 2015, waardoor belanghebbende ook voor dit toeslagjaar compensatie hoort te krijgen, aldus de gemachtigde.

Op grond van artikel 2.1 lid 1 Wht komt voor een compensatie in aanmerking de ouder van wie aannemelijk is dat de vaststelling van zijn aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van bijzondere hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van de B/T. Toekenning van compensatie blijft, volgens artikel 2.1 lid 2 Wht, achterwege als sprake is van ernstige onregelmatigheden die aan de ouder toerekenbaar zijn. Dit laatste is onder meer het geval in situaties waarin een belanghebbende evident geen recht had op KOT. Volgens UHT was daarvan sprake in de toeslagjaren 2015 tot en met 2019 nu belanghebbende in die periode geen gebruik heeft gemaakt van geregistreerde kinderopvang. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hier anders over te oordelen.

Volgens beleid van UHT kan in uitzonderlijke situaties sprake zijn van hardheid. Niet, althans onvoldoende, is gebleken dat belanghebbende in zodanige, voor de toepassing van dit beleid relevante, uitzonderlijke omstandigheden heeft verkeerd. Belanghebbende komt voor deze periode dus niet in aanmerking voor compensatie op grond van de Wht.

De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Compensatieberekening
UHT heeft ambtshalve de compensatieberekening nogmaals bekeken en heeft vastgesteld dat in de oorspronkelijke berekening fouten zijn gemaakt. UHT heeft bij de berekening van de compensatie voor component o – de gemiste toeslagrente – verkeerde data gebruikt. Belanghebbende heeft als gevolg hiervan minder gemiste rente gecompenseerd gekregen dan waar hij recht op heeft en UHT heeft aangekondigd dit te herstellen in de beslissing op bezwaar.

Het is de Commissie gebleken dat de rentevergoeding over de gemiste KOT voor ieder toegewezen toeslagjaar inderdaad onjuist is vastgesteld. UHT heeft de juiste data en de daarop gebaseerde renteberekeningen vermeld in haar schriftelijke reactie.

De Commissie merkt op dat de aanpassingen in de berekening tevens tot gevolg hebben dat ook andere bedragen wijzigen: de vergoeding van de immateriële schade dient te worden doorberekend tot de datum van de beslissing op bezwaar en ook de aanvullende vergoeding van 1% zal moeten worden aangepast.

De Commissie adviseert UHT, aansluitend bij haar eigen standpunt, het bezwaar gegrond te verklaren en om aan haar toezeggingen uit de schriftelijke reactie gevolg te geven en de compensatieberekening dienovereenkomstig aan te passen in de beslissing op bezwaar.

Wellicht ten overvloede wordt hier opgemerkt dat de compensatieberekening, gelet op de overwegingen hierboven, ook dient te worden aangevuld met een berekening over de maanden juni tot en met december 2014.

Proceskostenvergoeding
Nu het bezwaar naar de mening van de Commissie gegrond is en het advies van de Commissie ertoe strekt om het bestreden besluit te herroepen, adviseert de Commissie UHT tevens de kosten van rechtsbijstand in deze procedure te vergoeden volgens de hierna te vermelden maatstaf.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gegrond te verklaren en om:

  • het bestreden besluit te herroepen en de compensatieberekening aan te passen conform bovenstaande overwegingen; en
  • een proceskostenvergoeding toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee tegen de hoogste vergoeding per procespunt.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter