Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2024-15200

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 21 februari 2024 (UHT-HD CWS)

Hoorzitting: 26 november 2025 om 11:00 uur

Overdracht advies aan UHT: 1 december 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om
het bezwaar gegrond te verklaren en het verzoek om vergoeding van de
proceskosten af te wijzen.

Onderwerp van advies

Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen beschikking aanvullende werkelijke schadevergoeding na advies van de Commissie Werkelijke Schade (hierna: CWS). Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) een aanvullende compensatie toegekend van €7.021,-.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft verzocht om een herbeoordeling van de
    kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2009 tot en met 2012.
  • UHT heeft bij beschikking van 2 februari 2022 aan belanghebbende een
    compensatie toegekend van € 33.944,- voor de jaren 2009, 2010 en 2012.
    Daarnaast heeft UHT bij beschikking van 23 februari 2022 aan belanghebbende
    een tegemoetkoming wegens O/GS toegekend van € 1.649,- voor het jaar 2011.
  • Belanghebbende heeft op 27 mei 2022 verzocht om een aanvullende compensatie voor de werkelijke schade.
  • Op 14 november 2023 heeft een gesprek plaatsgevonden bij CWS, waarin
    belanghebbende haar verzoek om aanvullende schadevergoeding heeft toegelicht. Hiervan is een verslag gemaakt.
  • CWS heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 2 februari
    2024 aan UHT toegestuurd.
  • UHT heeft het advies van CWS gevolgd en bij het primaire besluit van 21 februari
  • 2024 (hierna: het bestreden besluit) aan belanghebbende een aanvullende compensatie toegekend van €7.021,-.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 2 april 2024 tegen dit besluit een bezwaarschrift
    ingediend.
  • Belanghebbende heeft bij brief van 27 mei 2024 de gronden van het bezwaar
    aangevuld.
  • UHT heeft op 17 oktober 2024 in een beschouwing schriftelijk gereageerd op het
    bezwaar.
  • Op 26 november 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT het (op het advies van CWS
gebaseerde) bestreden besluit op goede gronden heeft genomen.

Toetsingskader

In het kader van de hersteloperatie kinderopvangtoeslag biedt de wet gedupeerde ouders de mogelijkheid – naast de (deels) forfaitaire compensatie – ook een verzoek tot vergoeding van aanvullende compensatie voor werkelijke schade te doen. Artikel 2.1, derde lid, Wht vermeldt de gang van zaken rondom de indiening van dit verzoek, dat met toepassing van het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht wordt beoordeeld (zie ook Afdeling bestuursrechtspraak 27 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3620). De gedupeerde ouder dient daarbij informatie te verschaffen waaruit aannemelijk wordt i) dat en in welke mate daadwerkelijk sprake is van aanvullende schade en ii) dat die schade het gevolg is van de handelswijze van de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T)
waarvoor de ouder al gecompenseerd is.

CWS vervult hierbij een adviserende rol. Nadat CWS heeft beoordeeld of een gedupeerde ouder recht heeft op aanvullende compensatie, wordt advies uitgebracht aan UHT. UHT mag zich op het onderzoek van CWS baseren, nadat ze zich ervan vergewist heeft dat het advies zorgvuldig tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten.

UHT kan ter motivering van haar besluit over aanvullende compensatie volstaan met verwijzing naar het advies van CWS, als het advies zelf de motivering bevat en van het advies kennis is of wordt gegeven. Het is mogelijk dat UHT in uitzonderlijke gevallen tot een beslissing komt die ten nadele van de belanghebbende afwijkt van het advies van CWS, maar dit moet dan goed onderbouwd worden.

In een bezwaarprocedure als de onderhavige beoordeelt de Commissie of UHT op een juiste wijze invulling heeft gegeven aan de vergewisplicht. Deze toets vindt in beginsel plaats aan de hand van de door belanghebbende ingediende gronden van het bezwaar. In het geval UHT in negatieve zin is afgeweken van het advies van CWS, beoordeelt de Commissie of dit goed onderbouwd heeft plaatsgevonden.

De Commissie zal aan de hand van de hiervoor genoemde uitgangspunten beoordelen of UHT zich in dit geval kon baseren op het advies van CWS.
Voordat wordt toegekomen aan een beoordeling van het bezwaar van belanghebbende wordt nog het volgende overwogen.

Nieuw schadekader
CWS heeft een nieuw schadekader ontwikkeld. Op 1 juli 2024 heeft CWS dit kader
gepubliceerd. De Commissie stelt vast dat UHT de vraag of dit nieuwe beleid van invloed is op de schadeposten in deze zaak en of dit tot een andere uitkomst moet leiden, heeft betrokken in de beoordeling van het bezwaar zoals uiteen gezet in de schriftelijke beschouwing van UHT.

Hoorzitting
In deze zaak is tweemaal eerder een hoorzitting gepland, namelijk op 23 juli en
8 oktober 2025. Gemachtigde heeft verzocht om uitstel van deze zittingen omdat
belanghebbende wegens ziekte niet in staat was de hoorzitting bij te wonen en zij wel gehoord wilde worden. De Commissie heeft die verzoeken om uitstel gehonoreerd en heeft een nieuwe datum voor de hoorzitting bepaald, zijnde 26 november 2025.
Gemachtigde noch belanghebbende zijn verschenen op de hoorzitting. De Commissie heeft besloten de hoorzitting doorgang te laten hebben. Zij verwijst voor haar overwegingen naar het verslag van de hoorzitting van 26 november 2025, dat bij dit advies is gevoegd.

Gronden van het bezwaar van belanghebbende

Informatieverschaffing
Belanghebbende meent dat zij lang heeft moeten wachten totdat zij haar dossier ontving. Dat is voor belanghebbende frustrerend en heeft nadelige gevolgen gehad voor het herstel van haar zoon.

De Commissie kan begrijpen dat voor belanghebbende dit hersteltraject lang duurt en dat dit gevoelens van frustratie met zich mee brengt. Zij stelt vast dat zowel het ouderdossier als het dossier dat ziet op de onderhavige CWS-procedure, inclusief de schriftelijke beschouwing, aan de gemachtigde zijn toegezonden.
Gemachtigde en belanghebbende hebben kennis kunnen nemen van de stukken die ten grondslag liggen aan het bestreden besluit en gelegenheid gehad om daarop te reageren. Hiervan is ook gebruik gemaakt. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat hier niet is voldaan aan de in artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken tijdig ter inzage te leggen.

De Commissie heeft ook anderszins geen aanknopingspunten gevonden dat sprake is geweest van een gebrekkige of onzorgvuldige informatievoorziening.
De Commissie adviseert dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Bezwaargronden over inkomens- en vermogensschade
Belanghebbende stelt dat zij €120.000,- aan inkomsten uit haar praktijk heeft gemist waarvan zij vergoeding vraagt. Zij heeft in haar bezwaarschrift toegelicht dat zij een veelbelovende praktijk had en dat de door haar gestelde winst van €35.000,- per jaar realistisch is.

Volgens CWS heeft belanghebbende de door haar gestelde winst onvoldoende aannemelijk gemaakt. Zij heeft geen stukken overgelegd over de eerder gerealiseerde omzet en winst. Ook ontbreken gegevens over de ontwikkeling van het klantenbestand en de relevante marktomstandigheden. CWS heeft om die reden geadviseerd om geen (aanvullende) vergoeding toe te kennen voor inkomensschade die belanghebbende stelt te hebben geleden als gevolg van het moeten staken van haar praktijk.

UHT heeft in de beschouwing (productie 1), met verwijzing naar de beschikbare fiscale gegevens van belanghebbende, een overzicht opgesteld van de winst voor ondernemersaftrek over de jaren 2012 (-/- € 1.259,-), 2013 (€ 7.025,-) en 2014 (€2.204,-). Dit is lager dan het gestelde bedrag van €35.000,- per jaar. Belanghebbende heeft in bezwaar geen stukken overgelegd waarmee ze de door haar gestelde inkomensschade heeft onderbouwd. Dit betekent dat de Commissie voor haar beoordeling moet volstaan met de inkomensgegevens die UHT als productie 1 heeft overgelegd. Gelet hierop acht de Commissie het advies van CWS over de inkomensschade voldoende onderbouwd en navolgbaar. Dat betekent dat UHT dit advies mocht volgen. De bezwaargrond slaagt niet.

Overige vermogensschade
Belanghebbende heeft verzocht om een vergoeding van €7.500,- voor vermogensschade. Zij heeft toegelicht dat deze schade is ontstaan omdat zij geld nodig had, waarop zij heeft besloten om enkele bezittingen te verkopen. Het gaat om onder meer erfstukken, gouden sieraden, zilverwerk, boeken en schilderijen. Volgens belanghebbende is de wijze van beoordeling in het bestreden besluit onjuist geweest. Er heeft een beoordeling plaatsgevonden op grond van bewijslevering in plaats van aannemelijkheid.

De Commissie overweegt dat het aan belanghebbende is om aannemelijk en concreet te maken dat zij, als gevolg van de KOT-problematiek, aanvullende schade heeft geleden waarvan zij vergoeding vraagt. Die beoordeling heeft CWS in haar advies gedaan.

De Commissie onderschrijft het standpunt van UHT dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn voor het antwoord op de vraag welke bezittingen belanghebbende precies heeft verkocht, of deze verkoop is gedaan als gevolg van de KOT-problematiek én in hoeverre zij haar spullen onder de marktwaarde heeft verkocht. De Commissie concludeert dat het advies van CWS op dit punt voldoende is gemotiveerd en dat UHT zich op dit advies mocht baseren.

Verletdagen en reiskosten
De Commissie stelt vast dat in het verzoekformulier van belanghebbende geen reiskosten zijn opgenomen, kosten van vrije dagen of kosten vanwege zittingen of het bezoeken van de advocaat en aanverwante zaken. Niettemin heeft UHT deze kosten ambtshalve berekend en beoordeeld in haar schriftelijke beschouwing. UHT heeft daarbij de volgende uitgangspunten gehanteerd. CWS hanteert voor verletkosten voor regelzaken per huishouden een vaste vergoeding van € 300,- per toeslagjaar waarvoor UHT compensatie heeft toegekend. Uitgaande van vier toeslagjaren (2009 tot en met 2012), betekent dit dat aan belanghebbende een aanvullende schadevergoeding van € 1.200,- moet worden toegekend. Dit bedrag is inclusief eventuele reiskosten en wettelijke rente. CWS hanteert daarnaast een vaste vergoeding van € 200,- per huishouden per gevoerde procedure.

Belanghebbende heeft met betrekking tot de jaren 2009 en 2010 bezwaar gemaakt en met betrekking tot het jaar 2012 beroep ingestelden vervolgens weer ingetrokken, hetgeen neerkomt op een vergoeding van €600,-. De totale door UHT berekende aanvullende forfaitaire vergoeding voor reis- en verletkosten bedraagt daarmee € 1.800,-. Omdat UHT in de beslissing op bezwaar over de integrale beoordeling al een forfaitair bedrag van € 7.203,- aan belanghebbende heeft toegekend voor de materiele schade, heeft UHT geoordeeld dat de aanvullende vergoeding voor materiële schade niet tot een extra betaling aan belanghebbende leidt. De Commissie vindt geen aanknopingspunten om hierover anders te oordelen.

Immateriële schade
Belanghebbende kan zich niet vinden in het toegekende bedrag voor vergoeding immateriële schade. Zij vindt dat bedrag te laag en verwijst daarvoor naar de vergoeding voor onrechtmatige detentie die (naar rato omgerekend op jaarbasis) hoger is dan de vergoeding die belanghebbende in deze procedure heeft gehad.

De Commissie stelt allereerst vast dat UHT in haar schriftelijke reactie heeft toegelicht welke bouwstenen een rol hebben gespeeld bij de toekenning van de vergoeding voor immateriële schade en welk bedrag per bouwsteen is toegekend.

De Commissie constateert dat de vaststelling van de immateriële schade daarmee (alsnog) volgens de verfijnde methodiek van het nieuwe schadekader voor immateriële schade heeft plaatsgevonden, waarbij eveneens is verduidelijkt voor welke onderdelen schadevergoeding is toegekend. De elementen die de CWS meeweegt in de begroting van de immateriële schade zijn daarbij helder uiteengezet. UHT concludeert vervolgens in haar schriftelijke beschouwing dat aan belanghebbende een bedrag voor vergoeding van immateriële schade toekomt van €20.000,-. Dat is lager dan het toegekende bedrag van €20.100,- maar omdat belanghebbende van het gemaakte bezwaar geen nadeel mag ondervinden, wordt dit bedrag niet verlaagd. De Commissie neemt met instemming kennis hiervan.

De Commissie overweegt voorts dat CWS bij de onderbouwing van de omvang van de immateriële schade van de ouder – zo blijkt uit haar advies - gebruik maakt van het verhaal van de ouder, zoals weergegeven in het verslag van het intakegesprek. Alle door belanghebbende aangedragen feiten en omstandigheden zijn benoemd en meegewogen in het advies.

Anders dan belanghebbende stelt, volgt uit artikel 2.1, derde lid, van de Wht dat CWS het verzoek om aanvullende schadevergoeding moet beoordelen overeenkomstig het civiele schadevergoedingsrecht. Hierbij is de aanvullende opdracht geformuleerd dat CWS ruimhartig te werk moet gaan bij de vaststelling van de schade, van de het causaal verband tussen de gestelde schade en het beoordelen van de handelen van de B/T en bij de begroting van de schade. Met dit wettelijk kader verdraagt zich naar het oordeel van de Commissie niet, dat bij de beoordeling van een verzoek om vergoeding van immateriële schade aansluiting wordt gezocht bij de schadeafhandeling volgens het strafrecht, zoals door belanghebbende is bepleit.

Ontbrekende factor (bouwsteen A)
Ter zitting heeft de Commissie UHT voorgehouden dat in de berekening van de immateriële schade een factor niet is meegenomen onder bouwsteen A, zijnde het voeren van bezwaarprocedures. UHT heeft erkend dat aan belanghebbende in dat verband nog een aanvullende compensatie van €750,- toekomt. De Commissie deelt dit standpunt van UHT. Het bezwaar is gelet hierop gedeeltelijk gegrond.

Vaste vergoeding procedure CWS
De Commissie constateert dat UHT in haar schriftelijke beschouwing op grond van het nieuwe schadekader aan belanghebbende een aanvullende vergoeding heeft toegekend van €500,- voor de kosten van de procedure bij CWS. Dit bedrag mag niet verrekend worden met de al toegekende forfaitaire vergoeding voor materiële schade. De Commissie neemt met instemming hiervan kennis.

Proceskostenvergoeding
Artikel 7:15, derde lid, Awb bepaalt dat de in het kader van de bezwaarprocedure gemaakte proceskosten die een belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken, worden vergoed indien het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Nu UHT het bestreden besluit weliswaar zal herroepen, maar zij dit niet doet wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid maar op grond van het nieuwe schadekader CWS, is toekenning van een proceskostenvergoeding hier niet aan de orde. Hierbij is in aanmerking genomen dat het nieuwe schadekader is gepubliceerd na het advies van CWS en na de het bestreden besluit.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gegrond te verklaren en om aan belanghebbende een aanvullende compensatie van €750,- toe te kennen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter