Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-15634

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 17 maart 2025 (UHT-DCHOA)

Hoorzitting: n.v.t.

Overdracht advies aan UHT: 18 december 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.

Onderwerp van advies

Het door belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking afwijzing compensatie kinderopvangtoeslag.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2009 tot en met 2013.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 15 december 2023 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2009 tot en met 2013.
  • UHT heeft bij besluit van 4 april 2024 aan belanghebbende medegedeeld dat hij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000,-.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 6 september 2024 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft bij bestreden besluit aan belanghebbende medegedeeld dat hij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2009 tot en met 2013.
  • Belanghebbende heeft bij brief van 30 september 2024, ingekomen op dezelfde datum, tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 17 maart 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Gemachtigde heeft zich op 25 augustus 2025 gesteld als gemachtigde van belanghebbende.
  • Op 26 november 2025 heeft gemachtigde aan de Commissie gemeld dat belanghebbende geen gebruik maakt van de mogelijkheid de bezwaren op een hoorzitting toe te lichten. De Commissie ziet daarom op grond van artikel 7:3 onder c van de Algemene wet bestuursrecht af van het horen van belanghebbende. De op 3 december 2025 geplande hoorzitting is geannuleerd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.

Foutieve gegevensverstrekking door KOI

Belanghebbende stelt dat de kinderopvanginstelling [naam] de verstrekking van gegevens aan B/T verzorgde voor belanghebbende. Daarom is belanghebbende van mening dat onjuistheden of omissies in de verstrekking van gegevens aan B/T door de kinderopvanginstelling niet aan belanghebbende mogen worden aangerekend.

Om een aanvraag/stopzetting KOT te kunnen doen, moet de aanvrager inloggen met zijn/haar persoonlijke DigiD-inloggegevens. Daarmee heeft de B/T willen bewerkstelligen dat alleen een rechthebbende op de toeslag een dergelijke aanvraag kan indienen. Een DigiD biedt immers een persoonsgebonden ingang naar een digitaal portaal.

Belanghebbende heeft verklaard dat hij de kinderopvangorganisatie zijn aanvraag liet invullen en dat hij daartoe aan de kinderopvangorganisatie zijn DigiD-inloggegevens heeft verstrekt. Hoewel de Commissie aanneemt dat belanghebbende dit te goeder trouw heeft gedaan, is zij toch van oordeel dat het delen van DigiD-inloggegevens voor rekening en risico van belanghebbende dient te komen. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Compensatie wegens hardheid 2013

Volgens belanghebbende is in het toeslagjaar 2013 sprake van hardheid van het stelsel, omdat de KOT rechtstreeks aan de kinderopvanginstelling is betaald, terwijl vervolgens een bedrag van meer dan € 1.500,- van belanghebbende is teruggevorderd. De Commissie overweegt hierover als volgt.

Gevallen waarin de KOT rechtstreeks is uitbetaald aan de kinderopvanginstelling, maar bij de ouder wordt teruggevorderd omdat het recht op KOT lager bleek te zijn, kunnen volgens vaste uitvoeringspraktijk - zoals opgenomen in het Handboek Integrale Beoordeling Vaktechniek van UHT - een bijzondere omstandigheid opleveren die aanleiding geeft tot recht op compensatie wegens hardheid. Voor het aannemen van het bestaan van een bijzondere omstandigheid is, volgens die praktijk, niet voldoende dat bij de ouder een bedrag van ten minste € 1.500,- is teruggevorderd. Ook moet duidelijk zijn dat een bedrag van ten minste € 1.500,- teveel is uitbetaald aan de kinderopvanginstelling en niet ten goede is gekomen aan belanghebbende. De Commissie heeft in de Wht geen aanknopingspunten gevonden die zouden moeten leiden tot de opvatting dat deze praktijk zich niet met die wet zou verdragen of anderszins in strijd zou komen met een wet in formele zin of een rechtsregel van hogere orde. Evenmin acht de Commissie plaats voor de opvatting dat deze praktijk een toets aan het evenredigheidsbeginsel niet kan doorstaan.

De Commissie is van opvatting dat er geen aanspraak bestaat op compensatie wegens hardheid van het stelsel. Er was weliswaar sprake van een terugvordering van meer dan € 1.500,-, maar € 3.096,- aan KOT is uitbetaald aan de KOI (LIC-overzicht, p. 339) terwijl de daadwerkelijke opvangkosten € 2.399,76 bedroegen (KOI-viewer, p. 253). Daarmee is € 696,24 te veel aan KOT uitbetaald aan de KOI en niet ten goede gekomen aan belanghebbende. Dat bedrag is lager dan de vereiste € 1.500,-.

De Commissie heeft in de stukken geen aanleiding kunnen vinden voor de opvatting dat UHT hier ten gunste van belanghebbende van bovengenoemde praktijk had moeten afwijken. Het door belanghebbende op dit punt ontwikkelde bezwaar treft dan ook geen doel.

Terugvorderingen onterecht

Belanghebbende betoogt dat de terugvorderingen in de toeslagjaren 2009 tot en met 2013 onterecht waren.

De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat de B/T bij de terugvordering van de KOT voor de toeslagjaren 2009 tot en met 2013 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt. De terugvorderingen KOT over de toeslagjaren 2009 tot en met 2013 waren gebaseerd op de vaststelling dat er een te hoog voorschot was toegekend. Dat voorschot is door reguliere wijzigingen opnieuw berekend. Deze bijstellingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover in het geval van belanghebbende anders te oordelen. Er was ook geen onterechte kwalificatie O/GS, zodat er ook geen aanspraak is op een daarop gebaseerde vergoeding. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Stopzetting 2013 door angst

Belanghebbende stelt dat hij de kinderopvangtoeslag heeft stopgezet omdat de Belastingdienst/Toeslagen in de voorafgaande periode kinderopvangtoeslag heeft teruggevorderd.

De Commissie kan zich voorstellen dat belanghebbende deze terughoudendheid heeft ontwikkeld.

Echter, nu er geen vooringenomenheid is vastgesteld in het voorgaande toeslagjaar, bestaat geen recht op compensatie. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter