Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-13391

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 21 maart 2023 met kenmerk UHT-DCHA

Hoorzitting: 18 november 2025

Overdracht advies aan UHT: 17 december 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking beoordeling kinderopvangtoeslag van 21 maart 2023 met het kenmerk UHT-DCHA (hierna: de bestreden beschikking).

In de bestreden beschikking is aan belanghebbende met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2018 tot en met 2020.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 5 februari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2014 tot en met 2020. In overleg met de persoonlijk zaakbehandelaar is de beoordeling beperkt tot de jaren 2018 tot en met 2020.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 3 februari 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geoordeeld dat gedurende de jaren 2018 en 2019 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden. De Wht geldt niet voor toeslagjaar 2020 omdat er geen verband is met vooringenomenheid voor de grensdatum van 23 oktober 2019.
  • UHT heeft in de bestreden beschikking aan belanghebbende medegedeeld dat hij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2018 tot en met 2020.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 28 april 2023 tegen de bestreden beschikking een bezwaarschrift ingediend. Op 10 november 2023 heeft gemachtigde het bezwaar verder aangevuld.
  • UHT heeft op 3 juni 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 18 november 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie zal allereerst ingaan op de volgende bezwaargronden:

  • Onderliggende stukken;
  • Zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel;
  • Het betrekken van de toeslagjaren 2014 tot en met 2017 bij de beoordeling.

Onderliggende stukken

Belanghebbende verzoekt in het kader van deze bezwaarprocedure om inzage in de onderliggende stukken. Op grond van artikel 6:17 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het bestuursorgaan dat bevoegd is om op het bezwaar te beslissen, verplicht de op de zaak betrekking hebbende stukken – waaronder het informatie- en beoordelingsformulier met tijdlijn, het SAS-rapport, de RKT-bestanden en de overzichten van het Landelijk Incasso Centrum (hierna: LIC-overzichten) – in ieder geval aan de gemachtigde ter beschikking te stellen.

De Commissie stelt vast dat de gemachtigde op 4 september 2025 in het bezit is gesteld van al deze op de zaak betrekking hebbende stukken.

De Commissie adviseert UHT daarom dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel

Belanghebbende stelt dat de bestreden beschikking niet inzichtelijk is gemotiveerd en op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen.

De Commissie kan UHT volgen in het ingenomen standpunt ten aanzien van de motivering van het besluit en de zorgvuldigheid van het daaraan ten grondslag liggende onderzoek. De Commissie is van oordeel dat UHT de bestreden beschikking op uitvoerige en draagkrachtige wijze heeft gemotiveerd. Met de beschouwing van 3 juni 2025 heeft UHT een uitgebreide toelichting gegeven, onder meer aan de hand van het LIC-overzichten en het SAS-rapport en overige relevante stukken. Deze documenten maken onderdeel uit van de onderliggende stukken. De Commissie adviseert dan ook om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Geen aanvrager KOT over de jaren 2014 tot en met 2017

Tijdens de hoorzitting heeft gemachtigde verzocht om deze toeslagjaren te betrekken bij de herbeoordeling, omdat belanghebbende stelt dat hij in 2014 een terugvorderingsbeschikking over deze periode zou hebben ontvangen. In de toeslagjaren 2014 tot en met 2017 stond de KOT echter op naam van de ex-partner van belanghebbende. Een terugvorderingsbeschikking op naam van belanghebbende is niet gevonden in de systemen van de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T).

De Commissie merkt op dat ingevolge artikel 2.1, lid 1, Wht alleen compensatie wordt toegekend aan de aanvrager van KOT. Voor de toeslagjaren 2014 tot en met 2017 voldoet belanghebbende niet aan dit vereiste, waardoor hij niet voor compensatie in aanmerking komt. De Commissie adviseert UHT daarom dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Ten overvloede merkt de Commissie nog op dat met de inwerkingtreding van de Wet aanvullende regelingen hersteloperatie toeslagen op 15 juli 2023, ook de ex-partnerregeling van kracht is geworden.

De Commissie ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden tot de beslissing is gekomen om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de jaren 2018 tot en met 2020 af te wijzen.

Reguliere aanpassingen van de KOT over de jaren 2018 en 2019

De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de toeslagjaren 2018 en 2019 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel in deze jaren te hard heeft uitgewerkt. De terugvorderingen over deze jaren, van respectievelijk € 247 en € 345, zijn gebaseerd op de vaststelling dat er een te hoog voorschot was toegekend.

De Commissie heeft uit de onderliggende stukken vastgesteld dat in toeslagjaar 2018 de KOT tweemaal neerwaarts is bijgesteld als gevolg van een lager aantal opvanguren vanaf 16 juli 2018 (van 94 naar 91 uur per maand) en een hoger toetsingsinkomen. In toeslagjaar 2019 is de toeslag driemaal neerwaarts bijgesteld, telkens vanwege een hoger toetsingsinkomen. In het bijzonder merkt de Commissie op dat in augustus 2019, door de inschrijving van een vriend van belanghebbende op hetzelfde adres, het gezamenlijk toetsingsinkomen aanzienlijk is gestegen van € 41.472 naar € 65.972. De KOT werd hierdoor neerwaarts bijgesteld van € 7.872 naar € 7.346. De vriend van belanghebbende is per 1 september 2019 uitgeschreven en kreeg een ander adres, waardoor het gezamenlijk toetsingsinkomen weer daalde naar € 41.472.

De Commissie vraagt zich af of het inkomen van de vriend van belanghebbende wel voor het gezamenlijk toetsingsinkomen meegenomen had mogen worden bij de vaststelling van de juiste hoogte van de KOT.

De Commissie heeft overwogen dat het slechts is toegestaan om het inkomen van een tijdelijk op het adres van belanghebbende ingeschreven persoon mee te nemen bij de berekening van het gezamenlijk toetsingsinkomen voor de KOT, indien deze persoon op grond van artikel 3 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) als toeslagpartner kwalificeert. Een inschrijving op hetzelfde adres is daarvoor op zichzelf onvoldoende. Wanneer niet aan de wettelijke partnerschapscriteria wordt voldaan, mag het inkomen van de betreffende persoon niet in de berekening worden betrokken.

In het geval van belanghebbende heeft B/T belanghebbende op 28 augustus 2019 een verklaring gevraagd over de positie van de ingeschreven vriend (toeslagpartner of onderhuurder) en belanghebbende heeft die vraag beantwoord (productie 2800007 in het ouderdossier). Onder deze omstandigheden had B/T geen reden om aan te nemen dat de vriend geen toeslagpartner was. De Commissie meent dat de voorschotbeschikking van 21 september 2019 om de KOT neerwaarts bij te stellen van € 7.872 naar € 7.346 dan ook niet ten onterechte is genomen. Belanghebbende heeft hier ook geen bezwaar tegen gemaakt. De KOT is op 2 oktober 2020 definitief vastgesteld op € 7.421, rekening houdend met het inkomen van de vriend. Ook tegen deze beschikking heeft belanghebbende geen bezwaar gemaakt zodat de inhoud daarvan vaststaat.

De Commissie overweegt verder dat de Wht is bedoeld voor herstel van vooringenomen handelen, hardheid of een onterechte O/GS-kwalificatie en niet betrekking heeft op de herziening van definitieve KOT-beschikkingen. Belanghebbende verzoekt in feite om aanpassing van de hoogte van de KOT over het toeslagjaar 2019 zoals deze indertijd en na 23 oktober 2019 definitief is vastgesteld. Een beoordeling daarvan valt dus buiten de reikwijdte van de Wht.

De Commissie ziet in het meenemen van het inkomen van de vriend van belanghebbende geen vooringenomenheid van B/T. Ook slaagt een beroep op de hardheidsregeling niet, omdat een neerwaartse aanpassing van de KOT van € 526 onder de grens van € 1.500 blijft. Er is evenmin sprake van een onterechte kwalificatie opzet/grove schuld (O/GS), zodat ook geen aanspraak bestaat op een daarop gebaseerde vergoeding.

De Commissie adviseert UHT daarom dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Reikwijdte Wht tot 23 oktober 2019

Volgens artikel 2.1, lid 1, van de Wht vindt toekenning van compensatie plaats aan aanvragers die gedupeerd zijn door institutionele vooringenomenheid of door de hardheid van de toepassing die vóór 23 oktober 2019 aan het wettelijke systeem werd gegeven.

De Commissie ziet, gelet op het voorgaande, in de gegeven omstandigheden geen aanknopingspunten om te veronderstellen dat de beslissingen die B/T na 23 oktober 2019 heeft genomen ten aanzien van het recht op KOT voor toeslagjaar 2020 verband houden met vooringenomen handelen of hardheid van vóór die datum.

De Commissie merkt op dat belanghebbende nog de mogelijkheid heeft om een verzoek tot herziening in te dienen bij Toeslagen Regulier.

CWS indien geen gedupeerde

Voor een aanvullende compensatie voor de werkelijke schade komt in aanmerking (1) de ouder bij wie aannemelijk is dat de vaststelling van zijn/haar aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van bijzondere hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van de B/T, (2) de ouder die ten onrechte een kwalificatie opzet/grove schuld heeft gekregen en aan wie daardoor een persoonlijke betalingsregeling of buitengerechtelijke schuldregeling is geweigerd, of (3) de ouder aan wie ten onrechte een persoonlijke betalingsregeling of buitengerechtelijke schuldregeling is geweigerd en aan wie op grond van artikel 9.1 Wht een O/GS-tegemoetkoming toekomt.

De Commissie constateert dat de terugvorderingen van de KOT op naam van hem of op naam van zijn ex-partner aanzienlijke gevolgen kunnen hebben gehad voor de financiële en persoonlijke situatie van belanghebbende. Hij werd geconfronteerd met onverwachte financiële tekorten, loonbeslag en beslag op zijn auto, waardoor het moeilijk was om in de dagelijkse behoeften van zijn gezin te voorzien. Deze situatie heeft bovendien geleid tot stress en psychische klachten en heeft het gezinsleven negatief beïnvloed. De Commissie heeft begrip voor de impact die deze omstandigheden op belanghebbende en zijn gezin hebben gehad.

Niettemin is de Commissie van oordeel dat UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot het besluit om het verzoek om compensatie van belanghebbende af te wijzen.

Belanghebbende komt daarom niet in aanmerking voor een aanvullende compensatie voor de werkelijke schade.

Proceskostenvergoeding

Nu de Commissie niet adviseert het primaire besluit te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter