Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-14432

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 18 augustus 2023 (UHT-DCHO)

Hoorzitting: 8 oktober 2025

Overdracht advies aan UHT: 13 november 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren, de compensatieberekening aan te passen en een proceskostenvergoeding toe te kennen.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 48.298,- voor de jaren 2013 tot en met 2017, geen compensatie toegekend voor de jaren 2018 en 2019 en een opzet/grove schuld tegemoetkoming (hierna: O/GS-tegemoetkoming) toegekend voor een bedrag van € 2.145,- voor het toeslagjaar 2018.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 26 februari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2013 tot en met 2016. In overleg met belanghebbende heeft UHT de jaren 2013 tot en met 2019 herbeoordeeld.
  • UHT heeft bij besluit van 16 oktober 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000,-.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 19 april 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de jaren 2018 en 2019 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft bij vooraankondiging van 8 juni 2023 aan belanghebbende een compensatie toegekend van € 47.398,-
  • UHT heeft bij het bestreden besluit met kenmerk UHT-DCHO aan belanghebbende een definitieve compensatie toegekend voor een bedrag van €48.298,- voor de jaren 2013 tot en met 2017, geen compensatie toegekend voor de jaren 2018 en 2019 en een O/GS-tegemoetkoming toegekend voor een bedrag van € 2.145,-voor het toeslagjaar 2018.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 18 augustus 2023 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 18 april 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 8 oktober 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie voor de jaren 2013 tot en met 2017 en de O/GS-tegemoetkoming voor toeslagjaar 2018 op de juiste wijze heeft berekend en terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie voor het jaar 2018 en compensatie of tegemoetkoming voor het jaar 2019 af te wijzen.

Compensatieberekening

Belanghebbende heeft de juistheid van de compensatieberekening betwist. UHT heeft in haar beschouwing erkend dat en toegelicht waarom de bedragen in de compensatieberekening niet kloppen. Het gaat om component g voor toeslagjaar 2016 en de componenten n, o en p voor de toeslagjaren 2013 tot en met 2017.

UHT heeft in haar beschouwing toegezegd de resultaten van de verbeterde compensatieberekening neer te leggen in de beslissing op bezwaar. De correcte data en de daarop gebaseerde renteberekeningen zijn door UHT overgelegd bij haar schriftelijke reactie. UHT heeft toegezegd dat component g, in het voordeel van belanghebbende, niet zal worden aangepast.

Verder heeft UHT tijdens de hoorzitting erkend dat voor de berekening van de vergoeding voor immateriële schade (component n), anders dan in de beschouwing gesteld, als startdatum uitgegaan dient te worden van 7 februari 2017.

De Commissie adviseert UHT de toezeggingen bij de beslissing op bezwaar gestand te doen en adviseert het bezwaar op dit punt gegrond te verklaren.

Toeslagjaar 2017, component a

Tijdens de hoorzitting is namens belanghebbende betoogd dat het bedrag onder component a voor toeslagjaar 2017 hoger moet zijn (€ 16.961,- in plaats van €8.504,-), nu met de neerwaartse correctiebeschikking van 21 april 2017 vooringenomen is gehandeld door Belastingdienst/Toeslagen (B/T).

De Commissie gaat van de volgende feiten uit.

In brieven van B/T, door belanghebbende ontvangen op 11 maart 2017 (productie 1217005) en 24 maart 2017 (productie 1217006), wordt belanghebbende meegedeeld dat B/T op basis van informatie van de KOI de opvanggegevens voor 2017 wil aanpassen. Hierbij is vermeld dat als belanghebbende niet wil dat haar gegevens worden aangepast zij telefonisch of via de mail contact moet opnemen.

Uit de gespreksnotities in het SAS-overzicht (productie 0900001) volgt dat belanghebbende op 29 maart 2017 heeft gebeld en tijdens dit gesprek heeft verzocht de KOT aan te passen naar 228 uur per maand. Belanghebbende is in het telefoongesprek meegedeeld dat urenverhoging niet mogelijk is en dat uit gegevens van de KOI volgt dat haar kind in 2016 en 2017 slechts 105 uur per week naar de opvang gaat.

Belanghebbende had eerder zelf 210 uur per maand doorgegeven. Belanghebbende hield tijdens dit gesprek vol dat zij de KOT wil aanpassen naar 228 uur per maand.

Volgens de gespreksnotities is nadien door B/T contact opgenomen met de KOI en zijn de opvanggegevens op basis van informatie van de KOI aangepast naar 105 uur per maand (beschikking van 21 april 2017, waarbij € 8.504,- KOT wordt toegekend).

Op 2 mei 2017 nam belanghebbende weer telefonisch contact op met B/T met de mededeling dat zij te weinig KOT had ontvangen. Tijdens dit gesprek is haar meegedeeld dat KOT was uitbetaald op basis van de beschikking van 21 april 2017, waarbij is uitgegaan van 105 uur opvang per maand. Belanghebbende gaf in dit gesprek wederom aan zij meer uren opvang afnam. In de gespreksnotitie is tot slot vermeld dat belanghebbende bewijsstukken zal opsturen vanaf 1 januari 2016. De stukken zijn niet toegezonden.

Gemachtigde stelt dat belanghebbende als gevolg van de handelwijze van B/T is afgehouden van het indienen van een aanvraag om urenverhoging. Aldus is haar de mogelijkheid tot het aanwenden van een rechtsmiddel onthouden. Dit moet als vooringenomen worden aangemerkt.

De Commissie overweegt dat op grond van artikel 2.2, onderdeel a, in samenhang gelezen met artikel 2.3 lid 1 van de Wht, de compensatie bestaat uit een bedrag dat gelijk is aan het bedrag dat niet is toegekend of dat is teruggevorderd, als gevolg van een beschikking tot het verminderen of niet toekennen van een KOT die een direct gevolg is van institutionele vooringenomenheid of hardheid.

De Commissie stelt vast dat B/T in 2017 naar aanleiding van informatie van de KOI over de opvanguren belanghebbende in de gelegenheid heeft gesteld op deze informatie te reageren. Naar aanleiding van die reactie heeft B/T geïnformeerd bij de KOI naar het aantal afgenomen opvanguren. De bijstelling KOT heeft plaatsgevonden conform de door de KOI verstrekte informatie en is te duiden als een reguliere correctie. De informatie op grond waarvan de correctie werd aangebracht bleek ook juist te zijn. De KOI heeft nadien per e-mail bericht bevestigd dat het aantal uren klopt en heeft hiervan ook een jaaropgave toegestuurd.

Belanghebbende wordt niet gevolgd in haar stelling dat zij door de handelwijze van B/T is afgehouden van het indienen van een aanvraag voor urenverhoging en als gevolg daarvan geen mogelijkheid heeft gehad voor het instellen van een rechtsmiddel. De Commissie merkt in dit verband op dat B/T op 21 april 2017 en 22 mei 2017 beschikkingen heeft genomen, waarbij aan haar is meegedeeld dat KOT is toegekend op basis van 105 opvanguren voor de periode 1 januari 2017 tot en met 31 december 2017. Dat het voor belanghebbende, naar zij heeft gesteld, niet duidelijk is geweest dat zij tegen deze beschikkingen bezwaar kon maken, leidt niet tot de conclusie B/T vooringenomen heeft gehandeld of dat haar rechtsmiddelen onthouden zijn.

Zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel

Belanghebbende betoogt dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd en onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen. Voor zover sprake is van onzorgvuldige voorbereiding of gebreken in de motivering van het bestreden besluit, kunnen die gebreken naar het oordeel van de Commissie in de beslissing op bezwaar door UHT worden hersteld aan de hand van wat daarover in haar beschouwing is opgemerkt.

O/GS beoordeling

Belanghebbende wenst de stukken te ontvangen die ten grondslag liggen aan de conclusie dat O/GS is vastgesteld over de toeslagjaren 2015, 2016, 2017 en 2018 (productie 130000). Deze informatie is van belang voor de procedure om vergoeding van de werkelijke schade.

De Commissie overweegt dat belanghebbende voor de jaren 2013 tot en met 2017 gecompenseerd wordt op grond van vooringenomenheid. Op grond van artikel 2.6 lid 4 Wht bestaat voor die jaren geen ruimte meer voor een O/GS-tegemoetkoming. Voor toeslagjaar 2018 is een O/GS-compensatie toegekend. In deze procedure kunnen de op de O/GS beoordeling betrekking hebbende stukken niet tot een andere beslissing leiden. De Commissie begrijpt echter wel dat het voor belanghebbende relevant is te weten welke stukken onder de O/GS beoordeling liggen en geeft UHT daarom in overweging om het invorderingsdossier bij het besluit op bezwaar toe te sturen.

Proceskostenvergoeding

Nu het bezwaarschrift naar de mening van de Commissie gedeeltelijk gegrond is en het advies van de Commissie ertoe strekt om de bestreden beschikking te herroepen, adviseert de Commissie UHT tevens de kosten van rechtsbijstand in deze procedure te vergoeden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (één bezwaarschrift en één hoorzitting). De Commissie adviseert om hierbij de hoogste vergoeding toe te kennen met wegingsfactor twee.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en om:

  • de rentevergoeding voor gemiste KOT aan te passen conform de beschouwing van 18 april 2025;
  • de vergoeding van immateriële schade te berekenen vanaf 7 februari 2017 tot de datum van het besluit op bezwaar;
  • de aanvullende vergoeding van 1% opnieuw te berekenen;
  • een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter