BAC 2023-11553
Publicatiedatum 12-02-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 15 december 2022 (UHT-DCH)
Hoorzitting: n.v.t.
Overdracht advies aan UHT: 1 juli 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren, de bestreden beschikking te herroepen en in de beslissing op bezwaar aan te passen. Verder adviseert de Commissie het verzoek om een proceskostenvergoeding toe te wijzen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 22.504,- voor de jaren 2009, 2013, 2014 en de maanden januari en februari 2015, in het kader van de Catshuisregeling aangevuld tot € 30.000,-, en geen compensatie toegekend voor de jaren 2010, 2011, 2012 en de maanden maart tot en met december 2015.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 28 december 2020 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2012 tot en met 2018. In overleg tussen belanghebbende en de persoonlijk zaakbehandelaar is het herbeoordelingsverzoek aangepast naar de jaren 2009 tot en met 2015.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 3 oktober 2022 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat de Belastingdienst/Toeslagen zich voor de jaren 2010 tot en met 2012 en de maanden maart tot en met december 2015 terecht op het standpunt stelde dat de compensatieregelingen op grond van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden niet van toepassing zijn.
- UHT heeft bij de bestreden beschikking aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 22.504,- voor de jaren 2009, 2013, 2014 en de maanden januari en februari 2015. Aan belanghebbende is geen compensatie toegekend voor de jaren 2010, 2011, 2012 en de maanden maart tot en met december 2015.
- Gemachtigde heeft bij brief van 24 januari 2023, ingekomen op 25 januari 2023, tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 21 januari 2025 bij beschouwing schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Gemachtigde heeft namens belanghebbende op 20 juni 2025 schriftelijk laten weten af te zien van een hoorzitting bij de bezwaarschriftenadviescommissie en verzocht de Commissie advies uit te brengen op de stukken. De Commissie ziet, ingevolge artikel 7:3, onderdeel c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), af van het horen van belanghebbende.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie voor de jaren 2009, 2013, 2014 en de maanden januari en februari 2015 op de juiste wijze heeft berekend en of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de jaren 2010 en 2012 af te wijzen.
Zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel
Belanghebbende stelt dat bij de voorbereiding en totstandkoming van de bestreden beschikking niet de vereiste zorgvuldigheid in acht is genomen en dat de beschikking onvoldoende gemotiveerd is.
Als onderdeel van de beschikking heeft UHT een inhoudelijke motivering en een compensatieberekening opgenomen, waaruit blijkt waarom sprake was van vooringenomenheid, welke beschikkingen voor de compensatieberekening relevant zijn en hoeveel compensatie per component wordt toegekend. De bedragen zijn afkomstig van onder meer de voorschotbeschikkingen, definitieve beschikkingen en wijzigingsmeldingen van de KOT. Voor zover UHT haar beoordeling bij het uitbrengen van de bestreden beschikking niet voldoende zou hebben toegelicht, impliceert dat niet dat van een gebrekkige motivering dan wel onzorgvuldigheid sprake is. De Commissie is van oordeel dat door het indienen van de schriftelijke beschouwing, met daarin een uitgebreide uitleg per component van de compensatieberekening, het verstrekken van de overzichten van het Landelijk incassocentrum (hierna: LIC) en de overige producties, de bestreden beschikking voldoende is onderbouwd. Gelet hierop adviseert de Commissie UHT het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Afwijzing compensatie voor de toeslagjaren 2010 en 2012
Volgens gemachtigde is in de jaren 2010 en 2012 sprake van hardheid van het stelsel, omdat de KOT rechtstreeks aan de kinderopvanginstelling is uitbetaald, terwijl vervolgens bedragen van meer dan € 1.500,- van belanghebbende zijn teruggevorderd. De Commissie overweegt hierover als volgt.
Wanneer de KOT rechtstreeks is uitbetaald aan de kinderopvanginstelling maar bij de ouder wordt teruggevorderd omdat het recht op KOT lager bleek te zijn, kan sprake zijn van een bijzondere omstandigheid die recht op compensatie geeft vanwege hardheid.
Voor het aannemen van het bestaan van een bijzondere omstandigheid is het niet voldoende dat bij de ouder een bedrag van tenminste € 1.500,- is teruggevorderd. Ook moet duidelijk zijn dat een bedrag van tenminste € 1.500,- teveel is uitbetaald aan de kinderopvanginstelling en niet ten goede aan belanghebbende is gekomen.
De Commissie stelt vast dat er niet meer is betaald aan de kinderopvanginstelling dan de kosten van afgenomen kinderopvang. UHT heeft de berekening voor de jaren 2010 en 2012 in de aanvullende beschouwing toegelicht. Hoewel de KOT gedurende de jaren 2010 en 2012 met meer dan € 1.500 is verlaagd, is er niet te veel KOT uitbetaald aan de kinderopvanginstelling. Dat betekent dat de KOT aan belanghebbende ten goede is gekomen. Hierdoor is de hardheidsregeling niet van toepassing en bestaat geen aanspraak op compensatie vanwege hardheid van het stelsel. Het door belanghebbende op dit punt ingebrachte bezwaar acht de Commissie daarom ongegrond.
Rentevergoeding over de gemiste KOT (component o)
Uit de schriftelijke beschouwing volgt dat de rentevergoeding over de gemiste KOT over de toeslagjaren 2009 en 2013 te laag is vastgesteld. Het ging daarbij om de volgende bedragen: € 663 en € 617. Uit de nieuwe berekeningen volgt dat deze bedragen moeten worden aangepast naar: € 692 en € 623. De Commissie adviseert UHT het bezwaarschrift tegen de beschikking met kenmerk UHT-DCH op dit punt gegrond te verklaren en de rentevergoeding aan te passen in lijn met haar schriftelijke beschouwing.
Vergoeding van immateriële schade (component n)
Aangezien sprake is van een gedeeltelijke gegrondverklaring van het bezwaar, dient de periode waarover de immateriële schade wordt berekend door te lopen tot de dagtekening van de beslissing op bezwaar. De Commissie merkt volledigheidshalve op dat de vergoeding voor immateriële schade niet hoger mag zijn dan het bedrag onder component e.
Aanvullende vergoeding van 1% (component p)
Het advies van de Commissie om de voornoemde componenten in de compensatieberekening aan te passen, leidt ertoe dat de aanvullende vergoeding van 1% over een hoger subtotaal moet worden berekend in de beslissing op bezwaar dan het geval is in de laatste compensatiebeschikking. De Commissie adviseert UHT om deze component daarom eveneens in de herberekening mee te nemen.
Nu de bestreden beschikking naar de mening van de Commissie dient te worden herroepen, adviseert de Commissie om het verzoek voor vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure toe te wijzen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en om:
- de bestreden beschikking te herroepen;
- de compensatieberekening aan te passen op de volgende onderdelen;
- De rentevergoeding over gemiste KOT (component o) over de jaren 2009 en 2013 aan te passen naar respectievelijk € 692 en € 623.
- De vergoeding voor immateriële schade (component n) te berekenen tot de datum van de beslissing op bezwaar.
- De 1% aanvullende vergoeding (component p) aan te passen.
- een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter