Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2021-02122

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 18 mei 2021 met als kenmerk UHT-DC

22 januari 2024 met als kenmerk UHT-DCHA VWO

Ontvangst bezwaarschrift: 31 mei 2021

Hoorzitting: 24 januari 2024

Overdracht advies aan UHT: 22 februari 2024

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaarschrift gericht tegen de definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag van 18 mei 2021 (UHT-DC) gedeeltelijk gegrond te verklaren en deze beslissing te herroepen.

De Commissie adviseert UHT om het bezwaarschrift gericht tegen het niet toekennen van compensatie voor berekeningsjaren 2010 en 2011 (vastgelegd in de definitieve beschikking beoordeling kinderopvangtoeslag van 22 januari 2024 (UHT-DCHA VOW) ongegrond te verklaren en in stand te laten.
De Commissie adviseert UHT om een proceskostenvergoeding toe te kennen.

Onderwerp van advies

Het door de belanghebbende op 31 mei 2021 ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door Belastingdienst/Toeslagen, Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT) genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) van 18 mei 2021 (UHT-DC). In deze beschikking is het verzoek om compensatie voor berekeningsjaren 2012-2014 toegewezen. Het totaal toegekende bedrag aan compensatie bedraagt € 71.750,-.

Belanghebbende (haar toenmalige gemachtigde) heeft op 1 september 2022 gronden aangevoerd tegen het niet toekennen van compensatie voor berekeningsjaren 2010 en 2011. Ter zake heeft UHT op 22 januari 2024 (UHT-DCHA VOW) een afwijzende beschikking gegeven.

Bovenvermelde beschikkingen worden hierna samen aangeduid als ‘bestreden beschikkingen’.

Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen, hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.6 en 9.2 Wht moeten de bestreden beschikkingen geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 6 februari 2020 verzocht om een herbeoordeling van de KOT.
  • De Commissie van onafhankelijke deskundigen hersteloperatie toeslagen (hierna aangeduid als Commissie van Wijzen -CvW-) heeft in haar advies van 5 maart 2021 geoordeeld dat gedurende de berekeningsjaren 2010 en 2011 geen sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen.
  • Bij definitieve beschikking van 18 mei 2021 heeft UHT aan belanghebbende een definitief compensatiebedrag van € 71.750,- toegekend. Dit bedrag heeft betrekking op de berekeningsjaren 2012 tot en met 2014.
  • Bij brief ontvangen op 31 mei 2021 heeft belanghebbende een bezwaarschrift ingediend tegen de compensatiebeschikking van 18 mei 2021.
  • Bij brief ontvangen op 1 september 2022 heeft belanghebbende een bezwaarschrift ingediend tegen de afwijzing van compensatie voor de berekeningsjaren 2010 en 2011.
  • UHT heeft op 23 oktober 2023 een schriftelijke reactie ingediend op de bezwaren van belanghebbende.
  • Bij brief van 29 december 2023 heeft gemachtigde namens belanghebbende aanvullende gronden ingediend.
  • UHT heeft op 11 januari 2024 een nadere schriftelijke reactie ingediend op de bezwaren van belanghebbende.
  • Bij beschikking van 22 januari 2024 (UHT-DCHA VOW) heeft UHT aan belanghebbende bericht dat zij geen recht heeft op compensatie voor berekeningsjaren 2010 en 2011.
  • Op 24 januari 2024 heeft de Commissie een hoorzitting gehouden in aanwezigheid van partijen. Het verslag van deze hoorzitting is gevoegd bij dit advies.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat de bezwaarschriften tegen de bestreden beschikkingen ontvankelijk zijn.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Volledig dossier
Belanghebbende is na haar bezwaar door UHT in kennis gesteld van alle gegevens die in het kader van de bezwaarprocedure relevant zijn; de ‘op de zaak betrekking hebbende stukken’ (artikel 7:4 lid 2 Awb). De Commissie neemt er nota van dat belanghebbende nog niet in het bezit is gesteld van haar persoonlijk dossier.
De Commissie heeft geen aanleiding om eraan te twijfelen dat zij beschikt over de op de voorliggende zaken betrekking hebbende stukken, met uitzondering van de compensatieberekening. De Commissie overweegt dat de compensatieberekening ontbreekt in het dossier dat zij van UHT heeft ontvangen. UHT heeft deze berekening ook na een verzoek van de Commissie niet verstrekt en zij verwijst alleen naar het bezwaar van belanghebbende (productie 43). De Commissie benadrukt dat de compensatieberekening deel uitmaakt van de op de zaak betrekking hebbende stukken (artikel 7:4 lid 2 Awb en artikel 5.2 Wht) en de door UHT toegekende compensatie onderbouwt. Als de compensatieberekening ontbreekt kan de Commissie de totstandkoming van het compensatiebedrag niet zelfstandig beoordelen. In dit geval heeft de Commissie zich bij wijze van uitzondering gebaseerd op de berekening bij het bezwaar van belanghebbende. Het bezwaar is op dit onderdeel gegrond.

Bezwaargronden
De Commissie stelt vast dat belanghebbende in eerste instantie bezwaar heeft gemaakt tegen het toewijzende compensatiebesluit van 18 mei 2021 (UHT-DC).
In deze beschikking is het verzoek om compensatie voor de berekeningsjaren 2012 tot en met 2014 toegewezen. Belanghebbende heeft eveneens gronden aangevoerd tegen de afwijzing van compensatie voor de jaren 2010 en 2011. Hieronder bespreekt de Commissie de bezwaren van belanghebbende.
De Commissie spreekt zich eerst uit over de berekeningsjaren 2012 tot en met 2014. Vervolgens bespreekt de Commissie de gronden die betrekking hebben op de berekeningsjaren 2010 en 2011.

Compensatie berekeningsjaren 2012 – 2014
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT het compensatiebedrag voor deze toeslagjaren juist heeft berekend. Belanghebbende stelt vragen bij de KOT-gegevens die betrekking hebben op deze jaren. Belanghebbende stelt zich verder op het standpunt dat het haar niet duidelijk is hoe het compensatiebedrag tot stand is gekomen. Zij is van mening dat componenten van het toegekende compensatiebedrag niet juist zijn berekend. In dit verband voert belanghebbende aan dat zij aanvullende werkelijke schade heeft geleden. Deze schade houdt onder andere verband met ondervonden discriminatie. Belanghebbende wenst een proceskostenvergoeding te ontvangen.

Motivering
De Commissie overweegt dat uit de berekening van het definitieve compensatie-bedrag KOT en de toelichting hierbij in voldoende mate blijkt hoe het definitieve compensatiebedrag tot stand is gekomen. Uit het dossier kan worden afgeleid waarop de verschillende componenten van de compensatieberekening gebaseerd zijn. Voor zover er ter zitting nog onduidelijkheden bestonden over de totstand-koming van de compensatie en de relevante feiten en omstandigheden, heeft belanghebbende dit aan de orde kunnen stellen. De Commissie stelt vast dat UHT haar beslissing voldoende heeft gemotiveerd.

Compensatieberekening, onderdeel h, vergoeding juridische hulp
Belanghebbende voert aan dat de door haar gemaakte juridische kosten niet allemaal zijn vergoed. Belanghebbende heeft ook juridische bijstand ontvangen in verband met het opstellen en indienen van bezwaarschriften. UHT stelt zich op het standpunt dat de vergoeding voor juridische hulp nader wordt vastgesteld op 6 procespunten x € 837,-; totaal € 5.022 ,-.

De Commissie overweegt dat belanghebbende gebruik heeft gemaakt van beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Deze bijstand heeft -zo blijkt uit de aan de Commissie bekende gegevens- betrekking gehad op het beroep tegen de beslissing op bezwaar van 4 februari 2017 met betrekking tot de definitieve vaststelling van KOT 2013 (productie 33). Ter zake is namens belanghebbende een verweerschrift ingediend en is belanghebbende, vergezeld door haar gemachtigde, verschenen op 29 augustus en 5 oktober 2017. De Commissie heeft geen gegevens aangetroffen waaruit blijkt dat aan belanghebbende overigens (in de bezwaarfase) beroepsmatig rechtsbijstand is verleend met betrekking tot een KOT-beslissing voor berekeningsjaren 2012 – 2014. De Commissie stelt vast dat zij de beslissing van UHT om totaal 6 procespunten (3 x 2 punten) toe te kennen, navolgbaar acht. De door UHT in 2023 toegekende waarde per procespunt ad € 837,-acht de Commissie eveneens navolgbaar. Nu op het (gegronde) bezwaar van belanghebbende wordt beslist in 2024, adviseert de Commissie echter aan UHT om per procespunt een waarde ad € 875,- toe te kennen (bijlage bij Besluit proceskosten bestuursrecht, onderdeel B.1 sub 2.). Het bezwaar is op dit onderdeel gegrond.

Compensatieberekening, onderdeel i, vergoeding voor immateriële schade
Belanghebbende stelt dat de stopzetting van KOT voor het eerst plaatsvond op een datum gelegen vóór 21 november 2012. UHT voert aan dat de KOT voor het eerst stopgezet werd in verband met een CAF-onderzoek. Dit onderzoek ving aan op
14 december 2013. Als gevolg hiervan werd de KOT op 2 mei 2014 stopgezet. Hoewel pas op een later moment dan 21 november 2012 sprake was van institutioneel vooringenomen handelen, handhaaft UHT deze datum als aanvangsdatum voor berekening van immateriële schade. Belanghebbende mag niet in een slechtere positie komen omdat zij bezwaar heeft gemaakt.
De Commissie volgt de conclusie van UHT om de begindatum voor berekening van de compensatie te handhaven op 21 november 2012. Het bezwaar is op dit onderdeel ongegrond.

Vergoeding voor werkelijk geleden schade
Belanghebbende stelt dat zij en haar gezin ernstig geleden hebben als gevolg van de fouten van B/T. Belanghebbende verzoekt om toekenning van een hoger bedrag aan vergoeding van immateriële schade. De Commissie overweegt als volgt. In het geval van compensatie op grond van de compensatieregeling wordt aan gedupeerde ouders niet het werkelijke nadeel vergoed dat zij hebben ondervonden. De vergoeding bedraagt, overeenkomstig artikel 2.3, vierde lid Wht, € 500,- voor ieder half jaar dat is verstreken tussen de dagtekening van de eerste neerwaartse correctiebeschikking tot aan de definitieve compensatieberekening. Het bedrag kan niet hoger zijn dan component A van de compensatieberekening. Wanneer aannemelijk is dat de werkelijke immateriële schade als gevolg van het handelen door de B/T hoger is dan de forfaitaire compensatie uit hoofde van de Wht, dan kan de ouder op grond van artikel 2.1 lid 3 Wht in aanmerking komen voor een aanvullende compensatie voor de werkelijke schade.

Belanghebbende heeft daartoe inmiddels een verzoek tot vergoeding van de werkelijke schade ingediend, dat door UHT voor advies voorgelegd is aan de Commissie aanvullende schadevergoeding werkelijke schade (hierna: CWS).
De Commissie acht het bezwaar van belanghebbende op dit onderdeel ongegrond.

Compensatieberekening, onderdeel i, vergoeding immateriële schade en onderdeel k aanvullende vergoeding
Uit het voorgaande volgt dat in de compensatieberekening ook onderdeel i vergoeding immateriële schade en onderdeel k aanvullende vergoeding
(1% subtotaal) wijzigen. De Commissie adviseert UHT om de vergoeding voor immateriële schade te wijzigen, zodanig dat de einddatum van de te vergoeden periode de beslissing op bezwaar is. De Commissie adviseert UHT eveneens om in haar beslissing op bezwaar de aanvullende vergoeding te berekenen over het subtotaal van de (gewijzigde) bedragen.

Afwijzing compensatie berekeningsjaren 2010 - 2011
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT op juiste gronden het verzoek om compensatie voor deze jaren heeft afgewezen. Belanghebbende werpt vragen op bij de handelwijze van B/T in deze jaren. Zij voert aan dat zij op een fraudelijst vermeld stond. Ook voert belanghebbende aan dat de gastouder in 2011 en tot en met 6 november 2012 ingeschreven was op het adres van belanghebbende. Belanghebbende heeft in haar bezwaarschrift op 16 november 2012 aangegeven dat de gastouder vergeten was om zich uit te schrijven. Op de hoorzitting heeft belanghebbende aangegeven dat de gastouder volgens het gastouderbureau ingeschreven moest staan op het adres van belanghebbende.
Volgens belanghebbende duidt de handelwijze van B/T op vooringenomen handelen.

UHT stelt zich op het standpunt dat registratie in het FSV-systeem geen kenmerk is van een institutioneel vooringenomen handelwijze en niet leidt tot een aanspraak op compensatie. In 2010 moest belanghebbende een deel van de KOT terugbetalen, maar dit had als reden dat het gezamenlijke toetsingsinkomen hoger was dan waarmee eerder rekening was gehouden. In 2011 is de KOT verminderd tot € 0,- omdat de gastouder en belanghebbende op hetzelfde adres stonden ingeschreven. Dit erkent belanghebbende in haar bezwaarschrift en dit heeft zij herhaald op de hoorzitting (productie 15a).

In 2014 is alsnog KOT over 2011 toegekend. Omdat ook toeslag is toegekend over de maanden waarin de gastouder nog op hetzelfde adres stond ingeschreven als belanghebbende, heeft zij meer ontvangen dan waar zij recht op had. Tenslotte voert UHT aan dat ook uit de tijdlijn blijkt dat belanghebbende eerst van de signaallijst is gehaald, waarna de neerwaartse beschikkingen over 2010 en 2011 plaatsgevonden hebben.

De Commissie overweegt als volgt. Uit de aan haar bekende gegevens volgt dat in 2010 sprake was van een reguliere wijziging op grond waarvan belanghebbende een deel van de KOT moest terugbetalen. In 2011 voldeed belanghebbende niet aan de voorwaarden om KOT te ontvangen omdat de gastouder en belanghebbende op hetzelfde adres stonden ingeschreven. Belanghebbende geeft in haar bezwaarschrift van 16 november 2012 zelf duidelijk te kennen dat zij op grond hiervan geen recht had op KOT maar dit voor de toekomst te herstellen. Belanghebbende had in 2011 evident geen recht op KOT. B/T heeft de KOT op
20 oktober 2012 op nihil gesteld (productie 12).

Het gegeven dat gastouderbureau (en de gastouder) werden onderzocht in verband met een fraudeverdenking leidt niet tot een andere conclusie nu de stopzetting niet daaraan gerelateerd was. Aanvullend overweegt de Commissie als volgt. Het enkele feit van opname van gegevens van belanghebbende in het FSV-systeem biedt géén grond voor de conclusie dat daarmee jegens belanghebbende institutioneel vooringenomen is gehandeld of sprake was van hardheid bij de toepassing van het stelsel. De Commissie stelt vast dat belanghebbende geen aanspraak heeft op compensatie voor berekeningsjaren 2010 en 2011. Het bezwaar is op dit onderdeel ongegrond.

Art. 19 Awir / reactie klacht
Belanghebbende voert aan dat de definitieve beschikkingen KOT buiten de wettelijke termijnen zijn genomen, zonder dat belanghebbende hierover is geïnformeerd.

Belanghebbende stelt dat op deze grond ook sprake is van vooringenomenheid over 2010 en 2011. Ook voert belanghebbende aan dat zij pas op 30 juni 2016 iets gehoord heeft op een klacht die zij in 2014 heeft ingediend.

De Commissie overweegt dat het in deze procedure niet gaat om het herzien van onherroepelijke KOT-beschikkingen of het beoordelen van de tijdigheid van beschikkingen of klachten. Het niet vaststellen van definitieve beschikkingen binnen de termijn van artikel 19 van de Awir en/ of het niet of te laat reageren op klachten is geen aanleiding om vooringenomen handelen aan te nemen.
Op de hoorzitting heeft UHT aangegeven dat de klacht van belanghebbende niet juist is afgehandeld en dat het te lang heeft geduurd voordat belanghebbende een reactie ontving. Het is wenselijk dat belanghebbende eerder zou zijn geïnformeerd.
De Commissie volgt UHT hierin. Het bezwaar is op dit onderdeel ongegrond.

HOTHOR
Belanghebbende voert aan dat vanwege het toezicht op basis van Hothor sprake is van discriminatie van personen van buitenlandse afkomst. De Commissie overweegt als volgt. Het kenmerk HOTHOR - hoge toeslag/hoog risico - is een kenmerk dat geautomatiseerd wordt toegevoegd in situaties waarin sprake is van een laag inkomen, waardoor recht ontstaat op een relatief hoog bedrag aan toeslagen. Dit kenmerk heeft tot gevolg dat een extra handmatige controle plaatsvindt. Gemachtigde stelt - onder verwijzing naar het rapport 'Vooronderzoek naar de vermeende discriminerende effecten van de werkwijzen van de Belastingdienst/Toeslagen' van het College voor de Rechten van de Mens – dat door deze extra controle ouders met een buitenlandse afkomst en een laag inkomen en/of met veel kinderen extra werden geraakt.

De Commissie overweegt dat zij in het kader van de hersteloperatie toeslagen niet beoordeelt of in het geval van een belanghebbende sprake is geweest van discriminatie. Wel kan belanghebbende dit punt mogelijk aanvoeren bij de CWS.

Proceskostenvergoeding
Nu het bezwaar tegen de beschikking van 18 mei 2021 (UHT-DC) naar de mening van de Commissie ten dele gegrond is, adviseert de Commissie om het verzoek voor vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure toe te wijzen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belang-hebbende recht op een forfaitaire vergoeding voor een hoorzitting basis van twee procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor twee. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.

Conclusie

Gelet op het voorgaande adviseert de Commissie UHT om:

  • het bezwaar gericht tegen de beschikking van 18 mei 2021 (UHT-DC) gedeeltelijk gegrond te verklaren en de beschikking te herroepen;
  • De vergoeding voor juridische hulp voor berekeningsjaar 2013 nader vast te stellen op 6 procespunten x € 875,-;
  • alle, ingevolge de Wht, daarmee samenhangende vergoedingen opnieuw te berekenen met inachtneming van dit advies en daarbij de einddatum van de vergoeding voor immateriële schade en van de desbetreffende vergoedingen vast te stellen op de datum tot aan de dagtekening van de beslissing op bezwaar;
  • een proceskostenvergoeding voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten tegen het hoogste tarief, met een wegingsfactor twee;
  • het bezwaar gericht tegen de beschikking van 22 januari 2024 (UHT-DCHA VOW) ongegrond te verklaren en deze beschikking in stand te laten.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter