BAC 2022-10490
Publicatiedatum 11-02-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluiten: 11 augustus 2022 (UHT-DC I, UHT-DC-I A en UHT-DH A) en 7 september 2022 (UHT-O OGS B)
Hoorzitting: 16 oktober 2024
Overdracht advies aan UHT: 9 januari 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren, alsnog compensatie toe te kennen voor de maand december 2017, de compensatieberekening aan te passen en een proceskostenvergoeding toe te kennen.
Onderwerp van advies
De door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschriften zijn gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikkingen compensatie kinderopvangtoeslag.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Compensatieregeling CAF 11 en vergelijkbare (CAF-)zaken van 28 augustus 2020 (Stcrt. 2020, nr. 45904; hierna: Compensatieregeling) compensatie toegekend voor een bedrag van € 46.739,- voor de jaren 2014, 2015 en 2016 en geen compensatie toegekend voor het jaar 2017. Voor dat jaar is wel een opzet/grove schuld (O/GS) tegemoetkoming toegekend van € 2.082,-.
Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen, hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.6 en 9.2 Wht moeten de bestreden beschikkingen geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 13 januari 2021 verzocht om herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2014 tot en met 2017.
- UHT heeft bij beschikking van 23 februari 2021 aan belanghebbende meegedeeld dat zij wel in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000,-.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 13 juni 2022 aan UHT toegestuurd.
- De CvW heeft geadviseerd dat de compensatieregeling en de hardheidscompensatie niet van toepassing zijn voor het toeslagjaar 2017.
- UHT heeft bij de bestreden beschikkingen van 11 augustus 2022 met kenmerk UHT-DC-I A en UHT-DH A aan belanghebbende geen compensatie toegekend voor het jaar 2017.
- Gemachtigde heeft bij brieven van 15 september 2022, ingekomen op 19 september 2022, tegen deze beschikkingen een afzonderlijk bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft bij de bestreden beschikking van 11 augustus 2022 met kenmerk UHT-DC I aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 46.739,- voor de jaren 2014, 2015 en 2016.
- Gemachtigde heeft bij brief van 15 september 2022, ingekomen op 19 september 2022, tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft bij de bestreden beschikking van 7 september 2022 met kenmerk UHT-O OGS B aan belanghebbende een O/GS-tegemoetkoming toegekend voor een bedrag van € 2.082-.
- Gemachtigde heeft bij brief van 15 september 2022, ingekomen op 19 september 2022, tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft bij schriftelijke reactie gedateerd 23 februari 2024 gereageerd op de bezwaarschriften.
- Op 16 oktober 2024 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, een nadere schriftelijke reactie ingediend bij aanvullende beschouwing gedateerd 8 november 2024. Gemachtigde heeft daar op 13 december 2024 op gereageerd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat de bezwaarschriften ontvankelijk zijn.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en de bestreden besluiten
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie voor de jaren 2014, 2015 en 2016 op de juiste wijze heeft berekend en of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie voor toeslagjaar 2017 af te wijzen.
Op de hoorzitting heeft belanghebbende betoogd dat onduidelijk is waarom de toeslagjaren 2011 tot en met 2013 en 2018 en 2019 niet zijn meegenomen in de herbeoordeling. In haar ogen had dit moeten gebeuren, omdat ook over deze toeslagjaren sprake was van KOT.
De Commissie kan in deze procedure alleen advies uitbrengen over de bestreden beschikkingen en de toeslagjaren waar deze beschikkingen op zien. De Commissie neemt met instemming kennis van de ter zitting gedane toezegging van UHT om de jaren 2011 tot en met 2013 en 2018 en 2019 alsnog te beoordelen.
Persoonlijk dossier, Equality of arms
Belanghebbende voert in bezwaar aan dat UHT handelt in strijd met het beginsel van equality of arms. In haar ogen wordt zij in haar procesbelang geschaad, omdat ze niet de beschikking krijgt over haar persoonlijk dossier en/of een volledig bezwaardossier en daardoor niet over de voor het voeren van bezwaar benodigde documenten beschikt.
De Commissie overweegt hierover het volgende.
De Commissie is een onafhankelijke bezwaarschriftenadviescommissie in de zin van artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Voor de procedure bij de Commissie gelden de procedurele waarborgen van de Awb en tegen beslissingen op bezwaar van UHT, zoals volgt op de adviezen van de Commissie, kan een belanghebbende rechtsmiddelen instellen bij de rechter.
Op grond van artikel 7:4 lid 2 Awb en artikel 5.2 leden 3 en 4 van de Wht heeft een belanghebbende voorafgaand aan de hoorzitting bij de Commissie recht op afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken. De schriftelijke reactie met de bijbehorende producties, waaronder ook de “Overzichten (uit)betalingen en/of verrekeningen toeslagen” van het Landelijk Incasso Centrum, de LIC-overzichten, is op 1 augustus 2024 aan gemachtigde toegezonden. Hierdoor hebben gemachtigde en belanghebbende kennis kunnen nemen van de stukken die ten grondslag liggen aan de bestreden besluiten en gelegenheid gehad om daarop te reageren.
Belanghebbende heeft geen vooraankondiging ontvangen, waardoor zij destijds niet in de gelegenheid is gesteld haar zienswijze kenbaar te maken.
De Commissie overweegt dat dit inderdaad niet de aangewezen gang van zaken is nu belanghebbende de mogelijkheid moet hebben om middels een zienswijze haar standpunten kenbaar te maken. Belanghebbende is in deze bezwaarprocedure alsnog in de gelegenheid gesteld om haar bezwaren toe te lichten en te onderbouwen. Een eventuele tekortkoming is daarmee hersteld.
Geen compensatie over 2017 vanwege evident geen recht op KOT
De Commissie stelt vast dat niet in geschil is dat belanghebbende ook over 2017 vooringenomen is behandeld door de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T). Volgens UHT is er geen recht op compensatie over dit jaar omdat sprake is van de uitzondering bedoeld in artikel 2.1 lid 2 Wht.
Ingevolge artikel 2.1 lid 2 Wht wordt de compensatie niet toegekend indien de door de aanvrager van een kinderopvangtoeslag geleden schade is te wijten aan ernstige onregelmatigheden die aan hem toerekenbaar zijn.
De vraag die voorligt is of sprake van de situatie bedoeld in artikel 2.1 lid 2 Wht. De Commissie beantwoordt deze vraag ontkennend.
De Commissie overweegt daartoe in de eerste plaats dat de bewijslast voor deze situatie bij UHT ligt.
UHT wijst ter onderbouwing van haar standpunt dat belanghebbende evident geen recht op KOT heeft naar productie 61. B/T heeft telefonisch contact gehad met de kinderopvanginstelling [naam]. Uit dit onderhoud blijkt volgens UHT dat belanghebbende het contract ten aanzien van de kinderopvang per 1 december 2017 heeft getekend, maar dat haar kind nooit meer is komen opdagen. Verder is de KOI-viewer (productie 65) leeg.
UHT stelt dat zij mag vertrouwen op de juistheid van de mededeling van de kinderopvanginstelling. Daarnaast zijn er geen andere stukken in het dossier aanwezig waaruit blijkt dat wel kinderopvang is afgenomen.
Op de hoorzitting heeft belanghebbende betoogd dat wel sprake is geweest van opvang in de maand december 2017, onder verwijzing naar de factuur van de kinderopvanginstelling voor deze maand.
De Commissie acht het standpunt dat sprake is van evident geen recht op KOT met de verwijzing naar productie 61 onvoldoende onderbouwd gelet op de factuur van [kinderopvanginstelling] voor opvang van [naam kind] voor de maand december 2017 voor een bedrag van € 1.632,25 (productie 53). Aan het document in productie 65, de KOI-viewer, kan de Commissie geen gegevens ontlenen; op de melding Info KOO 2017 na, is dit document blanco.
Voor zover [naam kind] wellicht geen opvang heeft genoten in de maand december 2017, wijst de Commissie er op dat de aanspraak op KOT afhankelijk is gesteld van de (betaalde) kosten van kinderopvang, niet van de daadwerkelijke opvang (artikel 1.5 Wet kinderopvang).
De Commissie zal UHT gelet op het voorgaande adviseren voor de maand december 2017 alsnog compensatie op grond van vooringenomenheid toe te kennen. Het bezwaar is op dit punt gegrond. Aan de bezwaargrond dat belanghebbende op grond van hardheid in aanmerking komt voor compensatie omdat geen rekening is gehouden met de beslagvrije voet, komt de Commissie gelet hierop niet meer toe.
Vergoeding voor immateriële schade
De Commissie overweegt dat op grond van artikel 2.3, lid 4, Wht de forfaitaire vergoeding voor immateriële schade moet worden berekend vanaf de datum van een eerste beschikking tot het verminderen of niet toekennen van KOT of het beëindigen van voorschotverlening voor KOT die een direct gevolg is van (onder meer) institutionele vooringenomenheid.
UHT hanteert echter een voor belanghebbenden begunstigend beleid, dat voor de berekening van de vergoeding voor immateriële schade wordt uitgegaan van de datum van de eerste vooringenomen handeling door B/T. Naar de opvatting van de Commissie moet dit beleid ook in het geval van belanghebbende worden gevolgd.
De Commissie zal UHT daarom adviseren de beschikking overeenkomstig dit van de Wht afwijkende maar voor belanghebbende begunstigende gehanteerde beleid aan te passen, en te bezien of 18 december 2015 de juiste startdatum zou moeten zijn, gelet op de melding van die datum ‘Informatie over stopzetten KOT 2014.’ in het Informatie- en beoordelingsformulier (pagina 22 dossier).
De Commissie merkt daarbij op dat UHT geacht wordt dat beleid ook in vergelijkbare gevallen consistent toe te passen.
UHT heeft de Commissie meegedeeld dat UHT, indien een bezwaar (gedeeltelijk) gegrond is, bij de berekening van de vergoeding voor immateriële schade - in afwijking van de Wht - als einddatum zal hanteren de datum van de beslissing op het bezwaar. De Commissie adviseert UHT daarom dit beleid ook in dit geval toe te passen nu het bezwaar gegrond is.
Op grond van artikel 2.2, aanhef onder g, Wht wordt rente vergoed over het niet uitgekeerde bedrag vanwege het verminderen of niet toekennen van de KOT of het beëindigen van de voorschotverlening van KOT. De rente wordt volgens artikel 2.3, lid 7, Wht berekend over het bedrag aan compensatie voor correctiebesluiten met overeenkomstige toepassing van artikel 27 Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir). Op grond van artikel 27 Awir wordt de rente enkelvoudig berekend over het tijdvak dat aanvangt op 1 juli van het jaar volgend op het berekeningsjaar en eindigt op de dag van de datum van de beschikking tot toekenning van de tegemoetkoming, tot herziening van de tegemoetkoming of tot herziening van de terugvordering.
De Commissie stelt vast dat de rentevergoeding gemiste KOT niet vanaf 1 juli 2015, 1 juli 2016 en 1 juli 2017 en tot 11 augustus 2022 is berekend en adviseert UHT de berekening aan te passen voor zover dit in het voordeel van belanghebbende is.
Verder adviseert de Commissie UHT, conform de toezegging in de schriftelijke reactie, om de rentevergoeding voor gemiste KOT te berekenen tot de datum van de beschikking op bezwaar.
Nu de primaire besluiten met kenmerk UHT-DC I, UHT-DC-I A en UHT-DH A naar de mening van de Commissie dienen te worden herroepen, adviseert de Commissie om het verzoek voor vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure toe te wijzen. Naar de Commissie meent is sprake van samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Op grond van dit Besluit heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van 2 procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en de beschikkingen van 11 augustus 2022 met kenmerk UHT-DC I, UHT-DC-I A en UHT-DH A te herroepen, en om:
- Alsnog compensatie toe te kennen voor de maand december 2017;
- De huidige compensatieberekening als volgt aan te passen:
- de vergoeding voor immateriële schade te berekenen tot de datum van de beschikking op bezwaar en te bezien of 18 december 2015 de juiste startdatum zou moeten zijn;de rentevergoeding voor gemiste KOT te berekenen vanaf de juiste startdatum en tot de juiste einddatum, voor zover dit in het voordeel van belanghebbende is, en tot de datum van de beschikking op bezwaar;de aanvullende vergoeding van 1% aan te passen;
- een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter