Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-12480

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 19 januari 2023 (UHT-DCH), 25 januari 2023 (UHT-O OGS B)

Hoorzitting: 24 oktober 2024 om 10:00 uur

Overdracht advies aan UHT: 14 januari 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar tegen de beschikking met kenmerk UHT DCH ongegrond te verklaren, het bezwaar tegen de beschikking met kenmerk UHT-O OGS B gegrond te verklaren en de O/GS berekening opnieuw te maken en te motiveren in de beslissing op bezwaar, waarbij een proceskostenvergoeding wordt toegekend indien de heroverweging leidt tot herroeping van het bestreden besluit.

Onderwerp van advies

De door destijds gemachtigde van belanghebbende, ingediende bezwaarschriften zijn gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag en de beschikking O/GS over 2013.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor toeslagjaar 2011 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2012 en 2013 op grond van vooringenomenheid of hardheid. Aan belanghebbende is wel een O/GS vergoeding toegekend voor het jaar 2013.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 1 maart 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2007 tot en met 2012.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 24 november 2022 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de jaren 2012 en 2013 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden. Over 2011 is de compensatieregeling wel van toepassing. Over 2013 wordt een O/GS tegemoetkoming toegekend.
  • UHT heeft bij de bestreden beschikking van 19 januari 2023 met kenmerk UHT-DCH aan belanghebbende medegedeeld dat zij recht heeft op € 25.639 aan compensatie voor het jaar 2011 en geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2012 en 2013. UHT heeft bij deze beschikking tevens medegedeeld dat haar geen forfaitair bedrag van € 30.000 ingevolge de Catshuisregeling wordt uitgekeerd omdat er voor haar en haar partner een bedrag aan compensatie wordt uitbetaald dat hoger is dan € 30.000.
  • UHT heeft bij de bestreden beschikking van 25 januari 2023 met kenmerk UHT-O OGS B over toeslagjaar 2013 een O/GS tegemoetkoming ad € 1.654 toegekend (30% van € 5.513).
  • Gemachtigde heeft bij brief van 1 maart 2023, ingekomen op 2 maart 2023, tegen beide beschikkingen een afzonderlijk bezwaarschrift ingediend namens belanghebbende en haar toeslagpartner.
  • Gemachtigde heeft de bezwaarschriften bij brief van 28 september 2023 aangevuld.
  • UHT heeft op 4 december 2023 schriftelijk gereageerd op de bezwaarschriften.
  • Op 18 september 2024 heeft huidige gemachtigde zich gesteld als gemachtigde van belanghebbende in de plaats van gemachtigde destijds.
  • Op 24 oktober 2024 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter dit advies is gevoegd.
  • Op 12 november 2024 heeft UHT een aanvullende schriftelijke beschouwing ingediend bij de Commissie.
  • Op 13 november heeft de Commissie gemachtigde verzocht om uiterlijk 21 november 2024 op de aanvullende beschouwing van UHT te reageren. Gemachtigde heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.
  • Op 12 december 2024 heeft de Commissie gemachtigde en UHT bericht over te zullen gaan tot advisering en gemachtigde laten weten dat er tot 13 december 2024 gelegenheid is voor het geven van een reactie.
  • Op 13 december 2024 heeft de Commissie gemachtigde een laatste herinnering gestuurd, waarop geen reactie is gekomen.
  • De Commissie, bestaande uit de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid, heeft het bezwaar van belanghebbende behandeld en het hierna volgende advies uitgebracht.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat de bezwaarschriften ontvankelijk zijn.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Bezwaar tegen UHT-DCH

Juistheid compensatieberekening 2007-2013

Belanghebbende stelt dat (i) de compensatieberekening over de jaren 2009 tot en met 2011 onjuist is, (ii) dat de door haar geleden (materiële) schade in die jaren niet volledig wordt vergoed, en (iii) dat ook de immateriële schadevergoeding te laag is vastgesteld.

In de aanvullende gronden van het bezwaar heeft gemachtigde gesteld dat belanghebbende ook kinderopvang heeft genoten in 2007 en 2008 en dat uit het dossier niet blijkt of over die jaren enige KOT is teruggevorderd.

Verder is belanghebbende van mening dat haar ten onrechte compensatie over de jaren 2012 en 2013 is onthouden.

Beoordeling Commissie

2007 en 2008

De Commissie is van oordeel dat UHT in de schriftelijke beschouwing van 4 december 2023 voldoende heeft toegelicht dat uit de systemen blijkt dat belanghebbende voor de jaren 2007 en 2008 geen KOT heeft aangevraagd.

2009 en 2010

Ook blijkt dat belanghebbende over de jaren 2009 en 2010 geen herbeoordeling heeft aangevraagd, omdat de toeslagpartner voor deze jaren KOT heeft aangevraagd. Deze jaren zijn in de integrale herbeoordeling op verzoek van de toeslagpartner verwerkt.

UHT behandelt in de schriftelijke beschouwing van de bezwaren van belanghebbende alleen de jaren waarvoor belanghebbende zelf KOT heeft aangevraagd en waarvan zij een herbeoordeling heeft aangevraagd.

De Commissie merkt op dat in het beoordelingsformulier (productie 2 bezwaardossier) is vermeld dat de PZB-er samen met belanghebbende het verzoek tot herbeoordeling heeft aangepast: “Ouder heeft alleen in 2011 tot en met 2013 KOT aangevraagd. Deze jaren her-beoordelen. Partner heeft 2007 tot en met 2010 KOT aangevraagd. (Partner heeft aanvraag voor 2011 gedaan maar direct stopgezet, omdat ouder dat al had gedaan).”.

De Commissie is daardoor genoodzaakt haar advies te beperken tot de jaren waarvoor belanghebbende de KOT heeft aangevraagd en die bij de herbeoordeling zijn betrokken. De jaren 2007, 2008, 2009 en 2010 blijven derhalve in dit advies buiten beschouwing.

2011

UHT heeft in haar beoordeling het verloop van KOT in 2011 toegelicht.

Op 28 augustus 2011 vraagt ouder KOT aan. Dit is bevestigd in de beschikking van 14 september 2011. Op 25 januari 2013 stuurt B/T een verzoek om informatie. Op 16 mei 2013 is de KOT op nihil gesteld vanwege het uitblijven van een reactie op het verzoek om informatie. Ouder heeft geen bezwaar gemaakt tegen de nihilstelling. Ouder werkt in 2011 en ontvangt een Ziektewetuitkering. De toeslagpartner werkt in 2011. Er zijn geen bewijsstukken of gegevens uit KOI-viewer waaruit van kinderopvang in dat jaar blijkt.

De verzoeken om informatie zijn echter niet bewaard gebleven in de systemen van de B/T. UHT kan daarom niet vaststellen of B/T een informatie uitvraag heeft gedaan voorafgaand aan de nihil stelling en evenmin dat de ouder van tevoren voldoende in de gelegenheid is gesteld om zich tegen de terugvordering te verweren. UHT concludeert daarom dat B/T vooringenomen heeft gehandeld en kent over 2011 compensatie toe.

UHT heeft de juistheid van de compensatieberekening over toeslagjaar 2011 per onderdeel onderzocht en in de schriftelijke beschouwing onderbouwd dat het bedrag aan schadevergoeding correct is vastgesteld. Daarnaast heeft zij de berekening van de immateriële schadevergoeding op begrijpelijke en navolgbare wijze toegelicht.

Gemachtigde heeft ter zitting verklaard akkoord te zijn met de herbeoordeling van 2011 door UHT.

De Commissie constateert ten overvloede nog dat uit de LIC overzichten in het dossier blijkt dat tot de terugvordering over 2011 in mei 2013 is besloten. B/T was echter toen al van mening dat terugvorderen in deze specifieke situatie niet passend was. Dit blijkt uit de melding tot aanhouding van terugvorderingsmaatregelen: “18-11-2013 Oninbaar geleden Niet verder bemoeilijken”. Van feitelijke terugvordering van KOT over 2011 is derhalve geen sprake geweest.

De Commissie stelt vast dat belanghebbende akkoord is met de beoordeling van toeslagjaar 2011 door UHT. Het bezwaar wordt op dit onderdeel derhalve als ingetrokken beschouwd.

2012 en 2013

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie op basis van vooringenomenheid of hardheid af te wijzen voor de jaren 2012 en 2013.

2012

Belanghebbende stelt dat zij (het hele jaar) en haar toeslagpartner (tot oktober 2012) wel degelijk in 2012 hebben gewerkt en kinderopvang hebben genoten.

In het beoordelingsformulier stelt UHT daarover het volgende.

Ouder verklaart het gehele jaar gewerkt te hebben. Echter is dit niet aannemelijk, gezien in een notitie in het systeem van 28 mei 2015 staat dat de ouder 3 uren gewerkt heeft over het gehele jaar. Deze informatie komt uit een betrouwbaar systeem op basis waarvan B/T af mag gaan. De ouder heeft de rest van het jaar geen uitkering ontvangen of andere inkomsten gehad. Toeslagpartner heeft een WW-uitkering ontvangen. Vanaf 2012 is de wet- en regelgeving dat het jaarrecht wordt vastgesteld bij twee werkende partners op basis van de partner die de minste uren heeft gewerkt. In dit geval heeft de ouder te weinig gewerkt om het recht op KOT aannemelijk te kunnen maken. Er is sprake van evident geen recht over het gehele jaar.”

UHT is dan ook tot de conclusie gekomen dat belanghebbende geen doelgroeper is en geen recht heeft op compensatie. Belanghebbende had immers geen recht op KOT in 2012.

De Commissie overweegt dat UHT naar aanleiding van het verhandelde ter zitting een uitdraai heeft overgelegd van het systeem fiscale loongegevens (“FLG”). Daaruit blijkt niet dat belanghebbende heeft gewerkt in 2012. Daarbij overweegt de Commissie dat de twee jongste kinderen van belanghebbende (beiden geboren op 9 oktober 2000) in 2012 naar de middelbare school zouden (kunnen) gaan vanwege het bereiken van de 12 jarige leeftijd. De vraag rijst waarom belanghebbende in dat jaar 150 uur per week per kind van een gastouder zou afnemen, terwijl de toeslagpartner een uitkering ontvangt en er conform de destijds geldende wetgeving geen recht zou bestaan op KOT (vanwege het vereiste van twee werkende ouders).

Tijdens het bezwaar zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die leiden tot de conclusie dat belanghebbende in 2012 wel recht had op KOT. De Commissie is tevens van oordeel dat UHT en B/T zich hierbij mogen baseren op het systeem Fiscale Loongegevens (FLG), omdat dit systeem een essentieel element is voor de heffing van belastingen. Omdat sprake is van evident geen recht op KOT in 2012, komt belanghebbende met betrekking tot dat jaar geen compensatie toe.

De Commissie adviseert UHT het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

2013

Voor het jaar 2013 heeft belanghebbende een O/GS tegemoetkoming ontvangen. Voor dit jaar is geen compensatie op grond van vooringenomenheid of hardheid toegekend. Belanghebbende stelt dat zij begin 2013 ernstig ziek is geworden als gevolg van het handelen van B/T. Belanghebbende stelt verder dat zij het hele jaar kinderopvang heeft genoten en dat geen waarde moet worden gehecht aan haar verklaring van 20 april 2015 dat zij in 2013 geen opvang heeft genoten.

UHT stelt dat belanghebbende niet heeft gewerkt in 2013. Naar aanleiding van telefonisch contact met B/T, waarin belanghebbende heeft aangegeven in 2013 niet te hebben gewerkt, heeft belanghebbende de KOT op 13 augustus 2013 stop gezet per 1 augustus 2013. Op 21 september 2013 is de stopzetting bevestigd in een beschikking. Op 11 september 2014 heeft B/T navraag gedaan bij GOB X en bleken de kinderen bij die kinderopvanginstelling onbekend te zijn. Op 6 oktober 2014 en

13 april 2015 heeft B/T aan belanghebbende een verzoek om informatie gestuurd. Op 20 april 2015 stuurt belanghebbende vervolgens een door haar ondertekend formulier waarin zij verklaart dat zij in 2013 geen opvang heeft afgenomen. Zij schrijft: “Ik heb in 2013 geen kinderopvang toeslag aangevraagd en ook niet ontvangen. Van daar kan ik geen bewijs opsturen”.

Alhoewel belanghebbende later verklaart zich niet te kunnen herkennen in de informatie van deze brief acht B/T het aannemelijk dat er vanaf 1 januari 2013 geen kinderopvang is afgenomen. Op 13 mei 2016 en 10 juni 2016 volgt daarom een nihilstelling. UHT concludeert dat dit een reguliere aanpassing betreft van B/T op basis van de door belanghebbende doorgegeven wijziging van 20 april 2015.

De Commissie overweegt dat om recht te hebben op KOT een aanvrager in de betreffende periode gewerkt moet hebben én opvang moet hebben afgenomen. Uit de gegevens van UHT en het dossier blijkt echter niet dat belanghebbende in 2013 heeft gewerkt en evenmin dat zij opvang heeft afgenomen. Belanghebbende heeft in 2015 op schrift verklaard geen opvang te hebben afgenomen. Naar het oordeel van de Commissie heeft UHT dan ook op goede gronden als uitgangspunt genomen dat belanghebbende over 2013 geen recht heeft gehad op KOT. Tijdens het bezwaar heeft belanghebbende geen feiten aannemelijk gemaakt die tot een andersluidende conclusie kunnen leiden.

Met betrekking tot de stelling dat belanghebbende begin 2013 ziek is geworden door het handelen van B/T, overweegt de Commissie dat uit het dossier blijkt dat belanghebbende al in 2011 een ziektewetuitkering ontving. Ook blijkt uit het dossier dat B/T pas in mei 2013 is begonnen met terugvordering van KOT over 2011.

Nu belanghebbende over 2013 geen recht had op KOT concludeert de Commissie dat voor dit jaar geen sprake is van recht op compensatie vanwege vooringenomenheid van B/T of hardheid van het stelsel.

De Commissie adviseert UHT het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

Bezwaar UHT-O OGS B over 2013

Belanghebbende stelt dat het over het jaar 2013 toegekende bedrag aan O/GS ad €1.654 (30% van € 5.513) te laag is vastgesteld omdat het bedrag van de terugvordering hoger is dan € 5.513.

Een duidelijk antwoord van UHT op de stelling van belanghebbende ontbreekt. De Commissie leidt uit het dossier en het daarin opgenomen overzicht van het Landelijk Incassocentrum (“LIC” overzicht) over 2013 het volgende af.

Over 2013 heeft belanghebbende op 28 december 2012 een voorschot beschikking ontvangen van € 16.326 voor heel jaar 2013. UHT heeft onweersproken gesteld dat belanghebbende - naar aanleiding van telefonisch contact met B/T, waarin zij volgens UHT heeft verklaard niet te hebben gewerkt in 2013 - op 13 augustus 2013 de KOT heeft stop gezet per 1 augustus 2013. Volgens het LIC overzicht werd het voorschot daarom verminderd met € 6.803 tot € 9.524. Van het - nog niet uitgekeerde - bedrag ad. € 6.803 werd het maandbedrag van september 2013 ad € 1.290 middels beschikking t.30.0131 van 21 september 2013 meteen afgeboekt op het voorschot KOT 2013. De resterende afboeking voor de maanden oktober, november en december 2013 bedroeg daarmee € 5513 (€ 6.803 -/- € 1.290).

Op 11 september 2014 heeft B/T navraag gedaan bij GOB X en bleken de kinderen bij die kinderopvanginstelling onbekend te zijn. Op 6 oktober 2014 en 13 april 2015 heeft B/T aan belanghebbende een verzoek om informatie gestuurd. Op 18 november 2013 heeft B/T de notitie “oninbaar geleden” en “niet verder bemoeilijken” gemaakt.

Daarna verzoekt B/T in 2015 nadere informatie aan belanghebbende. B/T ontvangt vervolgens op 13 mei 2015 het door belanghebbende op 20 april 2015 ondertekende antwoordformulier. In dat formulier, dat door haar is ondertekend, verklaart belanghebbende dat zij in 2013 geen opvang heeft afgenomen. Zij schrijft: “Ik heb in 2013 geen kinderopvang toeslag aangevraagd en ook niet ontvangen. Van daar kan ik geen bewijs opsturen”.

Op 13 mei 2016 bericht B/T dat de KOT 2013 op nihil wordt gesteld en dat belanghebbende € 10.235 moet terugbetalen (productie 14). De Commissie vermoedt dat dit bedrag bestaat uit € 9.524 hoofdsom + € 711 heffingsrente (zie SAS overzicht).

In september en oktober 2018 maakt B/T de melding “oninbaar geleden” en “administratief verwijderd” met vermelding van “WSNP”.

Uit de beschikking blijkt dat UHT uitgaat van een onterechte O/GS kwalificatie voor toeslagjaar 2013. In het invulformulier wordt voor 2013 het bedrag van € 5.513 als uitgangspunt genomen. Op 13 mei 2016 bericht B/T belanghebbende echter dat zij € 10.235 moet terugbetalen.

De Commissie constateert dat UHT in de schriftelijke beschouwingen niet heeft gereageerd op vragen van de Commissie op dit punt. Ook op vragen van gemachtigde over de O/GS berekening 2013 ter zitting heeft UHT niet geantwoord.

De Commissie overweegt echter ook, met verwijzing naar bovenstaande feiten over 2013, dat het niet aannemelijk is geworden dat ouder werkte in 2013. Belanghebbende voldeed daarom niet aan de criteria om KOT te ontvangen. Belanghebbende heeft bovendien zelf verklaard geen opvang te hebben afgenomen over 2013. De kinderen hadden de schoolgaande leeftijd in 2013. Ook bleken de kinderen niet bekend bij de opvanginstelling. Voormelde feitencomplex kwalificeert in beginsel als een ernstige onregelmatigheid in de zin van artikel 2.1 lid 2 Wht (zie ook de memorie van toelichting bij de Wht). De vraag die rijst, is of deze omstandigheid aan de aanvrager te wijten was. De Commissie weegt in dat verband mee dat UHT voldoende heeft aangetoond dat belanghebbende in 2012 ook geen recht had op KOT, en zij daarmee voldoende mogelijkheid zou moeten hebben gehad om te voorkomen dat zij ook in 2013 onterecht KOT zou ontvangen.

De Commissie ziet in het dossier enige aanknopingspunten op basis waarvan zij kan begrijpen dat de B/T destijds vanwege de persoonlijke situatie van belanghebbende heeft besloten voor de kwalificatie “niet verder bemoeilijken”.

Volgens de Wht en de toelichting daarbij van de wetgever, is het niet de bedoeling dat belanghebbende onder deze omstandigheden in aanmerking komt voor een herstelregeling. Dat betekent naar het oordeel van de Commissie dat UHT belanghebbende ten onrechte een O/GS tegemoetkoming lijkt te hebben toegekend. Belanghebbende heeft daardoor niet te weinig, maar juist teveel ontvangen.

Bij gebreke van de gevraagde motivering van de O/GS berekening door UHT, adviseert de Commissie UHT om het bezwaar gegrond te verklaren ten aanzien van de motivering van de beschikking O/GS, en de O/GS beschikking opnieuw te beoordelen en te motiveren.

De Commissie adviseert UHT om de bedoeling van artikel 2.1 Wht en voormelde feiten en omstandigheden, en het reformatio in peius beginsel, mee te nemen in de heroverweging. Gelet op het reformatio in peius beginsel mag een belanghebbende tijdens bezwaar (in beginsel) niet in een nadeliger positie terechtkomen.

Proceskostenvergoeding

Omdat sprake is van een ongegrond bezwaar (UHT DCH) en een - vanwege de motivering – deels gegrond bezwaar (UHT-O OGS B) wat naar het oordeel van de Commissie echter niet kan leiden tot een opwaartse aanpassing van de bestreden beschikking, adviseert de Commissie UHT geen proceskostenvergoeding toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie UHT om

  • het bezwaar tegen de beschikking met kenmerk UHT DCH ongegrond te verklaren,
  • het bezwaar tegen de beschikking met kenmerk UHT-O OGS B deels gegrond te verklaren en de O/GS beschikking opnieuw te motiveren in de beslissing op bezwaar,
  • het verzoek op een proceskosten vergoeding af te wijzen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter