BAC 2023-14412
Publicatiedatum 11-02-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 17 juli 2023 (UHT-DCHA)
Hoorzitting: 4 september 2024
Overdracht advies aan UHT: 17 september 2024
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2010 tot en met 2012.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 11 januari 2022 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2010 tot en met 2017. In overleg met belanghebbende zijn de jaren 2010 tot en met 2012 herbeoordeeld.
- UHT heeft bij beschikking van 8 juli 2022 aan belanghebbende meegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000,-.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 29 juni 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
- UHT heeft bij bestreden beschikking aan belanghebbende meegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2010 tot en met 2012.
- Gemachtigde heeft bij brief van 11 juli 2023 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- Gemachtigde heeft bij brief van 5 februari 2024 het bezwaarschrift aangevuld.
- UHT heeft bij beschouwing gedateerd 20 maart 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 4 september 2024 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.
Dossier
De Commissie stelt vast dat de beschouwing van UHT en de op de zaak betrekking hebbende stukken, inclusief de ‘Overzichten (uit)betalingen en/of verrekeningen Toeslagen’ van het Landelijk Incasso Centrum (de LIC-overzichten) op 20 juni 2024 aan gemachtigde zijn toegezonden. Daarmee is tegemoet gekomen aan het verzoek van gemachtigde om deze overzichten.
Toeslagjaar 2011; verlaging voorschot KOT van € 23.028,- naar € 10.467,-
Op de hoorzitting heeft gemachtigde namens belanghebbende verzocht om duidelijkheid ten aanzien van de verlaging van haar voorschot KOT van € 23.028,- naar € 10.467,-, waardoor zij een bedrag van ruim € 12.000,- heeft moeten terugbetalen. Dit heeft voor haar tot grote problemen geleid.
De Commissie stelt vast dat over toeslagjaar 2011 de KOT bij voorschotbeschikking van 4 december 2010 is vastgesteld op een bedrag van €10.675,-. Vervolgens is de KOT bij voorschotbeschikking van 26 maart 2011 opwaarts bijgesteld naar € 23.028,- op grond van de door belanghebbende doorgegeven wijziging op 1 maart 2011 van 23 naar 115 uur opvang per maand voor haar twee oudste kinderen.
Bij wijziging van 14 maart 2011 heeft belanghebbende het aantal opvanguren weer naar 23 per maand bijgesteld. Dit heeft geleid tot de voorschotbeschikking van 30 maart 2011, dus 4 dagen later, waarin het voorschot KOT neerwaarts is bijgesteld naar € 10.467,-.
De Commissie kan zich voorstellen dat belanghebbende is geschrokken van de beschikking van 30 maart 2011, waarin het voorschot met € 12.561,- naar beneden werd bijgesteld. De Commissie kan zich ook voorstellen dat deze bijstelling bij belanghebbende heeft geleid tot het gevoel dat zij dit bedrag heeft moeten terugbetalen. Uit het dossier, met name het LIC-overzicht ten aanzien van 2011 (productie 28) blijkt echter dat de verlaging met € 12.561,- niet heeft geleid tot een daadwerkelijke terugbetalingsverplichting. Het bedrag is in 2 delen afgeboekt op de eerder toegekende, maar deels nog niet uitbetaalde, KOT 2011 die door B/T rechtstreeks werd overgemaakt aan het kinderdagverblijf. Uit de rechterkolom van het LIC-overzicht blijkt ook niet van enige terugbetalingen door belanghebbende.
Wellicht zou sprake kunnen zijn van een terugbetalingsverplichting ten aanzien van andersoortige toeslagen. Dit zou kunnen verklaren wat belanghebbende in haar ouderverhaal heeft verteld; dat zij veel geld terug moest betalen, dat ze daartegen bezwaar heeft aangetekend en ook een aantal keer persoonlijk naar het Belastingkantoor is geweest om hulp en uitleg te vragen. De Commissie heeft echter geen zicht op andere toeslagen en kan hierover daarom geen uitsluitsel bieden.
Reguliere wijzigingen
De Commissie overweegt dat, gelet op een en ander, niet aannemelijk is geworden dat bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van KOT voor toeslagjaren 2010 tot en met 2012 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door de B/T dan wel hardheid van het stelsel.
Over 2010 is geen sprake geweest van een neerwaartse bijstelling of terugvordering van KOT. De KOT is oorspronkelijk vastgesteld op € 2.900,- en daarna verhoogd naar € 3.795,- omdat belanghebbende voor haar jongste kind per 16 september 2010 meer opvanguren afnam (van 69 naar 115 uur).
De KOT over toeslagjaar 2011 is na een verhoging van € 10.675,- naar € 23.028,- weer verlaagd naar € 10.467,- en later naar € 9.989,- op grond van door belanghebbende doorgegeven wijzigingen in het aantal opvanguren. Uiteindelijk is de KOT definitief vastgesteld op € 10.138,- omdat het toetsingsinkomen was gedaald.
De terugvordering KOT over toeslagjaar 2012 was gelegen in de stopzetting van de KOT per 1 januari 2012 door belanghebbende.
Dit betreft reguliere wijzigingen. Deze bijstellingen zijn conform de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hier ten aanzien van belanghebbende anders over te oordelen. Ten aanzien van de situatie ‘KOT naar KOI’ legt de Commissie dat hieronder uit.
Verder is er ook geen sprake geweest van een onterechte kwalificatie O/GS, hetgeen blijkt uit productie 25, zodat ook hierop geen aanspraak kan worden gemaakt. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
KOT naar KOI
Volgens gemachtigde is in de jaren 2011 en 2012 sprake van hardheid van het stelsel, omdat de KOT rechtstreeks aan de kinderopvanginstelling is betaald, terwijl vervolgens bedragen van belanghebbende zijn teruggevorderd. De Commissie overweegt hierover als volgt.
Wanneer de KOT rechtstreeks is uitbetaald aan de kinderopvanginstelling maar bij de ouder wordt teruggevorderd omdat het recht op KOT lager bleek te zijn, kan volgens vaste uitvoeringspraktijk - zoals opgenomen in het Handboek Integrale Beoordeling Vaktechniek van UHT - sprake zijn van een bijzondere omstandigheid die aanleiding geeft tot recht op compensatie vanwege hardheid.
Voor het bestaan van een bijzondere omstandigheid is, volgens die praktijk, in de eerste plaats vereist dat bij de ouder een bedrag van tenminste € 1.500,- is teruggevorderd.
Verder moet ook duidelijk zijn dat een bedrag van tenminste € 1.500,- teveel is uitbetaald aan de kinderopvanginstelling en niet ten goede aan belanghebbende is gekomen.
De Commissie heeft in de Wht geen aanknopingspunten gevonden die zouden moeten leiden tot de opvatting dat deze praktijk zich niet met die wet zou verdragen of anderszins in strijd zou komen met een wet in formele zin of een rechtsregel van hogere orde. Evenmin acht de Commissie plaats voor de opvatting dat deze praktijk een toets aan het evenredigheidsbeginsel niet zou kunnen doorstaan.
De Commissie volgt UHT in het standpunt dat in dit geval, toepassing gevend aan deze praktijk, geen aanspraak bestaat op compensatie vanwege hardheid van het stelsel. UHT heeft de berekening voor de jaren 2011 en 2012 nader toegelicht. Voor 2011 geldt dat de aan de kinderopvanginstelling uitbetaalde KOT over het hele jaar van € 10.142,- niet hoger is geweest dan de kosten van kinderopvang van € 11.192,-. Het hele bedrag is dus ten goede gekomen aan belanghebbende. Voor 2012 is aannemelijk geworden dat het bedrag dat teveel is uitgekeerd aan de kinderopvanginstelling en niet aan belanghebbende ten goede kwam, lager was dan € 1.500,-, dit betrof namelijk een bedrag van € 618,-.
Dit leidt tot de conclusie dat niet is voldaan aan de hiervoor omschreven, door UHT gehanteerde, vereisten om voor toekenning van compensatie wegens hardheid van het stelsel in aanmerking te komen.
De Commissie heeft in de stukken en in het verhandelde ter zitting ook geen aanleiding kunnen vinden om de opvatting te huldigen dat UHT ten gunste van belanghebbende van deze praktijk had moeten afwijken. Het door belanghebbende op dit punt geformuleerde bezwaar treft geen doel.
Proceskostenvergoeding
Nu de Commissie niet adviseert het primaire besluit te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter