BAC 2022-07283
Publicatiedatum 11-02-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 19 april 2022 met kenmerk UHT-DC I
Ontvangst bezwaarschrift: 19 mei 2022
Hoorzitting: 6 maart 2024
Overdracht advies aan UHT: 20 juni 2024
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen (hierna: de Commissie) adviseert UHT om de beschikking van 19 april 2022 met kenmerk UHT-DC I te herroepen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen beschikking van 19 april 2022 met kenmerk UHT-DC I (hierna: de bestreden beschikking).
Aan belanghebbende is compensatie toegekend omdat naar het oordeel van UHT over de jaren 2010, 2012 en 2013 sprake is geweest van vooringenomen handelen.
Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen, hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.6 en 9.2 Wht moeten de bestreden beschikkingen geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 24 juni 2022 verzocht om een herbeoordeling van de KOT over de jaren 2012 en 2013. In overleg met belanghebbende heeft UHT ook het jaar 2010 herbeoordeeld.
- Bij de bestreden beschikking heeft UHT een compensatiebedrag ad € 67.477,-vastgesteld.
- Bij brief, ontvangen op 19 mei 2022 heeft belanghebbende een bezwaarschrift tegen de bestreden beschikking ingediend.
- UHT heeft op 17 november 2023 een schriftelijke reactie ingediend op de bezwaren van belanghebbende en een dossier (productie 1 - 52) overgelegd.
- Bij e-mail, ontvangen op 27 februari 2024, heeft belanghebbende aanvullende gronden ingediend.
- Op 6 maart 2024 heeft de Commissie een hoorzitting gehouden in aanwezigheid van partijen. Het verslag van deze hoorzitting is gevoegd bij dit advies.
- Op 25 maart 2024 heeft UHT een nadere schriftelijke reactie ingediend met producties 53-56.
- Bij e-mail, ontvangen op 7 april 2024, heeft belanghebbende nader gereageerd.
- Op 25 april 2024 heeft UHT producties 40 – 46 overgelegd.
- Bij e-mail, ontvangen op 16 mei 2024, heeft belanghebbende nader gereageerd.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Volledig dossier
Belanghebbende voert aan dat zij niet alle bezwaargronden kan aanvoeren omdat de LIC-overzichten ontbreken. De Commissie stelt vast dat belanghebbende na het indienen van het bezwaarschrift het dossier van UHT heeft ontvangen. De betaal- en verrekenoverzichten voor 2010, 2012 en 2013 maken hiervan onderdeel uit. In bezwaar is het volledige dossier overgelegd.
Berekeningsjaar 2010
Belanghebbende is gecompenseerd voor toeslagjaar 2010. Zij voert aan dat een eerdere beschikking als uitgangspunt genomen dient te worden voor de compensatieberekening omdat zij de KOT voor 2010 niet heeft stopgezet en dat dit ook niet in de rede lag. Ten onrechte heeft B/T geen KOT toegekend voor de tweede helft van 2010. UHT stelt dat de eerste neerwaartse correctie van KOT van € 10.729,- (productie 13) naar € 4.577,-(beschikking 27 juli 2010, productie 14) verband houdt met een telefonische stopzetting KOT namens belanghebbende per 1 juli 2010 (productie 5, pagina 22 dossier en productie 55). De Commissie overweegt dat het handelen door B/T het gevolg is geweest van een kennelijke reguliere wijziging (stopzetting van KOT door belanghebbende). Uit de stukken wordt niet aannemelijk dat in dat verband sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid.
Na het bezwaar door belanghebbende (productie 20) heeft B/T alsnog KOT toegekend voor de periode 16 februari 2010 – 31 december 2010 (productie 22 en SAS-overzicht productie 44). De Commissie acht het standpunt van UHT navolgbaar.
UHT voert aan dat de tweede neerwaartse correctie van KOT van € 4.577,- tot nihil (beschikking 3 mei 2012, productie 15) verband houdt met institutioneel vooringenomen handelen (productie 18, dossier pagina 74 ’2012-04-18 nihilbeschikt ivm non-respons, toezichtactie KOT 2010’ en productie 19 stopbrief 3 februari 2012). In haar aanvullende beschouwing van 25 april 2024 (abusievelijk gedateerd op 28 februari 2024) heeft UHT een nadere toelichting verstrekt op de totstandkoming van componenten a tot en met f voor berekeningsjaar 2010.
De Commissie overweegt als volgt. Uit de aan haar verstrekte stukken volgt dat de tweede neerwaartse correctie tot nihil verband houdt met het niet reageren door belanghebbende op een informatieverzoek. Dit merkt UHT aan als institutioneel vooringenomen handelen. Om deze reden heeft UHT het bedrag ad € 4.577,- tot uitgangspunt genomen voor toekenning van compensatie voor het jaar 2010. De Commissie acht het standpunt van UHT navolgbaar.
Component o van de compensatieberekening 2010
Belanghebbende voert aan dat de rentevergoeding gemiste KOT niet juist is vastgesteld. UHT deelt deze mening en past de compensatieberekening aan. De Commissie acht dit standpunt navolgbaar.
Berekeningsjaar 2011
Belanghebbende voert aan dat berekeningsjaar 2011 ten onrechte niet is herbeoordeeld. Ook over 2011 is KOT teruggevorderd en is sprake van vooringenomenheid. UHT stelt zich op het standpunt dat belanghebbende voor het jaar 2011 kan verzoeken om herbeoordeling. UHT heeft op de hoorzitting toegezegd dat zij dit jaar opnieuw beoordeelt en ter zake een aparte beschikking aan belanghebbende zal zenden.
Berekeningsjaar 2012
Belanghebbende voert aan dat zij de KOT voor 2012 niet heeft stopgezet en dat er daarom een eerdere beschikking als uitgangspunt genomen dient te worden voor de compensatiebeschikking. Voor zover belanghebbende dit wel heeft gedaan, heeft zij dit nooit beoogd. Volgens belanghebbende heeft B/T de KOT stopgezet omdat sprake was van opzet/ grove schuld. In dit verband had component a van de compensatieberekening vastgesteld behoren te worden op € 26.459,- (voorschotbeschikking KOT d.d. 21 februari 2012, voorafgaande aan de stopzetting KOT, productie 24). Na deze stopzetting is de KOT voorlopig toegekend tot € 14.296,-.
In haar aanvullende beschouwing stelt UHT dat de KOT voorafgaande aan het individuele onderzoek een bedrag ad € 23.717,- betrof (SAS-overzicht 2012, productie 45). Belanghebbende heeft de KOT stopgezet op 11 juni 2012 met ingang van 16 juli 2012 (productie 55). Naar aanleiding van deze stopzetting heeft B/T de KOT aangepast tot € 14.296,- (voorschotbeschikking KOT d.d. 21 juli 2012, productie 25). UHT heeft een vraagbrief ter zake van B/T aan belanghebbende, gedateerd op 11 augustus 2012, niet aangetroffen.
Nadat belanghebbende op 11 augustus 2012 opnieuw KOT heeft aangevraagd met ingang van 20 augustus 2012 (productie 56), is de KOT op 21 september 2012 voorlopig toegekend tot € 23.717,- (productie 26). Hierna heeft B/T op 23 maart 2013 een herinnering aan belanghebbende gestuurd met een verzoek om gegevens (productie 30). Omdat belanghebbende hier niet op gereageerd heeft, heeft B/T de KOT neerwaarts bijgesteld op € 14.296,- (voorschotbeschikking KOT d.d. 12 april 2013, productie 27).
UHT stelt dat niet vaststaat dat belanghebbende de vraagbrief van 11 augustus 2012 heeft ontvangen. In dit verband is sprake geweest van institutioneel vooringenomen handelen en heeft UHT voor component a een bedrag ad €23.717,- opgenomen. De Commissie overweegt dat zij het standpunt van UHT navolgbaar acht. De Commissie ziet geen aanleiding om aan te nemen dat de stopzetting van KOT op 11 juni 2012 met ingang van 16 juli 2012 (productie 55) niet door belanghebbende heeft plaatsgevonden.
Component f van de compensatieberekening 2012
Belanghebbende voert aan dat component f van de compensatieberekening (verschil met laatst vastgestelde beschikking KOT) voor 2012 onjuist is vastgesteld. Volgens belanghebbende zou het bedrag bij dit component het verschil moeten betreffen tussen de laatst vastgestelde beschikking (2 november 2013 ad €14.296,-) en het bedrag bij component b van de compensatieberekening ad €14.296,-. UHT heeft op de hoorzitting aangegeven dat het standpunt van belanghebbende juist is. In de beslissing op bezwaar vermindert UHT dit bedrag tot nihil. In verband hiermee wijzigt UHT ook component o (rentevergoeding over gemiste KOT) en component p (aanvullende vergoeding 1%). De Commissie neemt met instemming kennis van het nadere standpunt van UHT.
Periode vergoeding immateriële schade
UHT stelt ambtshalve dat de oorspronkelijke begin- en einddatum voor de periode van berekening van vergoeding van immateriële schade onjuist vastgesteld zijn. Deze fouten hebben geen invloed op de juiste periode van berekening van vergoeding van immateriële schade in de bestreden beschikking. Op de hoorzitting heeft UHT aangegeven dat zij immateriële schade vergoedt tot aan de datum van de beslissing op bezwaar. De Commissie volgt de toelichting van UHT in haar schriftelijke reactie en neemt ook hier met instemming kennis van het nadere standpunt van UHT.
Zorgvuldigheid en motivering
Belanghebbende voert aan dat UHT in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel heeft gehandeld. De Commissie stelt vast dat in bezwaar een nadere motivering is gegeven en UHT ambtshalve aanpassingen heeft verricht in de compensatiebeschikking.
Proceskostenvergoeding
Nu het bezwaar tegen de bestreden beschikking leidt tot herroeping van de bestreden beschikking, adviseert de Commissie om het verzoek voor vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure toe te wijzen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van twee procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor twee. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.
Conclusie
Gelet op het voorgaande adviseert de Commissie UHT om:
- de beschikking van 19 april 2022 (UHT-DC I) te herroepen;
- component o voor berekeningsjaar 2010 nader vast te stellen op € 1.825,-;
- component f voor berekeningsjaar 2012 nader vast te stellen op nihil;
- alle, ingevolge de Wht, daarmee samenhangende, vergoedingen opnieuw te berekenen met inachtneming van dit advies en daarbij de einddatum van de vergoeding voor immateriële schade en van de desbetreffende vergoedingen vast te stellen op de datum tot aan de dagtekening van de beslissing op bezwaar;
- een proceskostenvergoeding voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten tegen het hoogste tarief, met een wegingsfactor twee;
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter