BAC 2022-06788
Publicatiedatum 11-02-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 31 maart 2022 (UHT DC I)
Hoorzitting: 4 december 2024 om 14:15 uur
Overdracht advies aan UHT: 10 december 2024
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren, de compensatieberekening aan te passen en een proceskostenvergoeding toe te kennen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Compensatieregeling CAF 11 en vergelijkbare (CAF-)zaken van 28 augustus 2020 (Stcrt. 2020, nr. 45904; hierna: Compensatieregeling) compensatie toegekend voor een bedrag van € 58.301,- voor de jaren 2007 tot en met 2011.
Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen, hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.6 en 9.2 Wht moet de bestreden beschikking geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 7 juni 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2007 tot en met 2011.
- UHT heeft bij vooraankondiging van 28 december 2021 aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 57.080,-.
- UHT heeft bij de bestreden beschikking aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 58.301,-.
- Gemachtigde heeft bij brief van 29 april 2022, ingekomen op 2 mei 2022, tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- Gemachtigde heeft bij brieven van 3 december 2023 en 2 december 2024 het bezwaarschrift aangevuld.
- UHT heeft bij beschouwing van 16 april 2024 en aanvullende beschouwing van 3 december 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 4 december 2024 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie op de juiste wijze heeft berekend.
Compensatieberekening
UHT heeft ten aanzien van toeslagjaar 2007 ambtshalve vastgesteld dat het bedrag onder component f (Af: verschil met de laatst vastgestelde beschikking KOT) onjuist is vastgesteld op € 8.021,-; dit had € 7.985,- moeten zijn. Dit wordt in de beschikking op bezwaar aangepast.
De Commissie stelt vast dat dit in het voordeel van belanghebbende is, omdat dit bedrag in mindering wordt gebracht, en neemt hiervan met instemming kennis.
Verder is de rentevergoeding voor gemiste KOT volgens UHT voor alle toeslagjaren onjuist vastgesteld omdat als einddatum 23 maart 2022 is aangehouden. Dit had de datum van de bestreden beschikking, 31 maart 2022, moeten zijn. De juiste bedragen zijn: voor 2007: € 5.915,- (in plaats van € 5.905,-), voor 2008: € 5.158,- (in plaats van € 5.148,-), voor 2009: € 3.599 ,- (in plaats van € 3.591,-), voor 2010: € 1.898,- (in plaats van € 1.894,-) en voor 2011 € 1.681,- (in plaats van € 1.830,-). Dit wordt in de beschikking op bezwaar aangepast, behalve voor toeslagjaar 2011 omdat het juiste bedrag in het nadeel van belanghebbende zou zijn.
Omdat het bezwaar volgens UHT deels gegrond is, wordt de vergoeding voor immateriële schade berekend tot de datum van de beschikking op bezwaar. De aanvullende vergoeding van 1% wordt ook aangepast in het voordeel van belanghebbende.
De Commissie neemt hiervan met instemming kennis en zal dienovereenkomstig adviseren.
Einddatum rentevergoeding voor gemiste KOT
Belanghebbende betoogt dat de einddatum van de rentevergoeding voor gemiste KOT de datum van de beschikking op bezwaar moet zijn.
De Commissie overweegt daarover als volgt.
Op grond van artikel 2.2, aanhef onder g, Wht wordt rente vergoed over het niet uitgekeerde bedrag vanwege het verminderen of niet toekennen van de KOT of het beëindigen van de voorschotverlening van KOT. De rente wordt volgens artikel 2.3, lid 7, Wht berekend over het bedrag aan compensatie voor correctiebesluiten met overeenkomstige toepassing van artikel 27 Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir).
Op grond van artikel 27 Awir wordt de rente enkelvoudig berekend over het tijdvak dat aanvangt op 1 juli van het jaar volgend op het berekeningsjaar en eindigt op de dag van de datum van de beschikking tot toekenning van de tegemoetkoming, tot herziening van de tegemoetkoming of tot herziening van de terugvordering.
UHT is over de einddatum van de berekening van opvatting dat de rentevergoeding voor gemiste KOT voor het betreffende toeslagjaar doorloopt tot de datum van de beslissing op bezwaar als de grondslag voor de compensatie (het bedrag onder c in de berekening) in dat toeslagjaar moet worden aangepast. In andere gevallen blijft de einddatum op de datum van de bestreden beschikking. De Commissie is van oordeel dat deze opvatting van UHT niet op een onjuist juridisch uitgangspunt berust.
Nu UHT is uitgegaan van het juiste bedrag als grondslag voor de berekening, adviseert de Commissie om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Startdatum vergoeding voor immateriële schade
Belanghebbende betoogt dat de vergoeding voor immateriële schade had moeten worden berekend vanaf de voorschotbeschikking van 15 juni 2007 (SAS-overzicht, productie 16), onder verwijzing naar het Informatie- en beoordelingsformulier waarin staat dat voor de compensatieberekening van deze beschikking kan worden uitgegaan.
De Commissie overweegt dat op grond van artikel 2.3, lid 4, Wht de forfaitaire vergoeding voor immateriële schade moet worden berekend vanaf de datum van een eerste beschikking tot het verminderen of niet toekennen van KOT of het beëindigen van voorschotverlening voor KOT die een direct gevolg is van (onder meer) institutionele vooringenomenheid. Dat is in dit geval de beschikking van 9 juni 2009 (productie 12), waarin de KOT neerwaarts is bijgesteld van € 13.650,- naar € 1.695,-. De beschikking van 15 juni 2007 berust niet op vooringenomenheid; de neerwaartse bijstelling is het gevolg van een wijziging van het aantal opvanguren.
UHT hanteert een voor belanghebbenden begunstigend beleid, dat voor de berekening van de vergoeding voor immateriële schade wordt uitgegaan van de datum van de eerste vooringenomen handeling door de Belastingdienst/Toeslagen (B/T). De Commissie stelt vast dat blijkens de uitleg van de berekening bij de bestreden beschikking (pagina 41 van het dossier) als begindatum is gehanteerd 25 mei 2009. Deze datum komt overeen met de behandelstap van 25 mei 2009 in het RKT-overzicht 2007 (pagina 118). De Commissie adviseert UHT als begindatum uit te (blijven) gaan van 25 mei 2009, hetgeen in de aanvullende beschouwing van 3 december 2024 ook is toegezegd.
De opmerking in het Informatie- en beoordelingsformulier dat voor de compensatieberekening van de beschikking van 15 juni 2007 kan worden uitgegaan, ziet op het bedrag onder component a; de toegekende KOT vóór het (vooringenomen) onderzoek. Onder component a staat dit bedrag (€ 13.650,-) ook vermeld.
Vergoeding voor juridische bijstand
Belanghebbende betoogt dat voor de jaren 2007, 2008, 2009 en 2010 ten onrechte geen vergoeding is toegekend voor juridische bijstand. Zij is bij haar bezwaar- en beroepsprocedures ten aanzien van die jaren bijgestaan door advocaat [naam].
De Commissie overweegt dat dit onderdeel van de compensatieberekening een forfaitair bedrag betreft voor de kosten van de door een derde beroepsmatig verleende en aan de belanghebbende in rekening gebrachte rechtsbijstand met betrekking tot een beschikking als bedoeld in artikel 2.2, onderdeel a, van de Wht.
Op de hoorzitting is besproken dat belanghebbende zich zal inspannen om bewijsstukken van de juridische bijstand toe te sturen aan UHT. De behandelend ambtenaar van UHT heeft toegezegd daar in de beschikking op bezwaar rekening mee te houden.
Werkelijke schade
Deze bezwaarschriftprocedure heeft alleen betrekking op de toekenning van de standaard vergoedingen en niet op de vergoeding van de werkelijke schade. Hiervoor is de procedure bij de Commissie Werkelijke Schade (hierna: CWS) bestemd. Indien belanghebbende voor aanvullende compensatie voor werkelijke schade in aanmerking wil komen, dient zij daartoe een verzoek tot vergoeding van de werkelijke schade in te dienen, dat door UHT voor advies wordt voorgelegd aan CWS.
Dit CWS-advies is vervolgens leidend bij het nemen van het besluit met betrekking tot de aanvullende compensatie.
Proceskostenvergoeding
Nu het primaire besluit naar de mening van de Commissie dient te worden herroepen, adviseert de Commissie om het verzoek voor vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure toe te wijzen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van 2 procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren, het bestreden besluit te herroepen en om:
- De compensatieberekening als volgt aan te passen:
- component f voor 2007 aan te passen naar het bedrag van € 7.985,-;
- component o voor 2007 aan te passen naar het bedrag van € 5.915,-, voor 2008 naar € 5.158,-, voor 2009 naar € 3.599,- en voor 2010 naar € 1.898;
- de vergoeding voor immateriële schade te berekenen vanaf 25 mei 2009 tot de datum van de beschikking op bezwaar;
- de aanvullende vergoeding van 1% opnieuw te berekenen.
- een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter