Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2021-01505

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 23 februari 2021 (UHT-DC I), 14 november 2022 (UHT-DC I)

Hoorzittingen: 17 augustus 2022 en 5 maart 2025

Overdracht advies aan UHT: 24 maart 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren, de compensatieberekening aan te passen en een proceskostenvergoeding toe te kennen.

Onderwerp van advies

Het door destijds gemachtigde van belanghebbende, namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag van 23 februari 2021 (UHT-DC I).

Aan belanghebbende is met toepassing van de Compensatieregeling CAF 11 en vergelijkbare (CAF-)zaken van 28 augustus 2020 (Stcrt. 2020, nr. 45904) compensatie toegekend voor een bedrag van € 42.839,- voor de jaren 2009 tot en met 2012.

Met toepassing van de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen, hierna: Wht) is dit bedrag na herbeoordeling van de toeslagjaren 2006 tot en met 2008 vastgesteld op € 67.363,- bij beschikking van 14 november 2022.

Op 5 november 2022 is de Wht in werking getreden. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.6 en 9.2 Wht moeten beide beschikkingen geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.

[naam] is de huidige gemachtigde van belanghebbende.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 10 februari 2020 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT).
  • UHT heeft bij vooraankondiging van 23 december 2020 aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 42.100,- voor de toeslagjaren 2009 tot en met 2012.
  • UHT heeft bij de beschikking van 23 februari 2021 aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 42.839,- voor de jaren 2009 tot en met 2012.
  • Toenmalig gemachtigde heeft bij brief van 26 maart 2021 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend. Dit bezwaarschrift is op 30 juli 2021 aangevuld.
  • UHT heeft op 11 april 2022 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Per e-mailbericht van 10 augustus 2022 heeft [naam] zich gesteld als gemachtigde en op de schriftelijke reactie van UHT gereageerd.
  • Op 17 augustus 2022 heeft een hoorzitting plaatsgevonden met [naam] als voorzitter en [naam] en [naam] als leden van de Commissie. Een verslag hiervan is achter dit advies gevoegd.
  • Per e-mail van 17 augustus 2022 heeft de Commissie de ter zitting gemaakte procesafspraken per e-mail bevestigd, waaronder begrepen dat de zaak met instemming van partijen is aangehouden totdat een compensatiebeschikking over de toeslagjaren 2006 tot en met 2008 is geslagen.
  • Per e-mail van 29 augustus 2022 heeft gemachtigde de procesafspraken aangevuld, in zoverre dat wat haar betreft door UHT ook expliciet uitleg moet worden gegeven over het FIOD-onderzoek. Per e-mail van diezelfde dag heeft UHT toegezegd ook op dit punt te reageren.
  • Op 9 september 2022 heeft UHT een nadere schriftelijke reactie ingediend. Per e-mailbericht van 12 oktober 2022 heeft gemachtigde hierop gereageerd.
  • Bij beschikking van 14 november 2022 heeft UHT ook de jaren 2006 tot en met 2008 betrokken en de compensatie aangevuld tot € 67.363,-. Per e-mail van 19 december 2022 heeft UHT voornoemde beschikking aan gemachtigde en de Commissie verstrekt.
  • Per e-mail van 20 december 2022 heeft gemachtigde te kennen gegeven dat het bezwaar verder kan worden opgepakt.
  • Bij schriftelijke reactie van 22 maart 2023 heeft UHT nader gereageerd met betrekking tot het FIOD-onderzoek, daartoe door de Commissie in de gelegenheid gesteld.
  • Gemachtigde heeft zich op 19 oktober 2023 als gemachtigde gesteld van belanghebbende.
  • Gemachtigde is op 15 februari 2024 in de gelegenheid gesteld om te reageren op de nadere schriftelijke reactie van UHT van 22 maart 2023.
  • Gemachtigde heeft op 27 maart 2024 gereageerd en aanvullende bezwaargronden ten aanzien van de toeslagjaren 2009 tot en met 2012 aangevoerd.
  • UHT heeft bij aanvullende beschouwing van 1 oktober 2024 schriftelijk hierop gereageerd.
  • Gemachtigde heeft op 6 januari 2025 gereageerd en aanvullende bezwaargronden ook ten aanzien van de jaren 2006 tot en met 2008 en 2013 aangevoerd.
  • UHT heeft bij aanvullende beschouwing van 16 januari 2025 schriftelijk hierop gereageerd.
  • Op 5 maart 2025 heeft een tweede hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 10 maart 2025 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft daar op 18 maart 2025 op gereageerd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en de bestreden besluit

Samenloop van beschikkingen

Het besluit van 14 november 2022 kan worden aangemerkt als een nader besluit als bedoeld in artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). De bezwaren die zijn gericht tegen dit besluit hoeven dan ook niet in een afzonderlijke procedure te worden behandeld.

Beslistermijn UHT beslissing op bezwaar

Belanghebbende heeft de Commissie verzocht om advies uit te brengen over de aan UHT op te leggen maatregelen vanwege de termijnoverschrijding bij het nemen van een beslissing op het bezwaar.

Het gevolg van een termijnoverschrijding is dat belanghebbende mogelijk recht heeft op een dwangsom. Hiertoe kan belanghebbende UHT in gebreke stellen en zo nodig in beroep gaan bij de rechter. Deze weg heeft belanghebbende ook bewandeld.

De Commissie heeft geen bevoegdheid hierover een advies uit te brengen, omdat dit buiten het kader van haar bevoegdheden valt als bedoeld in artikel 3 van de Instellingsregeling Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen.

Persoonlijk dossier

Belanghebbende stelt dat zonder het volledige persoonlijke dossier niet kan worden beoordeeld of alle relevante stukken er zijn. De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. De diverse beschouwingen en de onderliggende stukken zijn toegezonden. De Commissie vindt dat met het toezenden van deze stukken is voldaan aan de in artikel 7:4 lid 2 Awb neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Dat kan anders zijn als de belanghebbende een aanknopingspunt geeft waarom het persoonlijk dossier moet worden afgewacht in het kader van een behoorlijke behandeling van haar bezwaar. Dat is niet gebeurd. De enkele stelling dat bij onbekendheid van de stukken in dat dossier het mogelijk is dat er nog relevante informatie ontbreekt, is niet voldoende. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Herbeoordeling toegekende KOT

Belanghebbende betoogt dat het op de weg van de Belastingdienst/Toeslagen (B/T) ligt om de juistheid van de toegekende KOT te beoordelen en als die beoordeling leidt tot de conclusie dat aan belanghebbende in een of meer jaren meer KOT had moeten worden toegekend, de grondslag van de compensatieberekening (component a) aan te passen.

De Commissie overweegt dat de Wht is bedoeld voor het herstel van de gevolgen van vooringenomen handelen, van hardheid of van een onterechte O/GS-kwalificatie en niet ziet op de herziening van definitieve KOT beschikkingen.

Belanghebbende verzoekt om een aanpassing van de hoogte van de KOT zoals deze indertijd voor de diverse toeslagjaren is vastgesteld. Een beoordeling daarvan valt dus buiten de reikwijdte van de Wht. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

HOTHOR

HOTHOR staat voor: hoge toeslag/hoog risico. Het kan zo zijn dat uit de stukken blijkt dat B/T aan een aanvraag van KOT het kenmerk ‘HOTHOR’ heeft toegevoegd. UHT heeft hierover uitgelegd dat dit kenmerk geautomatiseerd werd toegevoegd in situaties waarin sprake was van een laag inkomen en dus recht op een relatief hoog bedrag aan toeslagen. Dit kenmerk had tot gevolg dat een extra handmatige controle plaatsvond.

Het doel van deze extra controles was gelegen in het voorkomen dat ouders met hoge terugvorderingen zouden worden geconfronteerd. Een uitvraag of controle als gevolg van het door B/T gegeven kenmerk HOTHOR maakt wel dat goed moet worden gekeken of sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid, maar houdt dat niet persé in.

Daarvoor is nodig dat er meer aanwijzingen zijn in de stukken.

Voor alle herbeoordeelde jaren heeft UHT overigens (op andere gronden) al vooringenomenheid aangenomen.

Toeslagjaar 2013

Belanghebbende betoogt dat toeslagjaar 2013 ten onrechte niet is betrokken in de herbeoordeling en dat zij ook voor dit jaar in aanmerking zou moeten komen voor compensatie.

De Commissie stelt vast dat er de nodige onduidelijkheid over bestond of dit jaar wel of niet in de herbeoordeling moest worden betrokken. UHT heeft nu toegezegd dat dit jaar alsnog zal worden herbeoordeeld.

De Commissie kan pas een advies uitbrengen over dit jaar als UHT na herbeoordeling ervan een voor bezwaar vatbaar besluit heeft genomen. Als deze herbeoordeling niet leidt tot een voor belanghebbende bevredigend besluit, kan zij tegen die beschikking een bezwaarschrift indienen, waarna de Commissie daarover desgevraagd een advies zal uitbrengen.

Voor alle jaren waarover compensatie is toegekend (2006 tot en met 2012)

Namens belanghebbende is naar voren gebracht dat het haast niet zo kan zijn dat zij niet op de FSV-lijst stond nu zij is verhoord in het kader van het FIOD-onderzoek.

Verder zou standaard een FSV-uittreksel moeten worden verstrekt.

Dat voor geen enkel toeslagjaar een OG/S-kwalificatie zou zijn toegekend is met het ja/nee-overzicht (productie 1300001 van het ouderdossier) niet voldoende onderbouwd.

Verder wijst belanghebbende op de vraag in het Informatie- en beoordelingsformulier of er aanwijzingen zijn dat sprake kan zijn geweest van discriminatie van de ouder bij de behandeling van de kinderopvangtoeslag. Deze is met “Weet ik niet” beantwoord. Dat vindt belanghebbende ontoereikend.

Ook voert belanghebbende aan dat de definitieve beschikkingen, als ze al genomen zijn, steeds buiten de wettelijke termijn van artikel 19 Awir zijn genomen.

De Commissie stelt vast dat UHT erkent dat B/T belanghebbende over alle herbeoordeelde jaren (2006 tot en met 2012) vooringenomen heeft behandeld, en daarvoor heeft UHT compensatie aan belanghebbende toegekend. Voor zover de hiervoor genoemde bezwaargronden erop zijn gericht om vooringenomenheid aan te nemen, is dit dus al gebeurd, en laat de Commissie deze gronden onbesproken.

Ten aanzien van de vermelding op de FSV-lijst wijst de Commissie nog wel op een tegenstrijdigheid in het dossier. Op pagina 46 van het ouderdossier; het Informatie- en beoordelingsformulier met betrekking tot de jaren 2006 tot en met 2008 staat dat belanghebbende wel is vermeld in FSV, maar dat dit niet van invloed is op de beoordeling. Op pagina 657 van het ouderdossier staat op de vraag of belanghebbende op de FSV lijst staat vermeld: “Nee, voor zover ik kan zien kwam deze ouder niet voor in de FSV.” Dit is ook de conclusie op pagina 44 van het ouderdossier.

De Commissie adviseert UHT om belanghebbende hierover duidelijkheid te geven in de beschikking op bezwaar.

De Commissie gaat hieronder in op de vraag of UHT de toegekende compensatie voor de jaren 2006 tot en met 2012 op de juiste wijze heeft berekend.

Compensatieberekening

In de aanvullende beschouwing van 1 oktober 2024 stelt UHT zich op het standpunt dat de startdatum van de vergoeding voor immateriële schade 24 december 2010 (stopbrief ten aanzien van KOT 2009, productie 10) had moeten zijn in plaats van 11 januari 2012. De einddatum had 14 november 2022 moeten zijn in plaats van 7 november 2022.

Omdat het bezwaar gedeeltelijk gegrond wordt verklaard, zal de einddatum van de vergoeding voor immateriële schade doorlopen tot aan de datum van de beslissing op bezwaar.

Verder had de einddatum van de rentevergoeding voor gemiste KOT moeten worden vastgesteld op 14 november 2022 in plaats van op 7 november 2022. Dit wordt in het voordeel van belanghebbende aangepast in de beschikking op bezwaar, met uitzondering van de jaren 2010 en 2012. Voor die jaren vindt voor de extra bedragen aan rentevergoeding voor gemiste KOT (€ 6,- voor 2010 en € 3,- voor 2012) verrekening plaats met de te hoge bedragen onder respectievelijk component g en component a, zoals hieronder weergegeven.

Het bedrag onder a (de KOT voordat deze onterecht naar beneden werd aangepast) voor 2012 had € 3.493,- moeten bedragen (jaaropgave productie 59) in plaats van € 3.654,-. Het is in het voordeel van belanghebbende dat er een hoger bedrag is gehanteerd, dat blijft daarom staan.

Het bedrag onder component f (verschil met de laatst vastgestelde beschikking KOT) voor 2011 is onterecht vastgesteld op € 3.611,- dit zal worden aangepast naar € 0,-, wat in het voordeel van belanghebbende is. Hiermee is tegemoet gekomen aan wat gemachtigde in haar reactie van 18 maart 2025 naar voren brengt over component f ten aanzien van 2011.

Verder is volgens UHT het bedrag onder g (KOT die belanghebbende niet heeft terugbetaald of niet verrekend is) over 2010 onjuist. Dit had € 6.382,- moeten zijn in plaats van € 2.128,- maar dit zou in het nadeel van belanghebbende zijn en wordt niet aangepast.

De Commissie neemt met instemming kennis van de aanpassingen of het nalaten daarvan in het voordeel van belanghebbende en zal in overeenstemming hiermee adviseren.

UHT heeft in de aanvullende beschouwing van 10 maart 2025 toegelicht dat het vermelden van een bedrag van € 0,- in component g in de compensatieberekening bij de beschikking van 23 februari 2021 ten aanzien van 2009, 2010 en 2011 een administratieve fout betreft waardoor belanghebbende niet is benadeeld. De Commissie acht deze uitleg aannemelijk.

In mindering brengen toeslagrente

Belanghebbende betoogt ten aanzien van de toeslagjaren 2006 tot en met 2008 dat de toeslagrente ten onrechte in mindering is gebracht.

De Commissie overweegt dat UHT de door belanghebbende ontvangen rente bij de alsnog toegekende KOT in mindering heeft gebracht. Dit mag op grond van artikel 2.3, lid 7 Wht.

In de aanvullende beschouwing van 10 maart 2025 heeft UHT een nadere uitleg gegeven over de berekening van component f voor toeslagjaar 2007. De Commissie ziet geen aanleiding voor twijfel aan de juistheid van de berekening van de rentebedragen voor dit jaar en voor de toeslagjaren 2006 en 2008. Dat de toeslagrente over 2006 voor een deel niet feitelijk aan belanghebbende is uitbetaald maar via verrekening aan haar ten goede is gekomen, maakt dit niet anders. Dit is een andere vorm van ‘betaling’.

In de reactie van 18 maart 2025 zijn namens belanghebbende diverse vragen gesteld over component f ten aanzien van 2007 en 2008 in relatie tot de LIC-overzichten over die jaren. De Commissie adviseert UHT hierover in de beschikking op bezwaar meer duidelijkheid aan belanghebbende te verschaffen.

De Commissie is van mening dat UHT terecht de eerder toegekende toeslagrente in mindering heeft gebracht op het compensatiebedrag.

Vergoeding juridische hulp

Belanghebbende betoogt dat haar ten onrechte geen vergoeding voor juridische hulp is toegekend voor de bezwaar- en beroepsprocedures die zij heeft gevoerd. De Commissie overweegt dat de vergoeding voor juridische hulp een forfaitair bedrag is voor de kosten van de door een derde beroepsmatig verleende en aan de belanghebbende in rekening gebrachte rechtsbijstand met betrekking tot een beschikking als bedoeld in artikel 2.2, onderdeel a, Wht. Dat bedrag is vastgesteld overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht, met wegingsfactor 2, waarbij wordt aangenomen dat er geen sprake is van samenhangende zaken, verminderd met een reeds toegekende of nog te toe te kennen proceskostenvergoeding. Dit alles volgt uit artikel 2.3, lid 6 Wht.

De Commissie stelt vast dat belanghebbende gelet op de uitspraak van rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht van 21 november 2013, UTR 13/1851, UTR 13/1852, UTR 13/1853 en UTR 13/1854 bij die beroepsprocedures is bijgestaan door een gemachtigde, X. De Commissie adviseert UHT hiervoor een vergoeding toe te kennen voor de jaren 2006 tot en met 2010.

De andere uitspraak waar gemachtigde op de hoorzitting op heeft gewezen bevindt zich in productie 22. Dit betreft ook een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 21 juni 2016, UTR 16/153, waarin de rechtbank zich onbevoegd verklaart. Uit de tekst van de uitspraak of anderszins blijkt niet dat belanghebbende bij deze procedure professionele rechtsbijstand heeft ontvangen. Voor een vergoeding voor juridische hulp voor deze procedure bestaat daarom naar de Commissie meent geen aanleiding.

Belanghebbende heeft verklaard dat zij juridische hulp van diverse advocaten heeft gekregen via het juridisch loket en hiervoor ook kosten heeft gemaakt.

De Commissie stelt ten aanzien van de bezwaarschriften vast dat belanghebbende deze zelf heeft ingediend. Voor de conclusie dat belanghebbende hiervoor beroepsmatig verleende en in rekening gebrachte rechtsbijstand heeft ontvangen die leidt tot een vergoeding volgens het puntensysteem in het Besluit proceskosten bestuursrecht, ziet de Commissie in deze integrale beoordeling onvoldoende aanknopingspunten.

Toeslagjaar 2007

Belanghebbende betoogt ten aanzien van dit jaar dat uit het LIC-overzicht blijkt dat een bedrag van € 1.510,- is “verrekend van” met de KOT 2010. Dit bedrag komt echter niet terug in het LIC-overzicht 2010. Zij begrijpt niet hoe het te ontvangen bedrag van € 11.114,- zich verhoudt met een gelijktijdige verrekening van € 1.510,-.

UHT heeft op de hoorzitting uitgelegd dat het bedrag van € 1.510,- niet is “verrekend van”, maar “verrekend naar” belanghebbende, en dat verrekening heeft plaatsgevonden naar de KOT 2011 in plaats van 2010. De Commissie acht deze uitleg van UHT aannemelijk.

Toeslagjaar 2008

Belanghebbende betoogt dat de definitieve beschikking voor dit toeslagjaar ontbreekt.

De Commissie wijst op het ouderdossier, waarin zich de diverse definitieve en herziene beschikkingen bevinden ten aanzien van toeslagjaar 2008 (producties 1208010, 1208011, 1208012). De laatste beschikking dateert van 8 januari 2014 (productie 1208015), dit betreft een herziene berekening waarbij de KOT definitief op € 9.677,- is vastgesteld. Deze beschikkingen staan ook vermeld in het SAS-overzicht (productie 86). De Commissie acht dit onderdeel van het bezwaar ongegrond.

Toeslagjaar 2009

Belanghebbende betoogt dat het bedrag onder component a van € 9.667,- onjuist is en € 9.739,- had moeten zijn, conform de tijdlijn.

De Commissie stelt vast dat UHT zowel de nihilstelling bij voorschotbeschikking van 20 april 2011 als de nihilstelling bij voorschotbeschikking van 3 februari 2012 als vooringenomen handelen heeft aangemerkt. Als uitgangspunt voor de compensatieberekening is het meest gunstige bedrag voor belanghebbende genomen van € 9.667,-; het bedrag van de voorschotbeschikking van 25 mei 2011 voorafgaand aan de nihilstelling van 3 februari 2012. Dit betreft productie 1209004 van het ouderdossier. Het bedrag onder component a is daarom juist vastgesteld op € 9.667,- aan de hand van de beschikking van 25 mei 2011. Dit is ook het bedrag vermeld in het SAS-overzicht (productie 71). Het bedrag van €9.739,- in de tijdlijn op pagina 291 van het ouderdossier vermeld bij de voorschotbeschikking van 11 december 2008 is abusievelijk opgenomen, dit had €7.973,- moeten zijn. De Commissie acht dit onderdeel van het bezwaar ongegrond.

Betalingen KOT aan derden

In 2009 heeft een betaling van de KOT 2009 plaatsgevonden aan de Kredietbank in plaats van aan belanghebbende. Het gaat om een bedrag van € 665,-. Belanghebbende betoogt dat niet vaststaat dat dit bedrag aan haar ten goede is gekomen en dat het daarom (in haar voordeel) in aftrek moet worden gebracht van het bedrag in component g bij 2009. UHT stelt zich op het standpunt dat de reden van de overboeking naar de Kredietbank niet te achterhalen is maar dat dit bedrag aan belanghebbende ten goede is gekomen.

De Commissie volgt belanghebbende in haar betoog dat niet door UHT aannemelijk is gemaakt dat de overboeking aan de Kredietbank aan belanghebbende ten goede is gekomen. Het bewijsrisico ligt naar de Commissie meent in dit geval bij UHT. Van een dubbele compensatie over het bedrag van €665,- is daarom geen sprake. De Commissie zal UHT adviseren om component g voor 2009 te minderen met een bedrag van € 665,-.

Belanghebbende heeft verder opheldering gevraagd over de uitbetalingen van KOT 2009, 2010 en 2011 op rekeningnummers van derden. UHT heeft navraag gedaan bij de directie Centrale Administratieve Processen (CAP). Uit deze uitvraag blijkt dat rekeningnummer *** toebehoort aan een van de ouders van belanghebbende en rekeningnummer *** toebehoort aan een van haar kinderen. De Commissie ziet geen reden om hieraan te twijfelen.

Anders dan in de situatie met de Kredietbank, zijn deze bedragen naar de Commissie meent wel ten goede gekomen aan belanghebbende.

Voor aanvullende compensatie naar CWS

Deze bezwaarschriftprocedure heeft alleen betrekking op de toekenning van de standaard vergoedingen en niet op de vergoeding van de werkelijke schade. Hiervoor is de procedure bij de Commissie Werkelijke Schade (CWS) bestemd. Gebleken is dat belanghebbende zich al tot CWS heeft gewend.

Belanghebbende heeft ten aanzien van diverse jaren gewezen op de verrekening van aanmanings- en dwangbevelkosten. Dit kan bij CWS worden aangevoerd.

Proceskostenvergoeding

Nu beide primaire besluiten naar de mening van de Commissie moeten worden herroepen, adviseert de Commissie om het verzoek voor vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure toe te wijzen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van 2,5 procespunten (bezwaarschrift, verschijnen hoorzitting en nadere hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en om:

  • de compensatieberekening als volgt aan te passen:
    • Component f (verschil met de laatst vastgestelde beschikking KOT) voor 2011 te bepalen op € 0,- (in plaats van € 3.611,-);
    • een vergoeding voor juridische hulp toe te kennen voor de jaren 2006 tot en met 2010;
    • component g voor 2009 te verminderen met een bedrag van € 665,-;
    • de vergoeding voor immateriële schade te berekenen vanaf 24 december 2010 tot en met de datum van de beslissing op bezwaar;
    • de rente gemiste KOT aan te passen conform de aanvullende beschouwing van 1 oktober 2024;
    • de aanvullende vergoeding van 1% hierop aan te passen;
  • duidelijkheid aan belanghebbende te geven over de vermelding op de FSV-lijst en component f ten aanzien van 2007 en 2008 in relatie tot de LIC-overzichten over die jaren;
  • alsnog een herbeoordeling te doen over het toeslagjaar 2013;
  • een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van 2,5 procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter