BAC 2023-13227
Publicatiedatum 05-02-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 2 maart 2023 (UHT-DCH)
Hoorzitting: 14 april 2025 om 13:00 uur
Overdracht advies aan UHT: 27 juni 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren, de bestreden beschikking te herroepen en in de beslissing op bezwaar aan te passen. Verder adviseert de Commissie het verzoek om een proceskostenvergoeding toe te wijzen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT op 2 maart 2023 genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) met kenmerk UHT-DCH (hierna ook te noemen: de bestreden beschikking).
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 110.014 voor de jaren 2008 tot en met 2010 en 2012 tot en met 2015 en geen compensatie toegekend voor het jaar 2011.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 7 januari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de KOT over de jaren 2012 tot en met 2015. In overstemming met de persoonlijk zaakbehandelaar is het herbeoordelingsverzoek uitgebreid naar de jaren 2008 tot en met 2015.
- UHT heeft bij beschikking van 23 februari 2021 aan belanghebbende meegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 5 december 2022 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft in haar advies geoordeeld dat gedurende het jaar 2011 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
- UHT heeft bij de bestreden beschikking van 2 maart 2023 aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 110.014 voor de jaren 2008 tot en met 2010 en 2012 tot en met 2015. Aan belanghebbende is geen compensatie toegekend voor het jaar 2011.
- Gemachtigde heeft bij brief van 11 april 2023 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 16 oktober 2024 bij beschouwing schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- UHT heeft hierna nog een aantal aanvullende stukken overgelegd. Dit betreffen de overzichten van het Landelijk Incassocentrum (hierna: LIC), renteberekeningen, en XML-berichten en een schermopname van de KOI-viewer met betrekking tot het toeslagjaar 2011.
- Op 14 april 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 28 april 2025 een nadere schriftelijke beschouwing ingediend. Gemachtigde heeft daar op 1 juni 2025 op gereageerd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie voor de jaren 2008 tot en met 2010 en 2012 tot en met 2015 op de juiste wijze heeft berekend en of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor het jaar 2011 af te wijzen.
Motivering van het besluit en volledigheid dossier
Als onderdeel van de beschikking heeft UHT een inhoudelijke motivering en een compensatieberekening opgenomen, waaruit blijkt waarom sprake was van vooringenomenheid, welke beschikkingen voor de compensatieberekening relevant zijn en hoeveel compensatie per component wordt toegekend. De bedragen zijn afkomstig van onder meer de voorschotbeschikkingen, definitieve beschikkingen en wijzigingsmeldingen van de KOT. Voor zover UHT de berekeningen bij het uitbrengen van de bestreden beschikking niet voldoende zou hebben toegelicht, impliceert dat niet dat van een gebrekkige motivering dan wel onzorgvuldigheid sprake is. UHT heeft op verzoek van de Commissie voorafgaand aan de hoorzitting enkele aanvullende stukken overgelegd. De Commissie is van oordeel dat door middel van het indienen van de schriftelijke beschouwing, met daarin een uitgebreide uitleg per component van de compensatieberekening, het verstrekken van de LIC-overzichten en de overige producties, de bestreden beschikking voldoende is onderbouwd. De Commissie adviseert UHT daarom om het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Artikel 6 EVRM, recht op een eerlijk proces
De Commissie is een onafhankelijke bezwaarschriftenadviescommissie in de zin van artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Voor de procedure bij de Commissie gelden de procedurele waarborgen van de Awb. Tegen beslissingen op bezwaar van UHT, zoals volgt op de adviezen van de Commissie, kan een belanghebbende rechtsmiddelen instellen bij de rechter.
Op grond van artikel 7:4 lid 2 Awb en artikel 5.2 leden 3 en 4 van de Wht heeft een belanghebbende voorafgaand aan de hoorzitting bij de Commissie recht op afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken. De schriftelijke beschouwing, met alle van belang zijnde producties, is op 4 maart 2025 aan gemachtigde toegezonden.
Hierdoor hebben gemachtigde en belanghebbende kennis kunnen nemen van de stukken die ten grondslag liggen aan de bestreden beschikking en gelegenheid gehad om daarop te reageren. Uit de stellingname van belanghebbende en UHT volgt niet dat in het aan de Commissie en belanghebbende beschikbaar gestelde bezwaardossier nog specifieke stukken zouden ontbreken die van enig belang zijn geweest van de door UHT genomen beschikking. De Commissie ziet daarom geen aanknopingspunten voor het oordeel dat belanghebbende in haar procesbelang is geschaad en het beginsel van “equality of arms” geschonden zou zijn. Bovendien volgt uit de jurisprudentie dat aan het beginsel ‘equality of arms’ geen rechtstreekse betekenis toekomt voor de bestuurlijke besluitvorming, waaronder de bezwaarprocedure (AbRvS 12 juli 2006, JB 2006/268, AB 2008).
UHT heeft aangegeven aan belanghebbende een persoonlijk dossier te verstrekken. Het verstrekken van het dossier aan belanghebbende heeft geen invloed op deze bezwaarprocedure en staat er dus los van. Dat kan anders zijn als de belanghebbende een duidelijk aanknopingspunt geeft voor een reden waarom het persoonlijk dossier moet worden afgewacht. Dat is hier niet gebeurd. De enkele opmerking dat bij onbekendheid van de stukken in dat dossier het mogelijk is dat er nog relevante informatie ontbreekt, is niet voldoende. Het genomen besluit is naar het oordeel van de Commissie gelet hierop zorgvuldig voorbereid en berust bovendien op een voor de behandeling van het bezwaar volledig dossier. De Commissie adviseert UHT daarom het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Afwijzing compensatie toeslagjaar 2011
Uit de door UHT overlegde stukken volgt dat de KOT in 2011 automatisch is gecontinueerd op basis van de gegevens over 2010. Op 4 december 2010 gaf de Belastingdienst/toeslagen (hierna: B/T) een voorschotbeschikking af. Op 4 februari 2011 gaf belanghebbende een wijziging door, waarbij voor beide kinderen iets minder opvanguren en een hoger uurtarief werden opgegeven. Ook werd het jaarinkomen naar beneden bijgesteld. Naar aanleiding van deze wijziging werd de KOT op 4 maart 2011 verhoogd. Op 10 juni 2011 zette belanghebbende de KOT stop met ingang van 1 juni 2011. Naar aanleiding daarvan werd de KOT opnieuw berekend en op 25 juni 2011 verlaagd. Op 9 oktober 2011 gaf belanghebbende een wijziging door. Met ingang van 10 oktober 2011 werden opvanguren doorgegeven voor het jongste kind. Ook werd het jaarinkomen naar boven bijgesteld. Deze wijzigingen werden op 19 oktober 2011 verwerkt. Naar aanleiding hiervan werd de KOT opnieuw berekend en op 3 november 2011 verhoogd. In tegenstelling tot wat belanghebbende stelt – namelijk dat zij de toeslag niet opnieuw heeft aangevraagd en dat de KOT ambtshalve is opgestart – acht de Commissie het op basis van de beschikbare gegevens aannemelijk dat belanghebbende, of iemand namens haar, de toeslag per 1 oktober 2011 opnieuw had geactiveerd. Op 31 oktober 2012 stuurde belanghebbende een jaaropgave over 2011 in, waaruit per kind het totaal aantal opvanguren over 2011 blijkt. Uit de overgelegde stukken volgt dat beide kinderen van januari tot en met mei naar de kinderopvang zijn geweest. Op 5 februari 2014 stelde B/T, mede op basis van de aangeleverde gegevens, de definitieve beschikking KOT vast. Deze viel lager uit door minder opvanguren en een iets hoger gebleken toetsingskomen. Uit de tijdlijn, het SAS-overzicht, het RKT-overzicht en het LIC-overzicht is af te leiden dat de KOT overeenkomstig de beschikbare gegevens is uitbetaald. Daarnaast komen de gegevens uit de KOI-viewer overeen met de door belanghebbende ingestuurde jaaropgave. Er zijn geen concrete aanwijzingen dat de kinderen ook nog elders opvang hebben genoten. Ook heeft belanghebbende geen bezwaar gemaakt tegen de definitieve beschikking.
De Commissie komt dan ook tot de conclusie dat de wijzingen in de KOT over 2011 het gevolg zijn van reguliere correcties. Deze bijstellingen zijn conform de wet uitgevoerd. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden die erop wijzen dat B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor het toeslagjaar 2011 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard is geweest. Ook is er geen onterechte kwalificatie opzet/grove schuld (O/GS), zodat ook geen aanspraak kan worden gemaakt op een daarop gebaseerde tegemoetkoming. De Commissie adviseert UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Naar aanleiding van het bezwaarschrift heeft UHT de compensatieberekening nogmaals tegen het licht gehouden en vastgesteld dat een aantal componenten van de berekening onjuist is. Het gaat daarbij om de componenten n, o en p.
De Commissie acht de toelichting van UHT in de schriftelijke beschouwing ten aanzien van de berekening van de componenten in de compensatieberekening afdoende en navolgbaar en ziet geen aanleiding om hiervan af te wijken. De Commissie adviseert UHT de compensatie opnieuw te berekenen in lijn met haar schriftelijke beschouwing en daarbij belanghebbende niet in een slechtere positie te brengen.
Nu het primaire besluit (de bestreden beschikking) volgens dit advies dient te worden herroepen, adviseert de Commissie tevens om het verzoek voor vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure toe te wijzen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van twee procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar tegen de beschikking van 2 maart 2023 met kenmerk UHT-DCH gedeeltelijk gegrond te verklaren, het besluit te herroepen en op onderdelen in de beslissing op bezwaar aan te passen en om een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter