BAC 2025-15329
Publicatiedatum 05-02-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Dienst Toeslagen / Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen
(hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: UHT-DCHO (12 januari 2024)
Hoorzitting: 22 september 2025
Overdracht advies aan UHT: 5 november 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie KOT.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 27.091,- voor de jaren 2006, 2007, 2008, 2009, 2010 en 2011.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 1 februari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2006, 2007, 2008, 2009, 2010 en 2011.
- UHT heeft bij vooraankondiging aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 27.040,-.
- UHT heeft bij de bestreden beschikking aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 27.091,-.
- Gemachtigde heeft bij brief van 6 februari 2024, ingekomen op 12 februari 2024, tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- Gemachtigde heeft bij brief van 30 april 2024, ingekomen op 3 mei 2024, het bezwaarschrift aangevuld.
- UHT heeft op 2 december 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 22 september 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 29 september 2025 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft daar op 9 oktober 2025 op gereageerd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en 2 commissieleden.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie op de juiste wijze heeft berekend.
Verzoek om dossier
De op de zaak betrekking hebbende stukken ((het ouderdossier) en de beschouwing van UHT zijn op respectievelijk 16 september 2024 en 2 december 2024 aan belanghebbende toegezonden. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat hier niet is voldaan aan de in artikel 7:4 lid 2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Belanghebbende heeft op de voet van de artikelen 7:4 lid 2 Awb en 5.2 leden 3 en 4 Wht voorafgaand aan de zitting kennis kunnen nemen van de (afschriften van de) op de zaak betrekking hebbende stukken. Hierdoor heeft belanghebbende kennis kunnen nemen van de stukken die ten grondslag liggen aan de bestreden beschikking en is zij in de gelegenheid geweest om daarop te reageren. Met de schriftelijke reactie, de uitleg ter zitting en de op de zaak betrekking hebbende stukken, heeft UHT het bestreden besluit voldoende onderbouwd.
Toeslagjaren 2006, 2007, 2008, 2009, 2011 en maanden januari tot en met mei 2010
Na kennisgenomen te hebben van de beschouwing van UHT en de gegeven mondelinge toelichting daarop tijdens de hoorzitting, heeft de Commissie geen aanknopingspunten gevonden om te concluderen dat sprake is van vooringenomen behandeling of bijzondere omstandigheden die gecompenseerd zouden moeten worden op grond van hardheid van het stelsel. Ook is in de beoordeelde toeslagjaren geen sprake van een onterechte kwalificatie O/GS.
De Commissie adviseert UHT de bezwaren ongegrond te verklaren en licht dit als volgt toe.
Toeslagjaar 2006
Op 8 april 2008 is de KOT van belanghebbende gewijzigd van € 15.372 naar
€ 15.365. Deze wijziging is veroorzaakt door een menselijke afrondingsfout in de berekening. Dit is geen vooringenomen handeling van B/T. Bovendien resulteerde voornoemde fout in slechts een zeer geringe verlaging van de KOT die geen consequenties heeft gehad voor belanghebbende. Belanghebbende heeft € 7,- moeten terugbetalen; dit bedrag was lager dan het drempelbedrag van € 1.500,- terwijl de reden niet was gelegen in het niet tijdig betalen van een deel van de opvangkosten. Belanghebbende heeft nog aangevoerd dat sprake is van hardheid, omdat de kinderopvanginstelling heeft gefraudeerd. De Commissie volgt dit betoog niet. De KOT is in zijn geheel aan de kinderopvanginstelling uitbetaald en daarmee ten goede gekomen aan belanghebbende. In een door gemachtigde doorgestuurde reactie van belanghebbende, meldt laatst genoemde dat zij het eens is met het standpunt dat UHT ten aanzien van dit toeslagjaar inneemt.
Toeslagjaar 2007
De Commissie stelt vast dat er in toeslagjaar 2007 geen neerwaartse correcties zijn geweest, waardoor geen recht op compensatie op grond van vooringenomenheid.
Belanghebbende heeft weliswaar moeten terugbetalen, dit bedrag was echter lager dan het drempelbedrag van € 1.500,- terwijl de reden niet was gelegen in het niet tijdig betalen van een deel van de opvangkosten.
Toeslagjaar 2008
In toeslagjaar 2008 heeft één neerwaartse correctie plaatsgevonden.
Op 29 november 2008 is de KOT gewijzigd van € 27.179 naar € 22.944.
De Commissie heeft vastgesteld dat deze correctie heeft plaatsgevonden omdat het soort opvang voor kind [naam] is gewijzigd van dagopvang naar buitenschoolse opvang en omdat het aantal opvanguren is verlaagd van 238 uur naar 165 uur per maand. Aangezien het reguliere wijzigingen betreft, levert dit geen vooringenomenheid op.
Toeslagjaar 2009
In toeslagjaar 2009 hebben twee neerwaartse correcties plaatsgevonden.
Op 24 maart 2010 is de KOT verlaagd van € 19.100 naar € 14.412, omdat belanghebbende de KOT per 1 oktober 2009 heeft stopgezet. Vervolgens is op
6 september 2011 de KOT verlaagd van € 14.412 naar € 14.230 vanwege een verhoging van het toetsingsinkomen van € 22.000 naar € 26.067. Aangezien het reguliere wijzigingen betreft, levert dit geen vooringenomenheid op.
Er is weliswaar een bedrag teruggevorderd, maar die terugvordering was niet gelegen in het niet (tijdig) betalen van een deel van de kosten voor kinderopvang. Bovendien is € 15.219 uitbetaald aan de kinderopvanginstelling terwijl de daadwerkelijke kosten van kinderopvang op basis van de jaaropgave zijn vastgesteld op € 16.779,30, waardoor sprake is van een terugvordering van minder dan het drempelbedrag van € 1.500. De stelling van belanghebbende dat de door haar betaalde eigen bijdrage moet worden meegeteld om te bepalen of het drempelbedrag van € 1.500,- wordt behaald, vindt geen steun in het recht. Belanghebbende heeft nog aangevoerd dat er na de stopzetting van de KOT per
1 oktober 2009 nog tweemaal een bedrag van € 1.269,- aan de kinderopvang-instelling is uitbetaald. Deze bedragen zijn echter aan belanghebbende ten goede gekomen, omdat de totale opvangkosten hoger waren dan de KOT.
Toeslagjaar 2010
In toeslagjaar 2010 heeft één neerwaartse correctie plaatsgevonden.
Op 16 februari 2012 is de kinderopvang verlaagd van € 17.892 naar € 0, omdat de KOT is gestopt door B/T. Dit was het gevolg van het bericht van belanghebbende dat zij geen gebruik wenste te maken van kinderopvang in toeslagjaar 2010. Belanghebbende heeft op 22 augustus 2013 bezwaar aangetekend en aangevoerd dat zij een fout had gemaakt bij het invullen van het antwoordformulier. Belanghebbende dacht dat het om toeslagjaar 2011 ging. Het bezwaar van belanghebbende is niet-ontvankelijk verklaard vanwege termijnoverschrijding.
Dit levert echter geen vooringenomenheid op.
Ten aanzien van toeslagjaar 2010 staat in het bestreden besluit dat belang-hebbende gecompenseerd wordt op grond van hardheid van het stelsel over de maanden juni tot en met december, terwijl dit had moeten zijn januari tot en met mei. Dit resulteert niet in extra compensatie, omdat het compensatiebedrag juist is berekend. Voor zover sprake is van onzorgvuldige voorbereiding of gebreken in de motivering van het bestreden besluit, kunnen die gebreken naar het oordeel van de Commissie in de beslissing op bezwaar door UHT worden hersteld aan de hand van wat daarover in haar beschouwing is opgemerkt.
Toeslagjaar 2011
In toeslagjaar 2011 heeft één neerwaartse correctie plaatsgevonden. Op 10 mei 2013 is de kinderopvang verlaagd van € 17.817 naar € 0, omdat belanghebbende heeft aangegeven in 2011 geen gebruik te hebben gemaakt van kinderopvang.
Dit betreft een reguliere wijziging die geen vooringenomenheid oplevert. Ten gevolge van de door belanghebbende doorgegeven wijziging, moest zij € 1.500 terugbetalen. Belanghebbende heeft bankafschriften overgelegd waaruit volgt dat zij in 2015 acht betalingen aan B/T heeft gedaan. Uit het betaal- en verrekenoverzicht volgt dat de betalingen van 8 januari 2015, 2 maart 2015,
31 maart 2015, 13 april 2015 en 4 juni 2015 zijn verrekend met het openstaande bedrag van toeslagjaar 2011. Belanghebbende heeft aangevoerd dat zij daarnaast ook met betalingen van 20 januari 2015, 24 juli 2015 en 26 oktober 2015 KOT heeft terugbetaald. Deze betalingen komen echter niet terug op het betaal- en verrekenoverzicht. Bij deze drie betalingen is niet vermeld waarop deze betrekking hadden. De kenmerken zijn niet te herleiden naar de KOT. Hoewel niet duidelijk is geworden waarmee deze bedragen verrekend zijn, betekent dit niet dat belanghebbende vooringenomen is behandeld, of geraakt is door hardheid van het stelsel. De KOT moest worden terugbetaald, omdat belanghebbende in toeslagjaar 2011 geen gebruik heeft gemaakt van kinderopvang en er in dat jaar dus geen recht bestond op KOT. De Commissie adviseert UHT het bezwaarschrift van belanghebbende op dit punt ongegrond te verklaren.
Geen recht op proceskostenvergoeding
Nu de Commissie niet adviseert het primaire besluit te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter