BAC 2023-14467
Publicatiedatum 28-01-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 29 augustus 2023 (kenmerk UHT-DCHA)
Hoorzitting: 25 april 2025 om 11:00 uur
Overdracht advies aan UHT: 11 juli 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gericht tegen de beschikking van 29 augustus 2023 met kenmerk UHT-DCHA ongegrond te verklaren en geen proceskostenvergoeding toe te kennen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking beoordeling kinderopvangtoeslag.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de toeslagjaren 2009 tot en met 2012.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 17 september 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de toeslagjaren 2009 en 2010. Na overleg tussen belanghebbende en UHT is het verzoek uitgebreid met de toeslagjaren 2011 en 2012.
- UHT heeft bij beschikking van 22 september 2022 met kenmerk UHT-CHR GU aan belanghebbende medegedeeld dat zij (nog) niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 8 augustus 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat de compensatieregeling van artikel 2.1, lid 1, van de Wht niet van toepassing is op de toeslagjaren 2009 tot en met 2012.
- UHT heeft bij de bestreden beschikking van 29 augustus 2023 met kenmerk UHT-DCHA aan belanghebbende geen compensatie toegekend voor de toeslagjaren 2009 tot en met 2012.
- Gemachtigde heeft bij brief van 25 september 2023, ingekomen op 3 oktober 2023, tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 7 november 2024 schriftelijk gereageerd.
- Op 25 april 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 27 mei 2025 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft daar op 6 juni 2025 op gereageerd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Persoonlijk dossier/equality of arms
Belanghebbende voert in bezwaar aan dat UHT handelt in strijd met het beginsel van equality of arms. In haar ogen wordt zij in haar procesbelang geschaad omdat zij niet de beschikking heeft over haar persoonlijk dossier en daardoor niet over de voor het voeren van bezwaar benodigde documenten beschikt.
De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. De schriftelijke beschouwing en de onderliggende stukken zijn aan gemachtigde toegezonden, zoals ook de nadere stukken waar belanghebbende op de hoorzitting om heeft verzocht. De Commissie vindt dat met het toezenden van deze stukken is voldaan aan de in artikel 7:4, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Dat kan anders zijn als de belanghebbende een duidelijk aanknopingspunt geeft waarom het persoonlijk dossier moet worden afgewacht. Dat is hier niet gebeurd. De enkele opmerking dat bij onbekendheid van de stukken in dat dossier het mogelijk is dat er nog relevante informatie ontbreekt, is niet voldoende. De door belanghebbende in dit verband aangevoerde bezwaren kunnen daarom niet tot het door haar gewenste resultaat leiden. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Beoordeling afwijzing compensatie toeslagjaren 2009 tot en met 2012
De Commissie ziet zich gesteld voor de beantwoording van de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de toeslagjaren 2009 tot en met 2012 af te wijzen.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat het voor haar niet inzichtelijk is hoe UHT tot de afwijzing is gekomen. UHT heeft vervolgens in haar schriftelijke beschouwing en de aanvullende beschouwing toegelicht hoe zij tot de afwijzing is gekomen.
De Commissie overweegt dat niet aannemelijk is geworden dat er bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de toeslagjaren 2009, 2010, 2011 en 2012 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door de Belastingdienst Toeslagen (hierna: B/T) dan wel hardheid van het stelsel. Uit het dossier volgt dat in het toeslagjaar 2009 geen KOT is aangevraagd. Van vooringenomen handelen of hardheid van het stelsel kan alleen al om die reden dan ook geen sprake zijn. De terugvorderingen KOT over de toeslagjaren 2010, 2011 en 2012 waren gelegen in te hoge voorschotten, die op basis van reguliere wijzigingen opnieuw zijn berekend.
Deze bijstellingen zijn conform de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hier ten aanzien van belanghebbende anders over te oordelen.
Voorts overweegt de Commissie dat geen sprake is van de toepasselijkheid van de beleidsmatige, zogenoemde, KOT naar KOI-regeling. In de toeslagjaren 2011 en 2012 is weliswaar meer dan € 1.500 per toeslagjaar van belanghebbende teruggevorderd, terwijl de KOT aan de kinderopvanginstelling (hierna: KOI) is uitbetaald. Echter, in het toeslagjaar 2011 is in totaal € 7.750 aan de KOI uitbetaald, terwijl de werkelijke opvangkosten € 8.931 bedroegen. Er is derhalve niet meer dan € 1.500 aan KOT aan de KOI uitbetaald en van belanghebbende teruggevorderd. In het toeslagjaar 2012 is een bedrag van € 8.105 te veel uitbetaald aan de KOI, maar de KOI heeft nadien een bedrag van € 10.122 aan B/T teruggestort, die het terugbetaalde bedrag vervolgens heeft verrekend met openstaande schulden van belanghebbende. Ook in het toeslagjaar 2012 behoefde UHT dan ook geen toepassing te geven aan haar beleid, neergelegd in de zogenoemde KOT naar KOI-regeling. De opmerking van belanghebbende dat uit het LIC-overzicht niet blijkt door wie de terugbetaling van € 10.122 is verricht, is voor de Commissie geen reden om tot een ander standpunt te komen. Vaststaat immers dat een bedrag van € 10.122 aan B/T is terugbetaald en de terugbetaling ten goede is gekomen aan belanghebbende. Belanghebbende heeft ook niet aangevoerd, laat staan aannemelijk gemaakt dat zij de terugbetaling heeft verricht, waardoor zij wel zou voldoen aan de vereisten om de beleidsmatige, KOT naar KOI-regeling toepasselijk te doen zijn. Van bijzondere omstandigheden die UHT er toe hadden moeten brengen ten gunste van belanghebbende van voormelde regeling af te wijken is niet gebleken. Verder is er ook geen sprake geweest van een onterechte kwalificatie opzet/grove schuld, zodat ook hierop geen aanspraak kan worden gemaakt. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Beslagvrije voet
Belanghebbende voert aan dat B/T bij de verrekeningen onterecht geen rekening heeft gehouden met de beslagvrije voet.
De Commissie overweegt hierover dat de beslagvrije voet niet van toepassing is op KOT. Deze toeslag is immers niet bedoeld als inkomensvoorziening, maar voor het bevorderen van de arbeidsparticipatie. De Commissie adviseert UHT daarom om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Automatische continuering
Belanghebbende stelt dat het onzorgvuldig is van B/T om de KOT voor de toeslagjaren 2011 en met 2012 automatisch te continueren, terwijl zij hier niet om heeft gevraagd.
De Commissie kan UHT volgen in haar standpunt dat op grond van artikel 15, lid 5, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen een aanvraag wordt geacht mede te zijn gedaan voor op het berekeningsjaar volgende berekeningsjaren. De Commissie volgt UHT verder in haar betoog dat belanghebbende zelf verantwoordelijk is om tijdig wijzigingen door te geven. De Commissie adviseert UHT daarom om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Intensief Sociaal Toezicht (IST)
Belanghebbende heeft ter zitting aangevoerd dat het onduidelijk is waarom zij bekend is bij het IST.
UHT heeft ter zitting aangegeven een nadere toelichting te zullen verstrekken ten aanzien van de vermelding van belanghebbende bij IST. De Commissie stelt vast dat UHT niettemin niet nader is ingegaan op dit punt in de nadere beschouwing van 27 mei 2025. De Commissie ziet hierin op zich zelf geen aanleiding om te concluderen dat aan de voorbereiding van het aangevallen besluit een onzorgvuldigheidsgebrek kleeft, of dat de motivering daarvan tekort zou schieten. De Commissie adviseert UHT echter wel, nu, net als bij de vermelding HOTHOR, waakzaamheid ook op dit punt geboden blijft, om dit punt alsnog nader toe te lichten in de beslissing op bezwaar én, zo nodig, daaraan gevolgen te verbinden ten gunste van belanghebbende.
Zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel
Met de door UHT in bezwaar ingediende schriftelijke beschouwing en de overgelegde stukken – waaronder een uitgebreide uitleg met behulp van de Landelijke Incasso Centrum (LIC)- overzichten - en de overige producties, is in ieder geval thans geen sprake van strijd met de door belanghebbende genoemde algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De vraag of die strijd er wel was ten tijde van de bestreden beschikking behoeft in dit geval geen beantwoording. Wat nader is onderbouwd en uiteengezet omtrent de voorbereiding en motivering van de bestreden beschikking leidt immers niet tot het herroepen daarvan.
Proceskostenvergoeding
Nu de Commissie niet adviseert het primaire besluit te herroepen, ziet de Commissie geen aanleiding om UHT te adviseren een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie, de hiervoor geformuleerde vraag bevestigend beantwoordend, om het bezwaar tegen de beschikking met kenmerk UHT-DCHA ongegrond te verklaren en het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter