Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-15418

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluiten: 25 april 2023 (UHT-DCH ZV) en 1 mei 2024 (UHT-DCHO)

Hoorzitting: 1 september 2025

Overdracht advies aan UHT: 24 oktober 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikkingen compensatie kinderopvangtoeslag.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) op 1 mei 2024 (UHT-DCH O) compensatie toegekend voor een bedrag van €30.940,- voor het jaar 2012. Voor de jaren 2007, 2008 en 2013 is geen compensatie toegekend.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 2 maart 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2007, 2008, 2012 en 2013.De Commissie van Wijzen heeft haar oordeel aan de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) op 2 november 2022 toegestuurd. Zij heeft geoordeeld dat de B/T zich terecht op het standpunt stelt dat de compensatieregeling van artikel 49b van de Algemene Wet Inkomensafhankelijke Regelingen (Awir) en de hardheidscompensatie van art. 49 van de Awir niet van toepassing zijn voor de toeslagjaren 2007, 2008 en 2013 en de maanden oktober 2012 tot en met december 2012.
  • UHT heeft bij de bestreden besluit aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van €30.940,-.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 23 mei 2023, tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 10 juli 2024, Klik of tik om een datum in te voeren. het bezwaarschrift aangevuld.
  • UHT heeft op 17 maart 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift
  • Op 1 september 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • Gemachtigde heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 11 september 2025 akten van geboorte en van erkenning overgelegd en daarbij een nadere schriftelijke toelichting gegeven.
  • UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 15 september 2025 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft daar niet meer op gereageerd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.

Ontvankelijkheid

Niet is geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie op de juiste wijze heeft berekend.

Verzoek om dossier en equality of arms

Belanghebbende voert in bezwaar aan dat UHT handelt in strijd met het beginsel van equality of arms. In haar ogen wordt zij in haar procesbelang geschaad, omdat ze niet de beschikking krijgt over haar persoonlijk dossier en/of een volledig bezwaardossier. De Commissie overweegt daartoe als volgt. De op de zaak betrekking hebbende stukken c.q. het Ouderdossier en de beschouwing van UHT zijn op respectievelijk 16 september 2024 en 2 december 2024 aan belanghebbende toegezonden. UHT is op grond van de privacyregelgeving niet gehouden de ongelakte stukken uit het ouderdossier aan belanghebbende te overleggen. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat hier niet is voldaan aan de in artikel 7:4 lid 2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Belanghebbende heeft op de voet van artikelen 7:4 lid 2 Awb en 5.2 leden 3 en 4 Wht voorafgaand aan de zitting kennis kunnen nemen van de (afschriften van de) op de zaak betrekking hebbende stukken. Hierdoor heeft belanghebbende kennis kunnen nemen van de stukken die ten grondslag liggen aan de bestreden besluiten en is zij in de gelegenheid geweest om daarop te reageren. Met de schriftelijke reactie, de uitleg ter zitting en de op de zaak betrekking hebbende stukken, heeft UHT de bestreden besluiten voldoende onderbouwd. De Commissie adviseert UHT het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

Motivering en schending andere algemene beginselen van behoorlijk bestuur Belanghebbende betoogt dat de bestreden besluiten onvoldoende zijn gemotiveerd en onvoldoende zorgvuldig tot stand zijn gekomen. Voor zover sprake is van onzorgvuldige voorbereiding of gebreken in de motivering, kunnen die gebreken naar het oordeel van de Commissie in de beslissingen op bezwaar door UHT worden hersteld aan de had van wat daarover in de beschouwing is opgemerkt.

Toeslagpartnerschap

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de erkenning van haar kind door de heer [naam] niet met terugwerkende kracht werkt. Zij verbindt daaraan de consequentie dat de heer [naam] niet voor de erkenning aangemerkt had mogen worden als toeslagpartner en dat B/T daarmee vooringenomen heeft gehandeld. De Commissie overweeg als volgt. B/T was niet verplicht afzonderlijk onderzoek te doen naar het bestaan van een toeslagpartner. Het toeslagpartnerschap wordt vastgesteld op basis van gegevens uit de Basisregistratie Personen, en B/T mag uitgaan van de juistheid van die gegevens. Er zijn geen aanknopingspunten dat de registratie onjuist was of dat B/T daaraan had moeten twijfelen. Het toeslagpartnerschap is bovendien niet met terugwerkende kracht vastgesteld naar aanleiding van de erkenning van het kind, maar op grond van artikel 3, tweede lid, onder a, Awir. Uit de BRP blijkt dat belanghebbende van 20 maart 2008 tot en met 11 oktober 2013 op hetzelfde adres stond ingeschreven als de heer [naam], waardoor het toeslagpartnerschap van rechtswege is ontstaan. B/T heeft dit pas opgemerkt toen de heer [naam] op 15 februari 2013 een aanvraag voor kinderopvangtoeslag indiende. Het op 18 februari 2013 verzonden formulier over het toeslagpartnerschap bevestigt dat dit niet met terugwerkende kracht is vastgesteld. De Commissie adviseert UHT het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Toeslagjaren 2006, 2009, 2010 en 2011

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat toeslagjaren 2006, 2009, 2010 en 2010 meegenomen hadden moeten worden in de herbeoordeling. In haar ogen had dit moeten gebeuren, omdat ook over deze toeslagjaren sprake was van KOT. Uitgangspunt is dat een verzoek om herbeoordeling als hier aan de orde betrekking heeft op alle jaren voor 2020 waarin de aanvrager van compensatie kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd, althans waarin de Dienst Toeslagen een beschikking daarover heeft gegeven, tenzij de aanvrager het verzoek heeft beperkt. Of dat laatste aannemelijk is, moet blijken uit alle omstandigheden van het geval, in samenhang beoordeeld, zoals de aanwezigheid van telefoonnotities, vastgelegde gesprekken en andere schriftelijke stukken.

De Commissie stelt vast dat het verzoek om herbeoordeling van belanghebbende alleen zag op het toeslagjaren 2007, 2008, 2012 en 2013. De Persoonlijke Zaakbehandelaar (Hierna PZB) heeft het verzoek vervolgens na een gesprek met belanghebbende vastgelegd in het gespreksverslag van 29 september 2022. In dat licht kan niet worden geconcludeerd dat UHT nagelaten heeft de hiervoor genoemde toeslagjaren in de herbeoordeling te betrekken en dat om die reden de bestreden beschikking moet worden herroepen. Nu het oorspronkelijke verzoek en de bestreden beschikking de omvang van de onderhavige bezwaarprocedure bepalen, ziet de Commissie geen mogelijkheden om deze toeslagjaren (alsnog) in haar advisering te betrekken. De Commissie heeft uit de ter zitting daarover gedane opmerkingen van UHT opgemaakt om één en ander als aanvullend verzoek in herbeoordeling te nemen. Nu deze werkwijze, volgens bestendig beleid van UHT, kennelijk geen beperking van rechtsmiddelen voor belanghebbende met zich meebrengt, houdt de Commissie onderhavige bezwaarprocedure niet aan. Het bezwaar is op dit onderdeel ongegrond.

Toeslagjaren 2007 en 2008

Belanghebbende stelt dat ook in deze jaren sprake is geweest van vooringenomenheid, dan wel hardheid c.q. onterechte Opzet/Grove Schuld (O/GS)in de handelwijze van B/T De Commissie overweegt dat, gelet op de stukken in het ouderdossier, niet aannemelijk is geworden dat er bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor toeslagjaren 2008 en 2009 hiervan sprake is geweest. Ten aanzien van toeslagjaar 2007 is de KOT op 25 maart 2010 weliswaar neerwaarts gecorrigeerd, maar dit is bij beschikking van 2 mei 2010 gecorrigeerd. De reden voor de neerwaartse correctie is er vermoedelijk in gelegen dat B/T ten onrechte is uitgegaan van een te hoog toetsingsinkomen. Los van dat een dergelijke correctie onvoldoende is om vooringenomenheid aan te nemen, heeft B/T een en ander snel, binnen iets meer dan een maand, hersteld. De wijzigingen van de KOT voor toeslagjaar 2008 waren gelegen in reguliere bijstellingen. Deze bijstellingen geven de Commissie geen aanknopingspunten dat sprake is geweest van vooringenomen handelen of dat belanghebbende getroffen is door de hardheid van het stelsel. Verder is ook geen sprake geweest van een onterechte kwalificatie O/GS, zodat ook hierop geen aanspraak kan worden gemaakt. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Fouten in compensatieberekening toeslagjaren 2012 en 2013

Belanghebbende stelt dat de compensatieberekening over de toeslagjaren 2012 en 2013 niet correct is. In het kader van de bestuurlijke heroverweging heeft UHT de compensatieberekening opnieuw uitgevoerd. Uit die berekening volgt dat voor toeslagjaar 2012 de niet terugbetaalde c.q. verrekende kinderopvangtoeslag (component g) en de rentevergoeding over gemiste KOT (component o) niet correct, want te hoog, zijn vastgesteld. Voor toeslagjaar 2013 is het betaalde c.q. verrekende bedrag op boetebeschikkingen (component k) niet correct vastgesteld. Omdat wijziging van deze componenten in het nadeel van belanghebbende zou zijn, en dus strijd zou opleveren met het verbod van reformatio in peius, past UHT de bedragen niet aan. De Commissie vindt de toelichting die UHT daarover heeft gegeven in haar beschouwing en ter gelegenheid van de hoorzitting, begrijpelijk en navolgbaar. Omdat het rechtsgevolg van de bestreden besluiten niet wijzigt, is er geen reden om de bestreden besluiten te herroepen. De Commissie adviseert UHT het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

Proceskosten

Belanghebbende heeft verzocht om een vergoeding van de proceskosten. Ingevolge artikel 7:15 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) worden proceskosten alleen vergoed als het bestreden besluit wordt herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Op grond van de op dit punt heersende rechtspraak, is sprake van herroepen in de zin van artikel 7:15 lid 2 Awb als het primaire besluit wordt gewijzigd voor wat betreft het met dat besluit beoogde rechtsgevolg. Nu de uitkomst van de compensatieberekening niet wordt aangepast en er ook geen gevolgen zijn voor het vertrekpunt voor een eventuele procedure over aanvullende compensatie voor werkelijke schade, wijzigt het rechtsgevolg van de bestreden besluiten niet. Onder deze omstandigheden is er geen aanleiding voor toekenning van een proceskostenvergoeding.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek om toekenning van een proceskostenvergoeding af te wijzen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter