BAC 2025-15303
Publicatiedatum 05-02-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Dienst Toeslagen / Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen
(hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 22 december 2023 (UHT-DCHA VOW)
Hoorzitting: 7 augustus 2025 om 11:00 uur
Overdracht advies aan UHT: 3 september 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om de bezwaren in de onderhavige zaak ongegrond te verklaren en het bestreden besluit met kenmerk UHT-DCHA VOW in stand te laten. Tevens adviseert de Commissie het verzoek om vergoeding van de proceskosten af te wijzen.
Onderwerp van advies
Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking beoordeling kinderopvangtoeslag.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend over de toeslagjaren 2008 tot en met 2011.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 20 juni 2022 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de toeslagjaren 2006 en 2007. In overleg met belanghebbende is dit verzoek gewijzigd naar de toeslagjaren 2008 tot en met 2011.
- UHT heeft bij beschikking van 18 augustus 2022 aan belanghebbende medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van €30.000.
- UHT heeft bij vooraankondiging van 20 december 2023, met kenmerk UHT-VCH A, aan belanghebbende medegedeeld dat zij voorlopig geen recht heeft op compensatie over de toeslagjaren 2008 tot en met 2011.
- UHT heeft bij beschikking van 22 december 2023, met kenmerk UHT-DCHA VOW, aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie over de toeslagjaren 2008 tot en met 2011.
- Gemachtigde heeft op 11 januari 2024 bezwaar ingediend tegen deze beschikking.
- UHT heeft op 8 januari 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 7 augustus 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 19 augustus 2025 aanvullende stukken ingediend. Gemachtigde heeft daar op 19 augustus 2025 op gereageerd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en 2 commissieleden.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.
Motiveringsbeginsel
Belanghebbende stelt dat niet inzichtelijk is gemaakt hoe UHT tot afwijzing van compensatie over de toeslagjaren 2008 tot en met 2011 is gekomen. Met de door UHT in bezwaar ingediende beschouwing en de overgelegde stukken - waaronder een uitgebreide uitleg met behulp van de overzichten van het Landelijke Incasso Centrum (hierna: LIC) - en de overige producties, is in ieder geval thans geen sprake van strijd met de door belanghebbende genoemde algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De vraag of die strijd er wel was ten tijde van de bestreden beschikkingen behoeft in dit geval geen beantwoording. Wat nader is onderbouwd en uiteengezet omtrent de voorbereiding en motivering van de bestreden beschikking(en) leidt immers niet tot het herroepen daarvan.
Artikel 6 EVRM, recht op een eerlijk proces
Belanghebbende voert aan dat geen sprake is van ‘equality of arms’, zoals opgenomen in artikel 6 van het EVRM, omdat zij niet de beschikking heeft over haar volledige dossier en verzoekt specifiek om de overzichten van het Landelijk Incasso Centrum (hierna: LIC).
De Commissie is een onafhankelijke bezwaarschriftenadviescommissie in de zin van artikel 7:13 Awb. Voor de procedure bij de Commissie gelden de processuele waarborgen van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Op grond van artikel 7:4 lid 2 Awb heeft belanghebbende voorafgaand aan de hoorzitting bij de Commissie recht op 3 afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken. Deze stukken heeft belanghebbende in de vorm van een bezwaardossier op 3 juni 2025 ontvangen en zij heeft de gelegenheid gekregen om haar standpunt verder uiteen te zetten. Verder merkt de Commissie op dat UHT de verzochte stukken aan het dossier heeft toegevoegd. De Commissie adviseert het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
O/GS
Belanghebbende stelt dat de uitkomst van het onderzoek naar een onterechte kwalificatie opzet/grove schuld (hierna: O/GS) onvoldoende inzichtelijk is en verzoekt daarom om het invorderingsdossier. UHT stelt dat de uitkomst van het O/GS-onderzoek standaard in het dossier is opgenomen en dat dit voldoende is. Zij heeft na nader onderzoek geen aanvullende informatie aangetroffen dan al in het dossier aanwezig is. UHT herhaalt de conclusie dat geen sprake is van een (onterechte) kwalificatie O/GS.
Naar het oordeel van de Commissie heeft belanghebbende de op de zaak betrekking hebbende stukken ontvangen. De Commissie is van oordeel dat het invorderingsdossier, voor zover het zou gaan om andere invorderingsgegevens dan die welke zijn te vinden in de LIC-overzichten, geen deel uitmaakt van de op het bezwaar betrekking hebbende stukken. De Commissie overweegt daarbij dat door UHT geen O/GS is vastgesteld en constateert dat er geen aanknopingspunten zijn die zouden wijzen in de richting van het aannemelijk zijn van een andersluidend oordeel daarover. Evenmin is aannemelijk geworden dat een betalingsregeling is gevraagd en/of geweigerd. Uit het LIC-overzicht betreffende het toeslagjaar 2010 valt op te maken dat sprake is geweest van een terugbetaling in termijnen. Termijnbetalingen wijzen veeleer op aanvaarding van een betalingsregeling. De Commissie adviseert het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Automatische continuering
Belanghebbende stelt dat de wijze waarop de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) om is gegaan met de automatische continuatie van de KOT onzorgvuldig is. Zij stelt daarbij dat onvoldoende waarborgen in het systeem zijn ingebouwd, waardoor betalingsproblemen hebben kunnen ontstaan bij terugvorderingen over eerdere toeslagjaren. Dit was het geval bij belanghebbende over de toeslagjaren 2009 en 2010.
Volgens belanghebbende had van B/T verwacht mogen worden dat de KOT alleen automatisch verlengd werd als daarvoor aanwijzingen waren in de KOI-viewer en dat deze gegevens, of andere gegevens die B/T tot haar beschikking had, als basis zouden hebben moeten dienen voor de berekening van het voorschot.
De Commissie overweegt dat het automatische continueren van de KOT inherent is aan het toeslagensysteem. Op grond van artikel 15 lid 5 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen wordt een aanvraag geacht mede te zijn gedaan voor de op het berekeningsjaar volgende jaren. Een aanvraag van de KOT wordt dus geacht ook te zijn gedaan voor de daaropvolgende toeslagjaren en wordt daarmee automatisch gecontinueerd, tenzij de KOT door belanghebbende of B/T wordt stopgezet of gewijzigd. Naar het oordeel van de Commissie heeft B/T met het automatisch continueren van de KOT op een juiste wijze uitvoering gegeven aan de wet. De Commissie adviseert het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
HOTHOR-signalering
Volgens belanghebbende blijkt uit de tijdlijn dat op 30 oktober 2012 een ‘HOTHOR-signalering’ is afgegeven voor belanghebbende. Deze melding geeft volgens belanghebbende een extra controle, waardoor mensen met veel kinderen en/of lagere inkomens (met buitenlandse afkomst) extra worden geraakt. Dit levert volgens belanghebbende vooringenomenheid op.
De Commissie overweegt hierover het volgende. Aan de aanvraag voor toeslagjaar 2010 is het kenmerk HOTHOR - hoge toeslag/hoog risico - toegevoegd. Dit is een kenmerk dat, naar de Commissie uit de nadere toelichting van UHT begrijpt, geautomatiseerd wordt toegevoegd in gevallen van een laag inkomen, waardoor recht ontstaat op een relatief hoog bedrag aan toeslagen. Dit kenmerk heeft, aldus deze toelichting, tot gevolg dat een extra handmatige controle plaatsvindt. UHT stelt dat het doel van deze extra controles is gelegen in het behoeden van ouders voor hoge terugvorderingen. Belanghebbende stelt daar - onder verwijzing naar een passage in een verhoorverslag van de parlementaire ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag - dat het doel van deze extra controles is gelegen in het opvullen van een begrotingstekort. De Commissie kan dit punt hier laten rusten omdat uit de (nadere) stukken en de toelichtingen ter zitting niet aannemelijk is geworden dat de verlagingen(en) door andere omstandigheden zijn ingegeven (bijvoorbeeld het breed uitvragen van stukken) dan hiervoor vermeld.
Het instellen van een (extra) controle of het tussentijds opvragen van gegevens is op zichzelf onvoldoende om te concluderen dat de B/T vooringenomen heeft gehandeld. Daarvoor is meer nodig. Een uitvraag of controle als gevolg van het door de B/T gegeven kenmerk HOTHOR dwingt weliswaar tot waakzaamheid bij de beantwoording van de vraag of er institutionele vooringenomenheid is geweest, maar leidt op zichzelf niet dwingend tot een bevestigend antwoord op die vraag. Aanwijzingen voor zo’n bevestigend antwoord zijn, als ook rekening wordt gehouden met de andere feiten en omstandigheden van dit geval, onvoldoende aannemelijk geworden. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Toeslagjaar 2010
Belanghebbende stelt dat over toeslagjaar 2010 onterechte terugvorderingen hebben plaatsgevonden. UHT heeft in de beschouwing uiteengezet dat één neerwaartse bijstelling heeft plaatsgevonden over toeslagjaar 2010, op 14 november 2012. Deze verlaging van € 5.794 naar € 3.074 vond zijn grondslag in informatie die belanghebbende zelf per antwoordformulier van 19 september 2011 heeft aangeleverd. UHT komt tot de conclusie dat over toeslagjaar 2010 sprake was van een reguliere bijstelling en dat belanghebbende niet vooringenomen is behandeld.
De Commissie overweegt dat uit het antwoordformulier van 19 september 2011 volgt dat het aantal daadwerkelijk genoten opvanguren lager lag dan vooraf geschat. De KOT is neerwaarts bijgesteld op basis van deze informatie. Naar het oordeel van de Commissie is over toeslagjaar 2010 sprake van een reguliere bijstelling. De Commissie adviseert het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Informatieverzoeken over toeslagjaar 2011
Belanghebbende stelt dat zij de informatieverzoeken van B/T over toeslagjaar 2011, zoals gesteld in de voorschotbeschikking van 16 augustus 2011, niet heeft ontvangen. Deze brieven ontbreken in het dossier en dus mag ervan worden uitgegaan dat deze brieven niet aan belanghebbende zijn verzonden. Het neerwaarts bijstellen van de KOT over toeslagjaar 2011 zonder voldoende uitvraag van informatie levert volgens belanghebbende vooringenomenheid op. Daarnaast licht belanghebbende toe dat zij in de overige toeslagjaren wel heeft gereageerd op informatieverzoeken met betrekking tot de KOT. Het is daarom onlogisch dat zij niet zou reageren op de informatieverzoeken over toeslagjaar 2011.
UHT betwist dit standpunt. Volgens UHT zijn twee informatieverzoeken aan belanghebbende verzonden. UHT baseert zich hierbij op het RKT-bestand van toeslagjaar 2011 en heeft na de zitting de informatieverzoeken van 14 juni en 15 juli 2011 aangeleverd. Zowel in het RKT-bestand als de informatieverzoeken zelf stond vermeld dat belanghebbende uiterlijk voor respectievelijk 28 juni en 29 juli 2011 moest reageren. Uit het RKT-bestand volgt dat de KOT over toeslagjaar 2011 op nihil is gesteld na het uitblijven van reactie van belanghebbende. Volgens UHT is belanghebbende voldoende in de gelegenheid gesteld om informatie aan te leveren en is hierdoor geen sprake van vooringenomenheid over toeslagjaar 2011.
De Commissie overweegt dat UHT met het aanleveren van de informatiebrieven van 14 juni en 15 juli 2011 voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende in de gelegenheid is gesteld om informatie voor de KOT over toeslagjaar 2011 aan te leveren. De Commissie hecht daarbij waarde aan het feit dat de herinneringsbrief van 15 juli 2011 start met aan te geven dat B/T belanghebbende enige tijd daarvoor een verzoek om informatie had gestuurd. Deze passage ontkracht het verweer dat niet aannemelijk zou zijn dat de betreffende brieven niet zijn verzonden. De Commissie adviseert het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Beslagvrije voet
Belanghebbende stelt dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) over de toeslagjaren 2008 tot en met 2011 geen rekening heeft gehouden met de beslagvrije voet. Om deze reden stelt belanghebbende dat over deze jaren sprake is van hardheid van het stelsel. UHT stelt dat B/T bij verrekeningen van KOT geen rekening hoeft te houden met de beslagvrije voet, nu KOT niet wordt beschouwd als inkomensondersteuning, maar is bedoeld als bevordering van de arbeidsparticipatie.
De Commissie overweegt dat de KOT expliciet is uitgesloten van de beslagvrije voet in artikel 475c sub j van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De vraag of, en in hoeverre, rekening is gehouden met de beslagvrije voet bij verrekeningen met andere toeslagen, valt buiten de reikwijdte van de begrippen vooringenomen handelen en hardheid van het stelsel binnen het kader van de Wht en daarmee buiten de reikwijdte van de huidige bezwaarprocedure. De Commissie adviseert het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Proceskostenvergoeding
Nu het bezwaar naar het oordeel van de Commissie ongegrond is en het bestreden besluit in stand kan blijven, adviseert de Commissie om het verzoek om een proceskostenvergoeding in de bezwaarprocedure met betrekking tot de beschikking met kenmerk UHT-DCHA VOW af te wijzen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar, gericht tegen de beschikking met kenmerk UHT-DCHA VOW, ongegrond te verklaren en het verzoek om vergoeding van de proceskosten af te wijzen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter