BAC 2025-15425
Publicatiedatum 06-02-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 10 oktober 2023 (UHT-DCHA)
Hoorzitting: 1 augustus 2025 om 13:00 uur
Overdracht advies aan UHT: 11 augustus 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar tegen de beschikking van 10 oktober 2023 met kenmerk UHT-DCHA gedeeltelijk gegrond te verklaren en te herroepen, en alsnog compensatie toe te kennen voor de periode 1 oktober 2010 tot en met 25 februari 2011 op grond van vooringenomenheid. De Commissie adviseert tevens een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand toe te kennen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking van 10 oktober 2023 (met kenmerk UHT-DCHA) herbeoordeling kinderopvangtoeslag.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de toeslagjaren 2010 en 2011.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 6 september 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over het toeslagjaar 2014. De herbeoordeling ziet op de toeslagjaren 2010 en 2011, omdat belanghebbende in die toeslagjaren aanvrager is van KOT.
- UHT heeft bij beschikking van 7 juni 2022 aan belanghebbende medegedeeld dat zij (nog) niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000.
- UHT heeft bij bestreden beschikking van 10 oktober 2023 met kenmerk UHT-DCHA aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de toeslagjaren 2010 en 2011.
- Gemachtigde heeft bij brief van 10 november 2023 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 20 februari 2025 schriftelijk gereageerd.
- Op 1 augustus 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en de bestreden beschikking
Procedurele bezwaren
Belanghebbende heeft verzocht om inzage in het onderliggende dossier.
De schriftelijke beschouwing en de op de zaak betrekking hebbende stukken zijn op 4 juni 2025 aan de gemachtigde van belanghebbende toegezonden. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat hier niet is voldaan aan de in artikel 7:4, lid 2, Algemene wet bestuursrecht neergelegde verplichting.
Beoordeling toeslagjaren 2010 en 2011
De Commissie ziet zich gesteld voor de beantwoording van de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie voor de toeslagjaren 2010 en 2011 af te wijzen.
Beoordeling afwijzing compensatie toeslagjaren 2010 en 2011
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat zij voor de toeslagjaren 2010 en 2011 recht heeft op compensatie wegens vooringenomenheid door de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T). Volgens haar heeft B/T ten onrechte nagelaten om zogenoemde vraagbrieven te versturen, waardoor zij haar recht op KOT niet aannemelijk heeft kunnen maken.
In de eerste plaats heeft het de aandacht van de Commissie getrokken dat UHT in de beschouwing enerzijds stelt dat de zogenoemde vraagbrief niet in de systemen te vinden is en daar anderzijds de conclusie aan verbindt dat dit “in beginsel” vooringenomen handelen is. Uit de toelichting die UHT ter zitting heeft gegeven begrijpt de Commissie dat de woorden “in beginsel” in die passage geen zelfstandige betekenis hebben maar een inleiding zijn op de beschouwing die betrekking heeft op het tweede lid van artikel 2:1, van de Wht. Er is weliswaar sprake van vooringenomenheid, maar dat leidt, aldus UHT, met toepassing van artikel 2:1, lid 2, van de Wht niet tot compensatie. Volgens UHT is sprake van een situatie waarin evident geen recht op KOT bestond. Er is volgens UHT immers geen sprake van gekwalificeerde opvang, omdat indertijd door belanghebbende onvoldoende bewijs is geleverd dat daadwerkelijk opvang is afgenomen. Zo zijn er geen jaaropgaven bekend, en bevat de kinderopvanginstelling-viewer (hierna: KOI-viewer) geen registratie van opvang.
De Commissie overweegt dat UHT op grond van artikel 2.1, lid 1, van de Wht op aanvraag compensatie toekent als aan de toepassingsvereisten als bedoeld in dat artikellid wordt voldaan. Ingevolge artikel 2.1, lid 2, van de Wht wordt de compensatie echter niet toegekend indien de door de aanvrager van KOT geleden schade te wijten is aan ernstige onregelmatigheden die aan hem toerekenbaar zijn. De situatie van evident geen recht op KOT, waar UHT op doelt, valt onder artikel 2.1, lid 2, van de Wht. De Commissie overweegt dat de bewijslast hiervoor bij UHT ligt.
De Commissie stelt voorop dat UHT ter zitting heeft aangegeven dat het ontbreken van een LRK-registratie van het gastouderbureau belanghebbende in deze zaak niet wordt tegengeworpen.
Zoals de Commissie ter zitting heeft opgemerkt, is in het Handboek Integrale Beoordeling – Vaktechniek van UHT, versie 3.14, pagina 20, vermeld: “Als je evident geen recht op KOT stelt moet je zeker weten dat er geen opvang is geweest over die periode of dat de ouder (of toeslagpartner) niet voldeden aan de eisen om KOT te ontvangen.”
De Commissie meent dat UHT er niet in is geslaagd aan de op haar rustende bewijslast te voldoen en overweegt daartoe als volgt. Dat geen gegevens voorkomen in de KOI-viewer voor de toeslagjaren 2010 en 2011 is voor de Commissie onvoldoende om aan te nemen dat belanghebbende over die jaren geen gebruik heeft gemaakt van kinderopvang en dat daarom geconcludeerd moet worden dat “evident geen recht” op KOT bestond. Van de juistheid van de gegevens in de KOI-viewer mag in principe alleen worden uitgegaan wanneer zij daarin zijn opgenomen. De gegevens werden namelijk op aanvraag door de kinderopvanginstelling verstrekt. Bovendien is de Commissie bekend dat kinderopvanginstellingen tot 1 januari 2022 niet verplicht waren om gegevens aan te leveren voor de KOI-viewer. Het ontbreken van gegevens in dat systeem kan daarom niet zonder meer tot de conclusie leiden dat geen geregistreerde opvang heeft plaatsgevonden. Zulks te minder in een geval als het onderhavige waarin voldoende aannemelijk is geworden, namelijk op basis van het ouderverhaal in samenhang gelezen met een, tot de stukken behorend, RKT-bestand ((waarin als gastouder een zekere “[naam]” is vermeld met daarachter de aantekening ”(bureau [naam bureau]) en voorafgegaan door een registratienummer)), dat belanghebbende in de periode 1 oktober 2010 – 25 februari 2011 opvang heeft afgenomen bij een geregistreerde gastouder via een niet-geregistreerde KOI. Voorts is op grond van de stukken evenzeer aannemelijk geworden dat belanghebbende in die periode op basis van een 0-uren contract heeft gewerkt bij [naam bedrijf] als schoonmaakster.
Juist omdat B/T voorafgaand aan de nihilstelling geen uitvraag heeft gedaan, kunnen het ontbreken van gegevens in de KOI-viewer, noch het ontbreken van jaaropgaven, aan belanghebbende worden tegengeworpen. Dat betekent dat de, door UHT zelf aangenomen “vooringenomenheid” van het eerste lid, van artikel 2:1 van de Wht toepasselijk is. Voor zover in het verweer van UHT de opvatting besloten zou liggen dat op basis van de stukken waarover zij ten tijde van het geven van de beschikking in primo beschikte, haar opvatting juist was, kan dat verweer haar niet baten. Bij het geven van een beschikking op bezwaar - hier niet toepasselijke uitzonderingen daargelaten - zal moeten worden uitgegaan van de regelgeving zoals die ten tijde van het geven van de beslissing op bezwaar geldt in het licht van de feiten en omstandigheden zoals die zich op dat moment manifesteren.
Gelet op het voorgaande adviseert de Commissie UHT om, aangezien belanghebbende per 1 oktober 2010 KOT heeft aangevraagd, voor de periode van 1 oktober 2010 tot en met 25 februari 2011 alsnog compensatie toe te kennen op grond van vooringenomenheid. Het bezwaar is in zoverre gegrond. Aan een bespreking van het beroep dat belanghebbende heeft gedaan op het gelijkheidsbeginsel kan en zal de Commissie, gelet op het voren overwogene, voorbij gaan.
Belanghebbende voert aan dat de bestreden beschikking onzorgvuldig is genomen.
Aangezien de bestreden beschikking met kenmerk UHT-DCHA niet in stand kan blijven, zoals volgt uit het voorgaande, staat vast dat de totstandkoming onvoldoende zorgvuldig is geweest en de motivering bij beslissing op bezwaar moet worden verbeterd.
Belanghebbende voert voorts aan dat het aantal opvanguren onjuist is berekend.
De Commissie overweegt dat, voor zover al sprake zou zijn van een foutieve berekening van het aantal opvanguren, dit niet binnen het kader van de hersteloperatie kan worden gecorrigeerd. Eventuele omissies in de aanvraag van KOT kunnen slechts via een herzieningsverzoek worden gecorrigeerd. De Wht voorziet enkel in compensatie wegens vooringenomen handelen, hardheid of een onterechte opzet/grove schuld-kwalificatie, en biedt geen ruimte voor correctie van een onjuiste vaststelling van de KOT.
Omvang herbeoordeling toeslagjaren
Belanghebbende stelt dat niet alle betreffende toeslagjaren in de herbeoordeling zijn betrokken.
De Commissie overweegt dat op grond van artikel 2.1, lid 1, van de Wht, compensatie wordt toegekend aan de aanvrager van KOT die schade heeft geleden. Op basis van het ouderdossier stelt de Commissie vast dat belanghebbende uitsluitend in de toeslagjaren 2010 en 2011 aanvrager is geweest van KOT. Nu belanghebbende enkel in deze jaren KOT heeft aangevraagd, ontbreekt een feitelijke grondslag voor de stelling dat andere toeslagjaren ten onrechte buiten de herbeoordeling zijn gelaten. De Commissie adviseert derhalve UHT om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Vergoeding van de kosten van rechtsbijstand
Nu het bezwaar naar de mening van de Commissie gedeeltelijk gegrond is en leidt tot herroeping van de bestreden beschikking adviseert de Commissie om de vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure toe te wijzen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van 2 procespunten (gegrond bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie aan UHT, de hiervoor geformuleerde vraag ontkennend beantwoordend, om het bezwaar gericht tegen de beschikking van 10 oktober 2023 met kenmerk UHT-DCHA gedeeltelijk gegrond te verklaren en om:
- op grond van vooringenomenheid alsnog compensatie toe te kennen voor de periode 1 oktober 2010 tot en met 25 februari 2011 en de daarop betrekking hebbende beschikking in zoverre te herroepen;
- het bezwaar voor het overige ongegrond te verklaren;
- een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter