Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2024-15199

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluiten: 11 mei 2022 (UHT-DC-I A & UHT-DH5 A)

27 mei 2025 (UHT-DCHOA)

Hoorzitting: 14 augustus 2025

Overdracht advies aan UHT: 6 oktober 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om de bezwaren in de onderhavige zaak ongegrond te verklaren en de bestreden besluiten met kenmerk UHT-DC-I A, UHT-DH5 A en UHT-DCHOA in stand te laten. Tevens adviseert de Commissie het verzoek om vergoeding van de proceskosten af te wijzen.

Onderwerp van advies

De door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschriften zijn gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking afwijzing compensatie en beschikking herbeoordeling kinderopvangtoeslag.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Compensatieregeling CAF 11 en vergelijkbare (CAF-)zaken van 28 augustus 2020 (Stcrt. 2020, nr. 45904) geen compensatie toegekend over het toeslagjaar 2010.

Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen, hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.6 en 9.2 Wht moeten de bestreden beschikkingen geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.

Procesverloop

Belanghebbende heeft op 30 juni 2020 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over het toeslagjaar 2010.

UHT heeft bij beschikking van 1 maart 2021, met kenmerk UHT-B DMB 2, aan belanghebbende medegedeeld dat zij Kies een item. in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000,- (Catshuisregeling), maar dat de herbeoordeling nog niet klaar is.

De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 17 maart 2022 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende het betrokken toeslagjaar geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.

UHT heeft bij definitieve beschikking van 11 mei 2022, met kenmerk UHT-DC-I A, aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie over het toeslagjaar 2010 wegens vooringenomenheid.

UHT heeft bij beschikking van 11 mei 2022, met kenmerk UHT-DH5 A, aan belanghebbende medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor compensatie over het toeslagjaar 2010 op basis van de hardheidsregeling.

Gemachtigde heeft op van 18 oktober 2023 bezwaar ingediend tegen de beschikkingen van 11 mei 2022 met kenmerk UHT-DC-I A en UHT-DH5 A.

UHT heeft op 14 oktober 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.

UHT heeft bij beschikking van 27 mei 2025, met kenmerk UHT-DCHOA, aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie wegens vooringenomenheid of hardheid over de toeslagjaren 2005 tot en met 2009 en 2011 tot en met 2019.

Op 14 augustus 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.

UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 28 augustus 2025 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft gelegenheid gekregen om hierop te reageren maar daarvan geen gebruik gemaakt.

Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.

Motiveringsbeginsel
Belanghebbende stelt dat niet inzichtelijk is gemaakt hoe UHT tot afwijzing van compensatie over de toeslagjaren 2007 tot en met 2011 is gekomen.

Voor zover sprake is van onzorgvuldige voorbereiding of gebreken in de motivering van het bestreden besluit, kan dat in de beslissing op bezwaar door UHT worden hersteld aan de hand van wat daarover in haar (aanvullende) beschouwing is opgemerkt.

Artikel 6 EVRM, recht op een eerlijk proces
Belanghebbende voert aan dat geen sprake is van ‘equality of arms’, zoals opgenomen in artikel 6 van het EVRM, omdat zij niet de beschikking heeft over haar volledige dossier en verzoekt specifiek om de overzichten van het Landelijk Incasso Centrum (hierna: LIC), de tijdlijn en het informatie- en het beoordelings-formulier.

De Commissie is een onafhankelijke bezwaarschriftenadviescommissie in de zin van artikel 7:13 Awb. Voor de procedure bij de Commissie gelden de processuele waarborgen van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Op grond van artikel 7:4 lid 2 Awb heeft belanghebbende voorafgaand aan de hoorzitting bij de Commissie recht op 3 afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken. Deze stukken heeft belanghebbende in de vorm van een bezwaardossier op
24 april 2025 ontvangen en zij heeft de gelegenheid gekregen om haar standpunt verder uiteen te zetten. Verder merkt de Commissie op dat UHT de verzochte stukken aan het dossier heeft toegevoegd. De Commissie adviseert het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

Beslagvrije voet
Belanghebbende stelt dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) over toeslagjaar 2010 geen rekening heeft gehouden met de beslagvrije voet. Om deze reden stelt belanghebbende dat over deze jaren sprake is van hardheid van het stelsel.

De Commissie onderschrijft het standpunt van UHT dat de B/T bij verrekeningen van KOT geen rekening hoeft te houden met de beslagvrije voet, nu KOT niet wordt beschouwd als inkomensondersteuning, maar is bedoeld als bevordering van de arbeidsparticipatie.

Toeslagjaren 2007 tot en met 2009 en 2011
Belanghebbende heeft verzocht om de toeslagjaren 2007 tot en met 2009 en 2011 alsnog mee te nemen in de herbeoordeling. UHT heeft aan dit verzoek voldaan en in de beschikking van 27 mei 2025 met kenmerk UHT-DCHOA zijn onder andere de toeslagjaren 2007 tot en met 2009 en 2011 behandeld. UHT heeft in haar aanvullende beschouwing van 28 augustus 2025 met behulp van de daarbij ingediende stukken toegelicht waarom zij tot de conclusie is gekomen dat over deze toeslagjaren geen recht op compensatie bestaat.

Over de toeslagjaren 2007 en 2011 zijn geen aanvragen KOT te vinden in de systemen van B/T. UHT komt daarom tot de conclusie dat geen recht op compensatie bestaat.

Over het toeslagjaar 2008 hebben twee neerwaartse bijstellingen plaatsgevonden. De eerste bijstelling, van € 3.422 naar € 1.820, vond plaats op 31 december 2008 en kwam voort uit een stopzetting die belanghebbende per 15 juli 2008 heeft doorgevoerd. De tweede neerwaartse bijstelling, van € 9.763 naar € 6.768, vond plaats op 19 augustus 2009 en kwam voort uit een stijging van het toetsingsinkomen.

Over het toeslagjaar 2009 heeft één neerwaartse bijstelling plaatsgevonden.
Deze bijstelling, van € 18.899 naar € 4.725, vond plaatsop 11 juni 2009 en kwam voort uit een stopzetting per 1 april 2009 die belanghebbende zelf heeft doorgegeven.

Naar het oordeel van de Commissie bestaat over de toeslagjaren 2007 en 2011 geen recht op compensatie, nu geen aanvragen KOT door belanghebbende over deze toeslagjaren te vinden zijn. Over de toeslagjaren 2008 en 2009 bestaat naar het oordeel van de Commissie geen recht op compensatie op grond van vooringenomenheid, nu de neerwaartse bijstellingen over die toeslagjaren naar het oordeel van de Commissie reguliere wijzigingen zijn. Belanghebbende heeft geen bijzondere omstandigheden aannemelijk gemaakt die het toekennen van compensatie op grond van hardheid over deze toeslagjaren rechtvaardigen.
De Commissie adviseert het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.


Proceskostenvergoeding
Nu het bezwaar naar het oordeel van de Commissie ongegrond is en het bestreden besluit in stand kan blijven, adviseert de Commissie om het verzoek om een proceskostenvergoeding in de bezwaarprocedure met betrekking tot de beschikkingen met kenmerk UHT-DC-I A, UHT-DH5 A en UHT-DCHOA af te wijzen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar, gericht tegen de beschikkingen met kenmerk UHT-DC-I A, UHT-DH5 A en UHT-DCHOA, ongegrond te verklaren en het verzoek om toekenning van een proceskostenvergoeding af te wijzen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter