Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2024-15196

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluiten: 19 oktober 2023 (UHT-DCHA)

19 oktober 2023 (UHT-O OGS B)

Hoorzitting: 27 juni 2025 om 10:15 uur

Overdracht advies aan UHT: 3 juli 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om de bezwaren tegen de beschikkingen van 19 oktober 2023 met kenmerken UHT-DCHA en UHT O-OGS B ongegrond te verklaren en geen vergoeding van de kosten van rechtsbijstand toe te kennen.

Onderwerp van advies

De door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschriften zijn gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking beoordeling kinderopvangtoeslag en de definitieve beschikking tegemoetkoming opzet/grove schuld (hierna: O/GS).

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) een O/GS-tegemoetkoming toegekend voor een bedrag van € 1.388 voor het toeslagjaar 2013 en geen compensatie toegekend voor de toeslagjaren 2010 tot en met 2014 op grond van artikel 2.1, lid 1, van de Wht.

Procesverloop

Belanghebbende heeft op 2 april 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) voor het toeslagjaar 2013. Na overleg tussen belanghebbende en UHT zijn de toeslagjaren 2011, 2013 en 2014 in de herbeoordeling betrokken.

  • UHT heeft bij beschikking van 23 juni 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000.
  • UHT heeft bij voorlopige beslissing van 18 september 2023 met kenmerk UHT-VCH A geen compensatie toegekend voor de toeslagjaren 2011, 2013 en 2014.
  • Gemachtigde heeft op 25 september 2023 per e-mail een zienswijze ingediend tegen deze voorlopige beslissing. Daarbij is tevens verzocht om ook de toeslagjaren 2010 en 2012 in de herbeoordeling te betrekken.
  • UHT heeft op 5 oktober 2023 per e-mail een reactie gegeven op de zienswijze.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 5 oktober 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat de compensatieregeling van artikel 2.1, lid 1, van de Wht niet van toepassing is op de toeslagjaren 2010 tot en met 2014. Voor het toeslagjaar 2013 maakt belanghebbende, naar voorlopig oordeel van de Belastingdienst/ Toeslagen (hierna: B/T), wel aanspraak op een O/GS-tegemoetkoming.
  • UHT heeft bij de bestreden beschikking van 19 oktober 2023 met kenmerk UHT-DCHA aan belanghebbende geen compensatie toegekend voor de toeslagjaren 2010 tot en met 2014.
  • UHT heeft bij de bestreden beschikking van 19 oktober 2023 met kenmerk UHT-O OGS B aan belanghebbende een O/GS-tegemoetkoming toekend van € 1.388 voor het toeslagjaar 2013. Omdat belanghebbende reeds € 30.000 heeft ontvangen op grond van de Catshuisregeling volgde geen nabetaling.
  • Gemachtigde heeft bij brieven van 21 november 2023 tegen de bestreden beschikkingen een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 7 november 2024 schriftelijk gereageerd.
  • Gemachtigde heeft op 26 mei 2025 het bezwaar nader aangevuld en een aanvullend stuk overgelegd.
  • Op 27 juni 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat de bezwaarschriften ontvankelijk zijn.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en de bestreden besluiten

Procedurele bezwaren

Belanghebbende voert in bezwaar aan dat UHT handelt in strijd met het beginsel van equality of arms. In haar ogen wordt zij in haar procesbelang geschaad omdat zij niet de beschikking heeft over haar persoonlijk dossier en/of een volledig ouderdossier en daardoor niet over de voor het voeren van bezwaar benodigde documenten beschikt.

De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. De schriftelijke beschouwing en de onderliggende stukken zijn op 31 maart 2025 aan gemachtigde toegezonden. De Commissie vindt dat met het toezenden van deze stukken is voldaan aan de in artikel 7:4, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Dat kan anders zijn als de belanghebbende een duidelijk aanknopingspunt geeft waarom het persoonlijk dossier moet worden afgewacht. De enkele opmerking dat bij onbekendheid van de stukken in dat dossier het zo kán zijn dat er nu relevante informatie ontbreekt, is niet voldoende. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Beoordeling toeslagjaren 2010 tot en met 2014

De Commissie stelt, naar aanleiding van hetgeen tijdens de hoorzitting door gemachtigde naar voren is gebracht, vast dat enkel nog de vraag dient te worden beantwoord of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie voor de toeslagjaren 2011 en 2013 af te wijzen

Beoordeling afwijzing compensatie toeslagjaren 2011 en 2013
Belanghebbende voert aan dat zij het niet eens is met de afwijzing van haar verzoek om compensatie, en meent dat in de toeslagjaren 2011 en 2013 sprake is geweest van vooringenomenheid. Ten aanzien van het toeslagjaar 2011 betwist zij dat zij zelf wijzigingen aan B/T heeft doorgegeven, en stelt zij dat zij in augustus 2011 is begonnen met haar studie en vanaf dat moment afhankelijk was van KOT. Ten aanzien van het toeslagjaar 2013 uit zij twijfels over de opvanggegevens zoals geregistreerd in de koi-viewer en wijst zij erop dat B/T ten onrechte heeft nagelaten om, voordat de KOT werd verlaagd op basis van deze gegevens, een nadere uitvraag bij haar te doen.

De Commissie overweegt als volgt. Voor compensatie komt, ingevolge het bepaalde in de Wht, kortweg, in aanmerking de ouder waarvan aannemelijk is dat de vaststelling van zijn of haar aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van een institutioneel vooringenomen handelwijze of van hardheid van B/T.

Voor het toeslagjaar 2011 heeft een neerwaartse bijstelling plaatsgevonden naar aanleiding van een stopzetting van de opvang bij kinderopvanginstelling Fleks, door of namens belanghebbende, op 13 juli 2011 met ingang van 20 juni 2011 (productie 1211006 met daarin het XML-bestand over de stopzetting). Dat in het desbetreffende XML-bestand de DigiD-gegevens van belanghebbende ontbreken is naar de mening van de Commissie niet van betekenis temeer nu deze stopzetting overeenkomt met de opvanggegevens zoals geregistreerd in de koi-viewer (productie 1211014). Op 15 juli 2011 is vervolgens door of namens belanghebbende opnieuw een aanvraag voor KOT ingediend, met ingang van
1 september 2011 (productie 1211007). Voor zover belanghebbende stelt dat zij vanaf 1 augustus 2011 afhankelijk was van KOT wegens haar studie, merkt de Commissie op dat eventuele omissies in de aanvraag KOT slechts via een herzieningsverzoek kunnen worden gecorrigeerd. De Wht voorziet enkel in compensatie wegens vooringenomen handelen, hardheid of een onterechte O/GS-kwalificatie, en biedt geen ruimte voor correctie van een onjuiste vaststelling van de KOT.

Voor het toeslagjaar 2013 heeft een neerwaartse bijstelling plaatsgevonden naar aanleiding van de opvanggegevens zoals opgenomen in de koi-viewer. Uit de opvanggegevens in de koi-viewer blijkt dat opvang heeft plaatsgevonden van
1 januari tot en met 28 juni 2013 (productie 1213007). Voor zover belang-hebbende stelt dat B/T eerst een uitvraag had moeten doen voordat de KOT werd verlaagd op basis van de koi-viewer overweegt de Commissie als volgt.
Een verlaging van de KOT op basis van gegevens uit de koi-viewer kan niet als vooringenomen handelen worden aangemerkt, tenzij B/T op basis van de beschikbare informatie redelijkerwijs had moeten twijfelen aan de juistheid van die gegevens. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden die aanleiding geven te twijfelen aan de opvanggegevens zoals geregistreerd in de koi-viewer.

Gelet op het voorgaande, en bij gebrek aan duidelijke, in een andere richting wijzende gegevens, is de Commissie van opvatting dat niet aannemelijk is geworden dat er bij de behandeling van de KOT voor de toeslagjaren 2011 en 2013 sprake is geweest van vooringenomen handelen dan wel hardheid door B/T.
Voor zover over deze toeslagjaren terugvorderingen hebben plaatsgevonden, zijn deze – zoals hierboven uiteengezet – het gevolg van te hoge voorschotten die op basis van reguliere bijstellingen opnieuw zijn berekend. Hoewel de Commissie begrip heeft voor het ongemak dat de bijstellingen voor belanghebbende met zich hebben meegebracht, zijn deze conform de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoet-koming. De Commissie adviseert UHT daarom om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

O/GS-tegemoetkoming
Belanghebbende voert aan dat het totaalbedrag dat zij voor het toeslagjaar 2013 heeft moeten terugbetalen hoger is geweest dan € 4.624. Voorts stelt zij dat de O/GS-tegemoetkoming dient te worden berekend op basis van beschikking T1300011, die ziet op een bedrag van € 9.042.

De Commissie stelt, op grond van het dossier, vast dat voor het toeslagjaar 2013 sprake is van een onterechte O/GS-kwalificatie (productie 1300001). Ingevolge artikel 2.6, lid 2, van de Wht bedraagt de O/GS-tegemoetkoming 30% van het bedrag van de terugvordering. De desbetreffende terugvorderingsbeschikking (t.36.0131) heeft betrekking op een terugvorderingsbedrag van € 4.624. De Commissie concludeert dan ook dat de aan belanghebbende toegekende O/GS-tegemoetkoming van € 1.388 zijnde 30% van € 4.624 overeenkomstig artikel 2.6, lid 2, van de Wht is vastgesteld. De Commissie adviseert UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Beslagvrije voet toeslagjaren 2010 tot en met 2014
Belanghebbende stelt dat B/T in de toeslagjaren 2010 tot en met 2014 geen rekening heeft gehouden met haar beslagvrije voet en dat daarom sprake is van hardheid van het stelsel.

De Commissie overweegt dat de KOT expliciet is uitgesloten van de beslagvrije voet in artikel 475c sub j Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De vraag of, en in hoeverre, rekening is gehouden met de beslagvrije voet bij verrekeningen met andere toeslagen, valt buiten de reikwijdte van de begrippen vooringenomen handelen en hardheid van het stelsel binnen het kader van de Wht en daarmee buiten de reikwijdte van de huidige bezwaarprocedure. De Commissie adviseert het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

Algemene beginselen van behoorlijk bestuur
Belanghebbende stelt dat sprake is geweest van schending van het motiverings-beginsel.

Met de door UHT in bezwaar ingediende beschouwing en de overgelegde stukken – waaronder een uitgebreide uitleg met behulp van de Landelijke Incasso Centrum (LIC) overzichten - en de overige producties, is in ieder geval thans geen sprake van strijd met het door belanghebbende genoemde algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. De vraag of die strijd er wel was ten tijde van de bestreden beschikkingen behoeft in dit geval geen beantwoording. Wat nader is onderbouwd en uiteengezet omtrent de voorbereiding en motivering van de bestreden beschikking leidt immers niet tot het herroepen daarvan.

Voor aanvullende schadevergoeding naar de Commissie Werkelijke Schade
Belanghebbende voert aan dat zij gevolgschade heeft geleden door het handelen van B/T.

De Commissie overweegt dat deze bezwaarprocedure slechts betrekking heeft op de toekenning van een standaardvergoeding en niet op de vergoeding van werkelijke schade. Indien belanghebbende meent dat zij meer schade heeft geleden dan kan zij daarvoor bij de Commissie Werkelijke Schade een verzoek indienen om vergoeding te vragen van aanvullende werkelijke schade zoals omschreven in artikel 2.1, lid 3, van de Wht.

Vergoeding van de kosten van rechtsbijstandGemachtigde heeft verzocht om een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand voor deze bezwaarprocedure.
Nu de bezwaren volgens de Commissie, de hiervoor geformuleerde vraag bevestigend beantwoordend, ongegrond zijn komen deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie UHT om:

  • de bezwaren tegen de beschikkingen van 19 oktober 2023 met kenmerken UHT-DCHA en UHT-O OGS B ongegrond te verklaren;
  • en geen vergoeding van de kosten van rechtsbijstand toe te kennen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter