BAC 2025-15300
Publicatiedatum 05-02-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Dienst Toeslagen / Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen
(hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 30 november 2023 (UHT DCHA)
Hoorzitting: 10 juni 2025 om 14:15 uur
Overdracht advies aan UHT: 17 juli 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift van 28 december 2023 is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking beoordeling kinderopvangtoeslag van 30 november 2023 met kenmerk UHT DCHA.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2006 tot en met 2011.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 25 januari 2021 en op 5 februari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2007 tot en met 2009.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 13 november 2023 UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
- UHT heeft bij bestreden beschikking van 30 november 2023 met kenmerk UHT DCHA aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2006 tot en met 2011.
- Gemachtigde heeft bij brief van 28 december 2023 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 19 december 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 26 mei 2025 heeft gemachtigde aanvullende gronden ingediend.
- Op 3 juni 2025 heeft UHT een nadere schriftelijke reactie ingediend.
- Op 10 juni 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 23 juni 2025 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft daar op 1 juli 2025 op gereageerd en daarbij aanvullende vragen gesteld. UHT heeft hier op 2 juli 2025 per e-mail op gereageerd en verwijst naar haar eerdere schriftelijke reacties. Die reactie is op 4 juli 2025 ter kennisgeving aan gemachtigde toegezonden.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en 2 commissieleden.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel
Belanghebbende meent dat bij de voorbereiding en totstandkoming van het besluit niet de vereiste zorgvuldigheid in acht is genomen.
De Commissie overweegt dat UHT de bestreden beslissing inderdaad niet uitvoerig heeft toegelicht, maar dat dit niet impliceert dat er van een gebrekkige motivering dan wel onzorgvuldigheid sprake is.
De Commissie is van mening dat door middel van het indienen van het schriftelijke verweer, een uitgebreide uitleg met behulp van het invul- en beoordelings-formulier, beschikkingen, overzichten van het Landelijk incassocentrum (hierna: LIC) en overige producties, het bestreden besluit voldoende is onderbouwd. Op dit punt treft het bezwaar geen doel.
Ontbrekende stukken/volledige dossier/equality of arms
Gemachtigde stelt dat zonder het volledige persoonlijke dossier niet kan worden beoordeeld of alle relevante stukken aanwezig zijn. De Commissie volgt dit standpunt niet. De (nadere) schriftelijke reacties en de op de zaak betrekking hebbende stukken zijn aan gemachtigde toegezonden. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat hier niet is voldaan aan de in artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Compensatie voor continuatie en verzoek extra waarborgen in aanvraagsysteem Gemachtigde geeft aan dat sprake is van vooringenomenheid en heeft verbeterpunten voor het aanvraagsysteem.
De Commissie merkt op dat deze bezwaargrond buiten het bestek van de Wht en de bevoegdheid van de Commissie valt. De door gemachtigde gestelde omstandigheden kunnen, gelet op het hier toepasselijke regelgevende kader, niet tot het door belanghebbende gewenste resultaat leiden. De Commissie kan daarom niet aan dit verzoek voldoen.
Geen compensatie
Belanghebbende stelt dat zij wel recht heeft op compensatie.De Commissie overweegt dat niet aannemelijk is geworden dat bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT over de toeslagjaren 2006 tot en met 2011 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) dan wel hardheid van het stelsel als bedoeld in de Wht. De (hoogte van de) terugvorderingen KOT zijn door UHT in de schriftelijke reactie nader onderbouwd en deze komen voort uit reguliere wijzigingen. De bijstellingen zijn daarmee conform de wet uitgevoerd.
Dergelijke bijstellingen geven, gelet op artikel 2.1, lid 1, onder b, Wht, in beginsel geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming.
Belanghebbende komt voor deze jaren dus niet in aanmerking voor compensatie op grond van de Wht. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Beslagvrije voet
Belanghebbende heeft gesteld dat B/T bij de terugvorderingen geen rekening heeft gehouden met de beslagvrije voet, terwijl daar wel gegevens over voorhanden waren bij B/T. Daarom is in haar ogen sprake van hardheid bij de toepassing van het toeslagenstelsel door B/T. De Commissie merkt op dat de algemene stellingname dat geen rekening is gehouden met de beslagvrije voet, onvoldoende is om hardheid van het stelsel aan te nemen. Daarnaast heeft de Commissie geen aanknopingspunten gevonden die de stellingname van belanghebbende onderschrijven.
Uit de wetsgeschiedenis van de Wht en systematiek van de compensatieregeling kan bovendien niet worden afgeleid dat de wetgever bij hardheid situaties van verrekening voor ogen heeft gehad. Die situatie wordt immers niet expliciet door de wetgever genoemd. Bij de bepaling van de hoogte van de compensatie in de artikelen 2.2 en 2.3 Wht wordt voorts aangesloten bij het bedrag van de weigering, terugvordering of stopzetting van KOT die een direct gevolg is van onder andere hardheid. De verrekening van een op zichzelf terechte terugvordering of stopzetting valt daar niet onder. Dat is verder ook met zoveel woorden terug te lezen in de memorie van toelichting. Daarin staat: Bij gedupeerden door een onterechte O/GS-kwalificatie waren de terugvorderingen op zichzelf niet onterecht, dus deze worden niet gecompenseerd. Wel krijgen de ouders een financiële tegemoetkoming voor het ondervonden nadeel van 30% van de betreffende terugvorderingen (Kamerstukken II 2021–2022, 36 151, nr. 3, p. 14). Daar komt bij dat in de wetsgeschiedenis, namelijk in de nota naar aanleiding van het verslag, wordt opgemerkt dat de reikwijdte van de hardheidsregeling bewust enigszins beperkt is gehouden en dat eventuele uitbreidingen een nieuwe bewuste afweging van de wetgever vergen (Kamerstukken II 2021-2022, 36 151, nr. 7,
p. 14).De Commissie acht het bezwaar op dit punt daarom ongegrond.
Niet beoordeelde jaren
Belanghebbende heeft tijdens de hoorzitting UHT verzocht om de herbeoordeling van de jaren 2012 tot en met 2014 in te trekken en verzoekt om een herbeoordeling van het toeslagjaar 2005.
Uit de nadere schriftelijke reactie van UHT van 23 juni 2025 blijkt dat voor het toeslagjaar 2005 belanghebbende geen KOT heeft aangevraagd. Belanghebbende komt daarom voor het jaar 2005 niet in aanmerking voor compensatie op grond van de Wht. De Commissie adviseert UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Vergoeding proceskosten
Met betrekking tot de kosten van de rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure geldt dat, nu het bezwaar in de visie van de Commissie ongegrond is, belanghebbende geen recht heeft op vergoeding.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek om proceskostenvergoeding af te wijzen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter