BAC 2024-15179
Publicatiedatum 09-02-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 5 oktober 2023 met kenmerk UHT-DCHOA
Hoorzitting: 24 april 2025
Overdracht advies aan UHT: 14 juli 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en het bestreden besluit ongewijzigd in stand laten. De Commissie adviseert om het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen beschikking met kenmerk UHT-DCHOA van
5 oktober 2023.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen vergoeding toegekend voor de toeslagjaren 2005 tot en met 2014.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 20 juli 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de toeslagjaren 2013 tot en met 2015. Op verzoek van gemachtigde is de herbeoordeling gewijzigd naar de toeslagjaren 2005 tot en met 2014.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 18 augustus 2023 aan UHT toegestuurd. CvW heeft geadviseerd dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of hardheid.
- Bij beschikking met kenmerk UHT-VCH A van 13 september 2023 heeft UHT aan belanghebbende medegedeeld dat zij vooralsnog geen recht heeft op één van de drie herstelregelingen.
- Bij beschikking met kenmerk UHT-DCHOA van 5 oktober 2023 heeft UHT aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op een vergoeding voor de toeslagjaren 2005 tot en met 2014.
- Gemachtigde heeft bij brief van 26 oktober 2023 tegen deze beschikking bezwaar gemaakt.
- UHT heeft op 9 september 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 24 april 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter dit advies is gevoegd.
- Op 7 mei 2025 heeft UHT, zoals verzocht door de Commissie, een aanvullende beschouwing overgelegd, met daarbij aanvullende stukken. Op 19 mei 2025 heeft gemachtigde hierop gereageerd, onder verwijzing naar aanvullende stukken. Voor het toesturen van een aanvullend stuk heeft de Commissie gemachtigde een nadere termijn gegund. De Commissie heeft gemachtigde twee maal gerappelleerd, maar geen aanvullend stuk ontvangen.
- Op 27 mei 2025 heeft UHT een tweede aanvullende beschouwing overgelegd. Op deze tweede aanvullende beschouwing heeft de Commissie geen reactie van gemachtigde ontvangen. In belang van belanghebbende ziet de Commissie zich genoodzaakt tot advisering over te gaan.
- De Commissie, bestaande uit de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid, heeft het bezwaar van belanghebbende behandeld en het hierna volgende advies aan UHT opgesteld.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Compleetheid dossier en motivering besluit
Belanghebbende stelt dat de onderliggende stukken die ten grondslag liggen aan de bestreden beschikking van 5 oktober 2023 ontbreken. Derhalve is de bestreden beschikking onvoldoende gemotiveerd.
De Commissie onderschrijft het ingenomen standpunt van UHT ten aanzien van de motivering van het besluit en de zorgvuldigheid van het hieraan ten grondslag liggende onderzoek. Ter voorbereiding van de definitieve compensatiebeschikking zijn het recht op compensatie en de bedragen in de compensatieberekening vastgesteld aan de hand van de gegevens die UHT tot haar beschikking had.
De gegevens zijn afkomstig van onder meer voorschotbeschikkingen, herzieningsbeschikkingen, definitieve beschikkingen, een SAS-rapport, RKT-bestanden, uitdraaien van de KOI-viewer, uitdraaien van de tijdlijn lasten kinderopvang, uitdraaien van persoonsrelaties, overzichten van het Landelijk Incassocentrum en van correspondentie. De Commissie is daarom van oordeel dat het bestreden besluit door middel van het indienen en delen van een schriftelijke reactie en de bijbehorende producties met gemachtigde op 2 december 2024, alsmede de aanvullende beschouwingen die UHT de Commissie na de hoorzitting heeft toegestuurd en waar onder meer de LIC-overzichten over de toeslagjaren 2006 tot en met 2014 en informatie met betrekking tot de stopzetting van de KOT bij zijn gevoegd, voldoende inzichtelijk is gemaakt en gemotiveerd. De Commissie acht het bezwaar op dit punt ongegrond.
Artikel 6 EVRM, recht op een eerlijk proces
Belanghebbende voert aan dat geen sprake is van ‘equality of arms’, zoals opgenomen in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), omdat zij niet de beschikking heeft over haar volledige dossier. De Commissie is een onafhankelijke bezwaarschriftenadviescommissie in de zin van artikel 7:13 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Voor de procedure bij de Commissie gelden de processuele waarborgen van de Awb. Op grond van artikel 7:4 lid 2 Awb heeft belanghebbende voorafgaand aan de hoorzitting bij de Commissie recht op afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken. Deze stukken heeft belanghebbende in de vorm van een bezwaardossier op 2 december 2024 ontvangen en heeft zij de gelegenheid gekregen en daarvan gebruik gemaakt om haar standpunt uiteen te zetten. De Commissie acht het bezwaar op dit punt ongegrond.
Hardheid
Belanghebbende voert aan dat zij op grond van hardheid in aanmerking komt voor een compensatie van de schade die zij heeft geleden als gevolg van de verrekeningen van de terugvorderingen over de toeslagjaren 2005 tot en met 2014 met de nadien toegekende toeslagen (waaronder de toegekende KOT).
De Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) heeft bij deze verrekeningen geen rekening gehouden met de beslagvrije voet. De toeslagen (waaronder de toegekende KOT) zijn niet (volledig) aan belanghebbende uitbetaald, omdat de KOT-schuld over de genoemde toeslagjaren hiermee zijn verrekend. De Commissie overweegt dat deze verrekeningen onderdeel zijn van de uitvoering die aan de KOT is gegeven.
Het verrekenen van terechte terugvorderingen levert geen reden tot compensatie op grond van hardheid op. De situatie van verrekening wordt niet expliciet door de wetgever genoemd. Evenmin kan uit de wetsgeschiedenis van de Wht en systematiek van de compensatieregeling worden afgeleid dat de wetgever dergelijke gevallen voor ogen heeft gehad. Bij de bepaling van de hoogte van de compensatie in de artikelen 2.2 en 2.3 Wht wordt aangesloten bij het bedrag van de weigering, terugvordering of stopzetting van KOT die een direct gevolg is van onder andere hardheid. De verrekening van een op zichzelf terechte terugvordering of stopzetting valt daar niet onder. Daar komt bij dat in de wetsgeschiedenis, namelijk in de nota naar aanleiding van het verslag, wordt opgemerkt dat de reikwijdte van de hardheidsregeling bewust enigszins beperkt is gehouden en dat eventuele uitbreidingen een nieuwe bewuste afweging van de wetgever vergen (Kamerstukken II 2021-2022, 36 151, nr. 7, p. 14). Aan de bezwaargrond dat de B/T bij de verrekeningen geen rekening heeft gehouden met de beslagvrije voet, komt de Commissie gelet op wat hiervoor is overwogen dan ook niet toe.
De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Toeslagjaar 2007
Belanghebbende stelt dat voor wat betreft het toeslagjaar 2007 sprake is van vooringenomen handelen van B/T omdat geen uitvraag is gedaan nadat is gebleken dat de informatie op het antwoordformulier niet overeenkomt met de informatie in de meegestuurde stukken als reactie op een verzoek om informatie. Volgens belanghebbende levert dit strijd op met artikel 3:2 Awb en verwijst zij naar het Handboek Vaktechniek van UHT omtrent de wijze van verwerking van de informatie.
De Commissie overweegt dat niet aannemelijk is geworden dat bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor toeslagjaar 2007 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door de B/T dan wel hardheid van het stelsel. De terugvordering KOT over toeslagjaar 2007 van 14 mei 2010 was gelegen in een te hoog voorschot, dat op basis van reguliere wijzigingen opnieuw is berekend. Na bezwaar van belanghebbende is de KOT voor 2007 op 15 juli 2010 weer verhoogd, nadat was gebleken dat belanghebbende toch meer opvanguren had afgenomen. Deze bijstellingen zijn conform de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hier ten aanzien van belanghebbende anders over te oordelen. Verder is ook geen sprake geweest van een onterechte kwalificatie O/GS, zodat ook hierop geen aanspraak kan worden gemaakt. De Commissie heeft geen informatie in het Handboek Vaktechniek van UHT gevonden die erop duidt dat B/T de informatie op een onjuiste wijze heeft verwerkt. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Buitenschoolse opvang zoon van belanghebbende 2005-2008
Belanghebbende voert aan dat in de periode 2005 tot en met 2008 buitenschoolse opvang is afgenomen voor de zoon van belanghebbende. Uit zowel het dossier als de overgelegde LIC-overzichten blijkt dat er betalingen zijn geweest aan Kinderopvanginstelling X, maar voor welke kinderen de KOT is betaald, komt hieruit niet naar voren. De Commissie overweegt dat uit deze informatie niet blijkt dat de genoemde kinderopvang voor de zoon is geweest. UHT en belanghebbende hebben de Commissie niet van informatie voorzien die in een andere richting wijst. De Commissie acht deze bezwaargrond daarom ongegrond.
Toeslagjaar 2014
Belanghebbende stelt dat de stopzetting van 2014 niet klopt, omdat zij zich niet kan herinneren dat zij die stopzetting heeft doorgevoerd en in het dossier hierover ook geen documentatie te vinden is. Daarnaast is zij van mening dat de melding niet aan haar gerelateerd kan worden. UHT heeft op verzoek van de Commissie stukken overgelegd die de stopzetting van 2014 betreffen. Hieruit blijkt dat de stopzetting via het Burgerportaal is ontvangen waarbij het brontype ‘07-Burger’ is en de inhoud van de melding ‘009-Burger zet toeslag stop’ is. Het BSN van belanghebbende is gebruikt. Daarom overweegt de Commissie dat de stopzetting door belanghebbende moet zijn doorgevoerd of door iemand die namens haar gemachtigd was om dit te doen. De Commissie adviseert UHT om het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Proceskostenvergoeding
Belanghebbende heeft een verzoek gedaan tot vergoeding van de door haar gemaakte proceskosten. Voor de proceskosten in deze bezwaarprocedure heeft belanghebbende, nu de bezwaren naar het oordeel van de Commissie ongegrond zijn, geen recht op vergoeding.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om:
- het bezwaar ongegrond te verklaren en het bestreden besluit ongewijzigd in stand te laten;
- het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter