BAC 2024-15172
Publicatiedatum 12-02-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 19 oktober 2023 (UHT-HD CWS)
Hoorzitting: 4 april 2025 om 11:15 uur
Overdracht advies aan UHT: 25 april 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen beschikking aanvullende werkelijke schadevergoeding na advies van de Commissie Werkelijke Schade (hierna: CWS). Bij deze beschikking is aan belanghebbende geen aanvullende werkelijke schadevergoeding toegekend.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 18 juni 2020 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2008 tot en met 2010.
- Op 5 november 2021 heeft belanghebbende een verzoek om aanvullende schadevergoeding ingediend bij CWS.
- UHT heeft bij beschikking van 19 mei 2022 aan belanghebbende een definitief compensatiebedrag toegekend van € 21.026,-. Omdat reeds € 30.000,- is toegekend, volgt geen nabetaling. Door belanghebbende is bezwaar gemaakt tegen deze beschikking. Op het bezwaar is nog niet beslist.
- Op 28 september 2023 heeft CWS geadviseerd geen aanvullende schadevergoeding toe te kennen.
- Bij beschikking van 19 oktober 2023 met kenmerk UHT-HD CWS (hierna: de bestreden beschikking) heeft UHT het advies van CWS overgenomen.
- Belanghebbende heeft bij brief van 20 november 2023 tegen de bestreden beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- Gemachtigde heeft bij brief van 20 december 2023 het bezwaarschrift van belanghebbende aangevuld.
- Op 24 maart 2024 heeft UHT aanvullende vragen gesteld aan CWS.
- Op 26 april 2024 heeft CWS een aanvullend advies uitgebracht. CWS heeft het eerdere advies om geen aanvullende vergoeding van de schade toe te kennen gehandhaafd.
- UHT heeft op 13 juni 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 22 november 2024 heeft UHT in een aanvullende beschouwing de bestreden beschikking getoetst aan het nieuwe beleidskader van CWS van 1 juli 2024 (hierna: het nieuwe schadekader).
- Op 4 april 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de beantwoording van de vraag of UHT terecht geen aanvullende schadevergoeding heeft toegekend. Zij doet dat aan de hand van de bezwaargronden van belanghebbende.
Toetsingskader
In het kader van de hersteloperatie kinderopvangtoeslag biedt de wet gedupeerde ouders de mogelijkheid - naast de (deels) forfaitaire compensatie - ook een verzoek tot vergoeding van aanvullende compensatie voor werkelijke schade te doen. Dit verzoek kan door de gedupeerde ouder worden ingediend bij CWS. Artikel 2.1, derde lid, Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) vermeldt de gang van zaken rondom de indiening van dit verzoek, dat met toepassing van het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht wordt beoordeeld (zie ook Afdeling Bestuursrechtspraak 27 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3620). De gedupeerde ouder dient daarbij informatie te verschaffen waaruit aannemelijk wordt i) dat en in welke mate daadwerkelijk sprake is van aanvullende schade en ii) dat die schade het gevolg is van de handelswijze van de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) waarvoor de ouder al gecompenseerd is.
Omdat CWS is ingesteld om gedupeerde ouders de gang naar de rechter te besparen, dient de adviesprocedure tegemoet te komen aan de eisen van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6, lid 1 EVRM.
Nadat CWS heeft beoordeeld of een gedupeerde ouder recht heeft op aanvullende compensatie, wordt het advies uitgebracht aan UHT. UHT mag zich op het onderzoek van CWS baseren, nadat ze zich ervan vergewist heeft dat het advies zorgvuldig tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten.
UHT kan ter motivering van haar besluit over aanvullende compensatie volstaan met verwijzing naar het advies van CWS, als het advies zelf de motivering bevat en van het advies kennis is of wordt gegeven. Het is mogelijk dat UHT in uitzonderlijke gevallen tot een beslissing komt die ten nadele van de belanghebbende afwijkt van het advies van CWS, maar dit moet dan goed onderbouwd worden.
In een bezwaarprocedure als de onderhavige beoordeelt de Commissie of UHT op een juiste wijze invulling heeft gegeven aan de vergewisplicht. Deze toets vindt in beginsel plaats aan de hand van de door belanghebbende ingediende gronden van het bezwaar. In het geval dat UHT in negatieve zin is afgeweken van het advies van CWS, beoordeelt de Commissie of dit goed onderbouwd heeft plaatsgevonden.
De Commissie zal aan de hand van deze uitgangspunten beoordelen of UHT zich in dit geval kon baseren op het advies van CWS.
Schadeposten
CWS heeft een vergoeding van € 5.500,- toegekend voor de immateriële schade van belanghebbende en van zijn partner. Na aftrek van de in de compensatiebeschikking van 19 mei 2022 toegekende vergoeding voor immateriële schade (€ 11.500,-) en het surplus van de Catshuisregeling (€ 8.974,-), is de aanvullende schadevergoeding vastgesteld op € 0.
CWS heeft de overige door belanghebbende verzochte schadeposten (vergoeding voor de immateriële schade van de kinderen en een vergoeding van de inkomensschade van zijn partner) afgewezen. In bezwaar heeft belanghebbende tevens verzocht om vergoeding van zijn inkomensschade en een vergoeding van de kosten voor zijn emigratie naar Turkije. Bij de bestreden beschikking zijn deze schadeposten afgewezen.
In de aanvullende schriftelijke beschouwing heeft UHT aangegeven dat belanghebbende, op grond van het nieuwe schadekader, in aanmerking komt voor forfaitaire vergoedingen van € 300,- en € 200,- voor respectievelijk regelzaken rondom de problematiek met de KOT en voor de bezwaarprocedure tegen de onterechte lage vaststelling van de KOT. Daarnaast wordt de vergoeding voor immateriële schade bijgesteld naar € 8.500,-. Na verrekening van voornoemde bedragen met de in de compensatiebeschikking toegekende vergoeding voor immateriële schade en het surplus van de Catshuisregeling, blijft de aanvullende schadevergoeding nog steeds € 0.
UHT heeft tevens aangegeven dat belanghebbende op grond van het nieuwe schadekader recht heeft op een vaste vergoeding van € 500,- (inclusief wettelijke rente) voor de tijd en kosten die belanghebbende kwijt is aan de procedure bij de CWS. Gelet op de aard van deze kosten vallen deze niet onder de aanvullende werkelijke schade en worden deze daarom apart vergoed om verrekening met al ontvangen compensatie en/of tegemoetkomingen te voorkomen. De Commissie gaat ervan uit dat UHT deze toezegging bij de beslissing op bezwaar gestand doet.
Inkomensschade partner
Belanghebbende stelt, in de kern weergegeven, dat UHT een vergoeding dient toe te kennen van € 131.351,45 voor de geleden en nog te lijden inkomensschade van zijn partner. Volgens belanghebbende zijn de gezondheidsklachten van zijn partner, die aanvankelijk een fysiek karakter hadden, na ontvangst van de stopbrief van B/T van 24 december 2010 psychisch van aard geworden.
CWS acht het niet aannemelijk dat de inkomensschade van de partner van belanghebbende is veroorzaakt door de problemen met de KOT. Volgens CWS is het niet duidelijk wanneer de gestelde psychische klachten van de partner van belanghebbende zijn ontstaan. Uit het dossier volgt dat zij reeds voor de stopbrief van 24 december 2010 is doorverwezen naar GGZ instelling X. Het bezwaar van belanghebbende tegen de stopbrief is gegrond verklaard op 27 mei 2014. Hangende de bezwaarprocedure hebben belanghebbende en zijn partner geen terugvorderingsbeschikking ontvangen.
De Commissie is van opvatting dat UHT het daartoe strekkende advies van CWS mocht overnemen. Daartoe overweegt de Commissie dat de problemen met de KOT zich hebben beperkt tot de stopbrief van 24 december 2010. Belanghebbende en zijn partner hebben geen terugvorderingsbeschikking ontvangen en de KOT over 2009 is volledig uitbetaald. Belanghebbende en zijn partner hebben dan ook van de stopbrief geen financiële gevolgen ondervonden. Niet aannemelijk is geworden dat de gezondheidsklachten van de partner van belanghebbende zijn toe te rekenen aan de problemen met de KOT. In het bezwaarschrift zijn geen feiten en omstandigheden aangevoerd die leiden tot de conclusie dat de gezondheidsklachten van de partner van belanghebbende veroorzaakt zijn door de problemen met de KOT. Ook ter zitting is een (medische) onderbouwing ten aanzien van het gestelde causaal verband uitgebleven. Tegen deze achtergrond is de Commissie van opvatting dat het standpunt van belanghebbende dat CWS een onafhankelijk medisch adviseur had moeten inschakelen door UHT niet kon worden gevolgd. Ook heeft UHT gelet hierop het standpunt van CWS dat het causaal verband tussen de problemen met de KOT en de gestelde inkomensschade onvoldoende is onderbouwd, kunnen volgen. De Commissie adviseert UHT om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Inkomensschade belanghebbende
Belanghebbende voert aan dat hij in de periode van 2009 tot en met 2020 minder heeft gewerkt om voor zijn partner te kunnen zorgen, wat heeft geleid tot inkomensschade ter hoogte van € 83.149,-.
CWS stelt dat, aangezien er geen causaal verband bestaat tussen de problemen met de KOT en de gezondheidsproblemen van de partner van belanghebbende, de daarop gebaseerde inkomensschade van belanghebbende evenmin is toe te rekenen aan de KOT-problematiek. De Commissie acht deze redenering van CWS zowel begrijpelijk als navolgbaar en is daarom van oordeel dat UHT op dit punt het advies heeft mogen volgen. Ook heeft de Commissie in hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd geen aanknopingspunten kunnen vinden voor het standpunt dat het gestelde inkomensverlies op enige wijze veroorzaakt is door handelen van B/T. Naar de opvatting van de Commissie heeft UHT daarnaast terecht geconstateerd dat het ontbreekt aan een concrete onderbouwing van de gestelde inkomensschade. Bij deze stand van zaken ziet de Commissie onvoldoende redenen om UHT anders te adviseren dan tot het ongegrond verklaren van het bezwaar op dit punt.
Vergoeding voor immateriële schade
Belanghebbende stelt dat zijn kinderen tevens recht hebben op een vergoeding voor immateriële schade ter hoogte van € 8.000,-. De kinderen hebben stress, trauma en verdriet ervaren omdat het gezin onvoldoende financiële middelen heeft gehad om op vakantie te gaan en om cadeaus, speelgoed of kleding te kunnen kopen, aldus belanghebbende.
CWS heeft geadviseerd een vergoeding voor immateriële schade van € 5.500,- aan belanghebbende en zijn partner toe te kennen en geen vergoeding toe te kennen aan de kinderen, omdat een causaal verband tussen het handelen van B/T en het gebrek aan financiële middelen (als gevolg van de ziekte van de partner van belanghebbende en het verlies van werk) ontbreekt. Met toepassing van het nieuwe schadekader ziet UHT aanleiding ook een vergoeding toe te kennen voor de immateriële schade van de kinderen ter hoogte van € 3.000,-. Vanwege de verrekening met de in de compensatiebeschikking toegekende vergoeding voor immateriële schade en het Catshuissurplus, komt deze aangepaste vergoeding niet tot een uitbetaling.
De Commissie ziet in de stellingname van belanghebbende geen aanleiding om aan te nemen dat een hogere vergoeding voor immateriële schade van de kinderen op zijn plaats is. De Commissie kan immers CWS volgen in het oordeel dat een causaal verband tussen het handelen van B/T en de stelling dat het gezin onvoldoende financiële middelen heeft gehad om cadeaus, speelgoed of kleding te kunnen kopen onvoldoende aannemelijk is geworden. De Commissie herhaalt dat de problemen met de KOT zich hebben beperkt tot een stopbrief. Voor zover sprake was van een gebrek aan financiële middelen, heeft belanghebbende in bezwaar niet toegelicht waarom dat aan B/T zou zijn toe te rekenen. De Commissie ziet daarom geen aanleiding voor een oordeel dat afwijkt van het advies dat CWS en adviseert UHT dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren. De Commissie merkt tevens op dat UHT in het kader van de 'kindregeling' bij brieven van 12 juli 2023 aan de kinderen een vergoeding heeft toegekend van € 8.000 en €6.000.
Verhuiskosten
Belanghebbende stelt als gevolg van de problemen met de KOT genoodzaakt te zijn geweest naar Turkije te emigreren en verzoekt om vergoeding van de verhuiskosten ter hoogte van € 10.000,-. UHT acht het onvoldoende aannemelijk dat belanghebbende als gevolg van de KOT-problematiek gedwongen was om naar Turkije te emigreren. Daartoe overweegt UHT dat de hiervoor aangehaalde stopbrief geen financiële gevolgen voor belanghebbende heeft gehad. Volgens UHT heeft de emigratie daarnaast geruime tijd na de problemen met de KOT plaatsgevonden - tien jaar na de verzending van de stopbrief en zeven jaar na de gegrondverklaring van het daartegen gerichte bezwaar - zodat van een verband met de KOT-problematiek geen sprake is. De Commissie deelt de opvatting van UHT op dit punt en ziet in wat belanghebbende naar voren heeft gebracht geen aanknopingspunten om daarvan af te wijken. De Commissie adviseert dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Geen proceskostenvergoeding bij wijziging schadekader
Ingevolge artikel 7:15 Awb wordt een proceskostenvergoeding toegekend indien het bestreden besluit wordt herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Daar is in deze bezwaarprocedure geen sprake van, nu de beschikking bij beslissing op bezwaar wordt aangepast naar aanleiding van een wijziging van het schadebeleid van CWS. Een vergoeding voor de gemaakte proceskosten is daarom niet aan de orde.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om:
- het bezwaar ongegrond te verklaren, en om;
- de aanvullende vergoeding van € 500,- op grond van het gewijzigde schadekader van CWS toe te kennen, zoals door UHT omschreven in haar aanvullende beschouwing van 22 november 2024.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter