Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2024-15169

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluiten: 15 juni 2022 (UHT-DC I) en 17 november 2023 (UHT-HD CWS)

Hoorzitting: 20 juni 2025 om 11:00 uur

Overdracht advies aan UHT: 21 juli 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaarschrift gericht tegen de beschikking van 15 juni 2022 met kenmerk UHT DC-I gedeeltelijk gegrond te verklaren en het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen. Voorts adviseert de Commissie UHT om het bezwaarschrift gericht tegen de beschikking van 17 november 2023 met kenmerk UHT-HD CWS ongegrond te verklaren.

Onderwerp van advies

De door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschriften zijn gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag en de door UHT genomen beschikking aanvullende werkelijke schadevergoeding na advies van de Commissie Werkelijke Schade (hierna: CWS).

Aan belanghebbende is met toepassing van de Compensatieregeling CAF 11 en vergelijkbare (CAF-)zaken van 28 augustus 2020 (Stcrt. 2020, nr. 45904) compensatie toegekend voor een bedrag van € 30.000 voor het toeslagjaar 2007 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2005, 2006 en 2010 tot en met 2019. Daarnaast is door UHT geen aanvullende compensatie toegekend.

Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen, hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.6 en 9.2 Wht moet de bestreden beschikking met kenmerk UHT-DC I geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 25 januari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over het jaar 2011. Na overleg tussen belanghebbende en de persoonlijk zaakbehandelaar (PZB) is het verzoek gewijzigd naar het toeslagjaar 2007, omdat in 2011 door belanghebbende geen aanvraag voor kinderopvangtoeslag (KOT) is ingediend.
  • UHT heeft bij vooraankondiging van 15 april 2022 aan belanghebbende een compensatie in het vooruitzicht gesteld van € 3.685 dat is aangevuld op grond van de Catshuisregeling tot € 30.000.
  • UHT heeft bij beschikking van 15 juni 2022 aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 30.000.
  • Belanghebbende heeft op 22 juni 2022 verzocht om een aanvullende compensatie voor de werkelijke schade.
  • Gemachtigde heeft per brief van 27 september 2023 tegen de beschikking van 15 juni 2022 met kenmerk UHT-DC I een bezwaarschrift ingediend.
  • De CWS heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 6 november 2023 aan UHT toegestuurd.
  • UHT heeft het advies van CWS gevolgd en bij de bestreden beschikking van 17 november 2023 aan belanghebbende geen aanvullende compensatie toegekend voor het toeslagjaar 2007.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 22 december 2023 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 1 oktober 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift dat is gericht tegen de beschikking met kenmerk UHT-HD CWS.
  • UHT heeft op 20 maart 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift dat is gericht tegen de beschikking met kenmerk UHT-DC I.
  • Op 26 maart 2025 heeft UHT ingestemd met het verzoek van gemachtigde om de bezwaarprocedures tegen de beschikkingen met kenmerk UHT-DC I en UHT-HD CWS gevoegd te behandelen.
  • Op 10 en 17 juni 2025 heeft gemachtigde aanvullende stukken in het geding gebracht.
  • Op 20 juni 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat de bezwaarschriften ontvankelijk zijn.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en de bestreden besluiten

Persoonlijk dossier/equality of arms

Belanghebbende voert in bezwaar aan dat UHT handelt in strijd met het beginsel van equality of arms. In haar ogen wordt hij in zijn procesbelang geschaad omdat hij niet de beschikking heeft over zijn persoonlijk dossier en/of een volledig bezwaardossier en daardoor niet over de voor het voeren van bezwaar benodigde documenten beschikt. De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. De schriftelijke beschouwing en de onderliggende stukken zijn gedurende de bezwaarprocedure aan gemachtigde toegezonden. De Commissie vindt dat met het toezenden van deze stukken is voldaan aan de in artikel 7:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Dat kan anders zijn als de belanghebbende een duidelijk aanknopingspunt geeft waarom het persoonlijk dossier moet worden afgewacht. De enkele opmerking dat bij onbekendheid van de stukken in dat dossier het zo kán zijn dat er nu relevante informatie ontbreekt, is niet voldoende. De door belanghebbende in dit verband opgeworpen bezwaren kunnen derhalve niet tot het door hem gewenste resultaat leiden. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Met betrekking tot de omvang van het geschil

Na debat tussen partijen is ter zitting van de zijde UHT toegezegd dat met betrekking tot de jaren 2005 en 2006 aparte IB-beschikkingen zullen worden genomen en dat belanghebbende daartegen, zo gewenst, een bezwaarschrift kan indienen. Gemachtigde van belanghebbende heeft met die gang van zaken ingestemd. Het tussen partijen in deze procedure omtrent die jaren gevoerde debat zal daarom door de Commissie hier verder buiten de advisering worden gelaten.

Beoordeling forfaitaire compensatieberekening (UHT-DC I)

De Commissie ziet zich gesteld voor de beantwoording van de vraag of UHT de toegekende compensatie voor het jaar 2007 op de juiste wijze heeft berekend. Daarnaast ziet de Commissie zich gesteld voor de beantwoording van de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beschikking om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de jaren 2008 tot en met 2019 af te wijzen.

Tussen partijen is niet in geschil en ook voor de Commissie staat daarmee vast dat B/T over het jaar 2007 institutioneel vooringenomen jegens belanghebbende heeft gehandeld. UHT heeft ter compensatie volgens de forfaitaire systematiek van de Wht, een bedrag van € 3.685 toegekend, dat is aangevuld met de Catshuisregeling tot € 30.000.

UHT heeft naar aanleiding van deze bezwaarprocedure nogmaals gekeken naar de compensatieberekening en blijkens het gestelde in haar schriftelijke beschouwing van 20 maart 2025 geconstateerd dat onderdeel o 'de rente over de gemiste KOT' onjuist is berekend. UHT heeft toegezegd de rentevergoeding te zullen herzien in de beschikking op bezwaar. Daarnaast heeft UHT toegezegd dat ook de hoogte van de aanvullende vergoeding van 1% over het subtotaal in de beschikking op bezwaar wordt aangepast (onderdeel p in de compensatieberekening). De Commissie adviseert UHT om aan de in de beschouwing gedane toezeggingen gevolg te geven, de bestreden beschikking in die zijn te wijzigen, de compensatieberekening aan te passen conform de in de beschouwing opgenomen toezeggingen en om bij haar beschikking op bezwaar een nieuwe compensatieberekening aan belanghebbende te verstrekken.

Ten aanzien van de bezwaargrond dat de vergoeding voor immateriële schade (onderdeel n van de compensatieberekening) onjuist is berekend, heeft UHT in haar schriftelijke beschouwing toegelicht dat een onjuiste start- en einddatum voor de immateriële schadevergoeding is gehanteerd, maar dat dit geen gevolgen heeft voor de hoogte van het compensatiebedrag. Op grond van artikel 2.3, vierde lid, van de Wht mag de vergoeding van de immateriële schade immers niet hoger bedragen dan het bedrag dat als gevolg van de beschikking niet is toegekend of is teruggevorderd, vermeerderd met het bedrag van de rente die is begrepen in een beschikking tot terugvordering. De Commissie overweegt dat het bedrag dat als gevolg van de beschikking niet is toegekend of is teruggevorderd in het geval van belanghebbende € 1.198 bedraagt. Voorts is geen sprake geweest van bij belanghebbende in rekening gebrachte rente. UHT heeft derhalve terecht de hoogte van de immateriële schadevergoeding beperkt tot het bedrag van € 1.198. De Commissie adviseert UHT om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

UHT heeft naar aanleiding van deze bezwaarprocedure tevens de toeslagjaren 2008 tot en met 2019 herbeoordeeld. UHT heeft ter zitting aangegeven een beschikking te zullen nemen ten aanzien van de toeslagjaren 2005 en 2006. Deze toeslagjaren vallen dan ook buiten dit geding.

Met betrekking tot de toeslagjaren 2008 tot en met 2019 is, naar tussen partijen niet in geschil is en ook voor de Commissie vast staat, geen sprake geweest van een KOT-aanvraag door belanghebbende. Daardoor bestaat over deze jaren geen recht op compensatie op grond van de Wht. De Commissie adviseert UHT daarom, voor zover het bezwaar op deze jaren ziet, dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Beoordeling afwijzing aanvullende schadevergoeding (UHT-HD CWS)

Toezending CWS-dossier na verstrijken bezwaartermijn

Belanghebbende is van mening dat hij wordt geschaad in zijn bezwaarmogelijkheden, omdat UHT het CWS-dossier pas acht weken na de datum van de beschikking op het verzoek om aanvullende schadevergoeding aan belanghebbende wordt verstrekt, terwijl de bezwaartermijn zes weken bedraagt. UHT vindt dat belanghebbende niet in zijn bezwaarmogelijkheden is geschaad, omdat de mogelijkheid bestaat voor belanghebbende om de bezwaargronden verder aan te vullen. De Commissie overweegt dat alle, ook op deze zaak betrekking hebbende stukken tijdig ter inzage zijn gelegd en dat belanghebbende de mogelijkheid had om, zo gewenst, zijn bezwaargronden aan te vullen. Van die mogelijkheid heeft belanghebbende evenwel geen gebruik gemaakt. Dat belanghebbende in dit opzicht op enigerlei wijze in zijn procedurele belangen zou zijn geschaad is niet aannemelijk geworden. De Commissie adviseert om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Toetsingskader CWS-procedures

In het kader van de hersteloperatie kinderopvangtoeslag biedt de wet gedupeerde belanghebbende de mogelijkheid - naast de (deels) forfaitaire compensatie - ook een verzoek tot aanvullende compensatie voor werkelijke schade te doen. Artikel 2.1, derde lid, Wht vermeldt de gang van zaken rondom de indiening van dit verzoek, dat met toepassing van het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht wordt beoordeeld (zie ook Afdeling Bestuursrechtspraak 27 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3620). De gedupeerde belanghebbende dient daarbij informatie te verschaffen waaruit aannemelijk wordt i) dat en in welke mate daadwerkelijk sprake is van aanvullende schade en ii) dat die schade het gevolg is van de handelswijze van de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) waarvoor belanghebbende al gecompenseerd is.

CWS vervult hierbij een adviserende rol. Nadat CWS heeft beoordeeld of een gedupeerde belanghebbende recht heeft op aanvullende compensatie, wordt advies uitgebracht aan UHT. UHT mag zich op het onderzoek van CWS baseren, nadat ze zich ervan vergewist heeft dat het advies zorgvuldig tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten.

UHT kan ter motivering van haar besluit over aanvullende compensatie volstaan met verwijzing naar het advies van CWS, als het advies zelf de motivering bevat en van het advies kennis is of wordt gegeven. Het is mogelijk dat UHT in uitzonderlijke gevallen tot een beschikking komt die ten nadele van de belanghebbende afwijkt van het advies van CWS, maar dit moet dan goed onderbouwd worden.

In een bezwaarprocedure als de onderhavige beoordeelt de Commissie of UHT op een juiste wijze invulling heeft gegeven aan de vergewisplicht. Deze toets vindt in beginsel plaats aan de hand van de door belanghebbende ingediende gronden van het bezwaar. In het geval UHT in negatieve zin is afgeweken van het advies van CWS, beoordeelt de Commissie of dit goed onderbouwd heeft plaatsgevonden.

De Commissie zal aan de hand van deze uitgangspunten beoordelen of UHT zich in dit geval kon baseren op het advies van CWS.

Belanghebbende heeft verzocht om vergoeding van de volgende schadeposten:

De CWS bekijkt waar nodig per benoemde schadepost of deze daadwerkelijk schade is en zo ja, of die schade is veroorzaakt door de problemen met de kinderopvangtoeslag. Pas als dat zo is, zal de CWS adviseren over de berekening van de schade. CWS heeft UHT echter geadviseerd om geen aanvullende schadevergoeding aan belanghebbende toe te kennen, vanwege het volgende.

Vervangende opvangkosten, overige vermogensschade en andere extra kosten door stopzetting KOT

De CWS vindt dat het causaal verband tussen de schade die belanghebbende benoemt en de problemen met de kinderopvangtoeslag niet aannemelijk is geworden. Ten eerste omdat belanghebbende zelf heeft aangegeven dat hij, mede door andere financiële problemen naar het buitenland is vertrokken. Ook volgt uit het dossier dat belanghebbende in januari 2008 in detentie zat in Duitsland. Belanghebbende had derhalve andere grote problemen. Daarnaast vindt de CWS het onaannemelijk dat een geringe terugvordering van € 1.323 (€ 1198 vermeerderd met € 125 kosten) die verrekend is met een teruggaaf inkomstenbelasting, een dusdanig ernstige wissel op het leven van belanghebbende en zijn gezin heeft getrokken, dat die terugvordering hen tot emigratie heeft bewogen. De emigratie kan dus niet aan de problemen met de kinderopvangtoeslag worden toegerekend. De gevolgen daarvan ook niet. Deze schadeposten staan volgens de CWS dan ook niet in verband met de problemen met de kinderopvangtoeslag. Overigens zijn deze schadeposten niet nader onderbouwd, aldus CWS.

Gemachtigde heeft ter onderbouwing van de ingediende schadeposten op 10 juni 2025 nadere stukken in het geding gebracht. De stukken bevatten schuldbekentenissen ten aanzien van door belanghebbende afgesloten geldleningen en een bewijs van de verkoop van sieraden. Voorts heeft gemachtigde op 17 juni 2025 een stuk van Stichting Gelijkwaardig Herstel (SGH) in het geding gebracht. Dat stuk ziet op een schadeberaming door SGH in de zaak van belanghebbende van een bedrag van in totaal € 80.000 en waarin onder het kopje " Noodgedwongen verhuizing" een compensatie van € 6500 aan belanghebbende in het vooruitzicht wordt gesteld.

De Commissie gaat er, bij gebrek aan duidelijke, in een andere richting wijzende gegevens van uit dat hiermee wordt gedoeld op de verhuizing van belanghebbende naar Irak en daarna op zijn terugkeer van Irak naar Nederland. Wat betreft het beroep op het ingebrachte stuk van de SGH overweegt de Commissie in de eerste plaats dat de Wht een eigen beoordelings -en toetsingskader heeft, waarbij, zoals hiervoor aangegeven, wordt aangesloten bij het civielrechtelijk schadevergoedingsrecht. Op grond daarvan is vereist dat causaal verband bestaat tussen de gestelde schade en de gewraakte handelwijze van de Belastingdienst/Toeslagen. De Commissie is van oordeel dat in de stukken noch in het verhandelde ter zitting enig aanknopingspunt is te vinden om aannemelijk te achten dat belanghebbende ten gevolge van de onterechte terugvordering van €1198, gedwongen was naar Irak te vertrekken. Dat zelfde geldt voor de remigratie van belanghebbende vanuit Irak naar Nederland. Dit leidt er toe dat alle door belanghebbende op dit punt als schade opgevoerde bedragen of bedragen die op deze gebeurtenissen voortbouwen evenmin als een gevolg van, kortweg, KOT-perikelen kunnen worden aangemerkt.

De Commissie heeft er bij het vormen van haar opvatting niet aan voorbij gezien dat belanghebbende ter ondersteuning van zijn stellingen op dit punt heeft verwezen naar een compensatieaanbod van SGH en waarin de verhuizing als "noodgedwongen" is gekenmerkt.

Aangezien uit de door de gemachtigde overgelegde, kennelijk van SGH afkomstige, stukken niet blijkt of en hoe de vraag naar het oorzakelijk verband tussen het vertrek naar en de terugkeer van belanghebbende uit Irak is gesteld of beantwoord, kan belanghebbende aan de verwijzing naar dit stuk evenmin een overtuigend argument ontlenen. Voor de overige door belanghebbende opgevoerde kosten heeft de Commissie evenmin enig steunpunt kunnen vinden om het oorzakelijk verband tussen de gestelde schade en de - beperkte - KOT- perikelen aannemelijk te achten. Dat betekent dat UHT het advies van CWS heeft kunnen volgen. De Commissie adviseert UHT daarom de opgeworpen bezwaren ongegrond te verklaren.

Vergoeding immateriële schade

De CWS vindt tot slot dat er geen gronden zijn om de immateriële schadevergoeding te herberekenen. Dit vanwege het ontbreken van het causaal verband tussen de problemen met de kinderopvangtoeslag en de schade die belanghebbende benoemt én vanwege het aanzienlijke surplus van de Catshuisregeling van € 26.315 (dat een vergoeding is voor zowel materiële als immateriële schade) en de immateriële schadevergoeding van € 1.198 die belanghebbende al heeft ontvangen met de compensatiebeschikking. Dit totaalbedrag van € 27.513 komt in mindering op de immateriële schade van belanghebbende. Bij belanghebbende is € 1.198 onterecht teruggevorderd en op grond daarvan heeft hij € 1.323 (€ 1.198 en € 125 kosten) voldaan. Voor de immateriële schade die hierdoor kan zijn ontstaan heeft belanghebbende, als gezegd al een vergoeding ontvangen van € 27.513. Het is niet aannemelijk dat de immateriële schade van belanghebbende hoger is dan dit bedrag, gezien de omvang van de teruggevorderde en terugbetaalde kinderopvangtoeslag. De CWS vindt daarom dat belanghebbende voldoende is gecompenseerd voor immateriële schade.

UHT heeft het advies van de CWS ook op dit punt overgenomen in de bestreden beschikking. De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden die zouden nopen tot de opvatting dat UHT het advies van UHT niet heeft kunnen volgen. De Commissie adviseert UHT om het bezwaar ook op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Beslagvrije voet

Belanghebbende voert aan dat B/T bij de verrekeningen onterecht geen rekening heeft gehouden met de beslagvrije voet. De Commissie overweegt hierover dat de beslagvrije voet niet van toepassing is op de kinderopvangtoeslag. Deze toeslag is immers niet bedoeld als inkomensvoorziening, maar voor het bevorderen van de arbeidsparticipatie. De Commissie adviseert UHT daarom om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Onzorgvuldige totstandkoming UHT-HD CWS

Anders dan de gemachtigd heeft betoogd dwingt de omstandigheid dat, zoals hier, niet eerst de uitkomst van de bezwaarprocedure tegen de IB-beschikking is afgewacht, op zich zelf niet tot de conclusie dat de onderhavige procedure onzorgvuldig is verlopen. Van bijzondere omstandigheden die in dit geval tot een andere opvatting aanleiding zouden moeten geven, is niet gebleken. Voor zo ver belanghebbende op dit punt zijn bezwaren heeft gehandhaafd zouden deze, naar de opvatting van de Commissie, voor ongegrondverklaring in aanmerking komen.

Nieuw schadekader

De CWS heeft per 1 juli 2024 een nieuw schadekader gepubliceerd dat gaat over de vergoeding van de werkelijke schade. Op grond van het nieuwe schadekader hanteert de CWS een vaste vergoeding van € 500 per huishouden voor de tijd die ouders kwijt zijn aan de procedure bij CWS. UHT heeft in haar schriftelijke beschouwing toegezegd dat dit bedrag aan belanghebbende zal worden vergoed. De Commissie adviseert UHT overeenkomstig.

Daarnaast ziet UHT op basis van het nieuwe schadekader geen aanleiding om extra vergoeding voor immateriële schade toe te kennen aan belanghebbende, omdat geen causaal verband is aangenomen tussen de door belanghebbende genoemde schadeposten en de terugvordering van de KOT in het toeslagjaar 2007. Daarbij is het volgens UHT onaannemelijk dat de eventuele extra toe te kennen immateriële schadevergoeding boven het surplus van € 26.315 (vanwege de aanvulling door de Catshuisregeling) zal uitkomen. De Commissie volgt de uitleg van UHT hierin en adviseert UHT overeenkomstig.

Verletdagen en reiskosten voor regelzaken

Op basis van het nieuwe schadekader wordt voor de verletdagen en reiskosten een forfaitaire vergoeding van € 300 per gedupeerd toeslagjaar toegekend. Deze kosten worden verrekend met de toegekende materiële schadevergoeding (onderdeel h van de compensatie rekening). Voor het toeslagjaar 2007 is reeds een bedrag van € 300 aan materiële schadevergoeding aan belanghebbende toegekend, waardoor geen extra uitbetaling volgt. De Commissie adviseert UHT op grond van artikel 2.1, vijfde lid, van de Wht, overeenkomstig.

Proceskostenvergoeding

Belanghebbende heeft verzocht om een vergoeding van de proceskosten. Ingevolge artikel 7:15 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) worden proceskosten alleen vergoed als het bestreden besluit wordt herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Op grond van de op dit punt heersende rechtspraak (zie bijvoorbeeld CRVB 9 december 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:3140, JB 2021/25), is

sprake van herroepen in de zin van artikel 7:15, tweede lid, Awb als het primaire besluit wordt gewijzigd voor wat betreft het met dat besluit beoogde rechtsgevolg. De aanpassing van de forfaitaire compensatieberekening heeft niet tot gevolg dat belanghebbende recht heeft op een hoger bedrag aan compensatie dan de al eerder uitgekeerde € 30.000. Nu blijkens het hiervoor overwogene reeds vaststaat dat de aanpassing van de compensatieberekening geen gevolgen heeft voor het vertrekpunt voor de procedure over aanvullende compensatie voor de werkelijke schade en derhalve geen sprake is van een gewijzigd rechtsgevolg, adviseert de Commissie UHT om geen proceskostenvergoeding toe te kennen. Dat aan belanghebbende alsnog een bedrag van € 500 zal worden toegekend, zoals hiervoor aangeduid, maakt dat niet anders omdat die toekenning niet voortvloeit uit een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie, de hiervoor eerste geformuleerde vraag ontkennend en de tweede geformuleerde vraag bevestigend beantwoordend, om het bezwaar gericht tegen de beschikking met kenmerk UHT-DC-I gedeeltelijk gegrond te verklaren, het bezwaar gericht tegen de beschikking met kenmerk UHT-HD CWS ongegrond te verklaren en om:

  • de, ingevolge de Wht samenhangende, forfaitaire vergoedingen opnieuw te berekenen met inachtneming van dit advies, en daarbij, conform het door UHT zelf op dit punt gehanteerde beleid, de einddatum van de daarvoor in aanmerking komende vergoedingen vast te stellen op de datum tot aan de dagtekening van de beschikking op bezwaar en het bestreden besluit in zo verre te wijzigen;
  • de vaste vergoeding van €500 uit te keren voor de tijd die belanghebbende kwijt is aan de CWS-procedure;
  • het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter