BAC 2024-15164
Publicatiedatum 09-02-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 26 september 2023 (UHT-DCH)
Hoorzitting: 16 september 2025
Overdracht advies aan UHT: 6 oktober 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek om proceskostenvergoeding af te wijzen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 14.238 voor toeslagjaar 2009. De Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) heeft voor dit toeslagjaar de regels te streng toegepast. Het bedrag is op grond van de Catshuisregeling aangevuld tot € 30.000. Compensatie voor de toeslagjaren 2007 en 2008 is afgewezen.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 12 mei 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT). In overleg met belanghebbende ziet de herbeoordeling op de toeslagjaren 2007 tot en met 2009.
- Op 29 juni 2023 heeft de Commissie van Wijzen (hierna: CvW) als advies uitgebracht dat de compensatieregeling en de hardheidscompensatie niet van toepassing zijn op de toeslagjaren 2007 en 2008.
- Op 1 augustus 2023 heeft UHT als vooraankondiging aan belanghebbende een compensatiebedrag van € 14.182 toegekend. Op grond van de Catshuisregeling is het bedrag aangevuld tot € 30.000.
- Op 26 september 2023 heeft UHT het definitieve compensatiebedrag voor toeslagjaar 2009 bepaald op € 14.238. Compensatie voor de toeslagjaren 2007 en 2008 is afgewezen.
- Op 2 november 2023 heeft gemachtigde hiertegen een bezwaarschrift ingediend.
- Op 16 april 2024 heeft gemachtigde aanvullende gronden van bezwaar ingediend.
- Op 20 juni 2024 heeft UHT een schriftelijke beschouwing ingediend.
- Op 16 september 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Het hoorverslag is bij dit advies gevoegd.
- Na afloop van de hoorzitting heeft UHT aanvullende stukken toegestuurd.
- Op 26 september 2025 heeft gemachtigde hier op gereageerd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Met betrekking tot eventuele overschrijding van de beslistermijnen in deze bezwaarprocedure overweegt de Commissie dat de wet de termijnen stelt. Voor belanghebbenden bestaat de mogelijkheid om bij termijnoverschrijding na een ingebrekestelling, een beroep niet tijdig beslissen in te dienen, hetgeen belanghebbende ook heeft gedaan.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie op de juiste wijze heeft berekend en compensatie voor de toeslagjaren 2007 en 2008 terecht heeft afgewezen. Daarnaast zal de Commissie ingaan op de overige gronden van bezwaar.
Compensatie toeslagjaar 2009
Gemachtigde stelt dat in het bezwaardossier de zienswijze van belanghebbende ontbreekt. Omdat de KOT voor toeslagjaar 2009 abrupt is gestopt, dient belanghebbende op grond van vooringenomenheid gecompenseerd te worden in plaats van op grond van de hardheidsregeling. Daarnaast is de toegekende periode onjuist vastgesteld. Belanghebbende heeft geheel toeslagjaar 2009 een opleiding gevolgd, waardoor het aannemelijk is dat zij ook het gehele jaar opvang heeft afgenomen. Gemachtigde stelt verder dat uit de tijdlijn blijkt dat destijds meerdere keren bezwaar is gemaakt, maar hiervoor geen vergoeding is toegekend. Ook stelt gemachtigde dat het bedrag van € 4.603 onder component g, ten onrechte in mindering is gebracht.
UHT heeft tijdens de hoorzitting erkend dat de zienswijze van belanghebbende ontbreekt in het bezwaardossier. De Commissie overweegt dat, hoewel het inderdaad niet de aangewezen gang van zaken is, belanghebbende in het kader van de bezwaarprocedure wel de gelegenheid heeft gekregen en benut om haar zienswijze en bezwaren toe te lichten en te onderbouwen. Een eventuele tekortkoming is daarmee hersteld.
Met betrekking tot de grondslag en periode voor compensatie is de Commissie gebleken dat de KOT voor toeslagjaar 2009 neerwaarts is bijgesteld, omdat de kinderopvanginstelling heeft doorgegeven dat per 15 juli 2009 geen opvang meer werd afgenomen. Er was geen aanleiding voor B/T om aan de informatie van de kinderopvanginstelling te twijfelen. Het kind van belanghebbende bereikte op 8 juli 2009 de leeftijd van vier jaren, waarmee het recht op dagopvang eindigde. Op 11 september 2009 heeft B/T belanghebbende hierover per brief geïnformeerd (productie 42). Derhalve is geen sprake van vooringenomen handelen. Belanghebbende is gecompenseerd omdat de KOT (gedeeltelijk) was uitgekeerd aan de kinderopvanginstelling en er meer dan €1.500 werd teruggevorderd bij belanghebbende. Conform de door de kinderopvanginstelling en belanghebbende doorgegeven opvangperiode van 1 januari 2009 tot en met 14 juli 2009, is component a van de compensatieberekening bepaald.
Met betrekking tot hetgeen gemachtigde stelt over de vergoeding voor juridische hulp, overweegt de Commissie dat noch uit de tijdlijn, noch uit de overige stukken van het bezwaardossier blijkt dat voor toeslagjaar 2009 bezwaarschriften zijn ingediend. Meer in zijn algemeenheid merkt de Commissie op dat enkel door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, in aanmerking komen voor een compensatievergoeding. Nu niet blijkt dat hiervan sprake is geweest, komt belanghebbende hiervoor niet in aanmerking.
Met betrekking tot component g van de compensatieberekening blijkt uit het overzicht van het Landelijk Incasso Centrum voor toeslagjaar 2009 dat een bedrag van € 4.603 aan teruggevorderde KOT vanwege een schuldsanering administratief is verwijderd.
De Commissie overweegt dat op grond van artikel 2.3 lid 1, aanhef en onder a, van de Wht de compensatie gelijk is aan het bedrag dat als gevolg van een besluit niet is toegekend of is teruggevorderd, vermeerderd met het bedrag van de rente die is begrepen in een besluit tot terugvordering en verminderd, maar niet verder dan tot nihil. Op grond van een nog niet betaald bedrag van de terugvordering en van de rente of een alsnog toegekende KOT of een verhoging daarvan met betrekking tot het berekeningsjaar waarop de compensatie betrekking heeft. De wetgever is er - blijkens de tekst, de strekking en het systeem van de Wht - kennelijk van uitgegaan dat slechts een compensatie wordt toegekend voor teruggevorderde KOT indien en voor zover die teruggevorderde KOT door belanghebbende is betaald of ten nadele van haar of hem is verrekend. De in artikel 2.3 lid 1 Wht beschreven vermindering is kennelijk gebaseerd op het uitgangspunt dat een belanghebbende die de KOT niet volledig heeft terugbetaald, materieel minder schade heeft geleden dan een belanghebbende die de toeslag wel volledig heeft terugbetaald. Zoals de Commissie al eerder heeft overwogen (zie bijvoorbeeld advies BAC 202101807), geldt dit uitgangspunt ook als belanghebbende een schuldsanering op grond van de Wet schuldsanering natuurlijke personen (WSNP) heeft doorlopen. Als dit laatste het geval is, kan belanghebbende voor alle nog openstaande schulden niet meer tot betaling worden gedwongen. De zogenoemde 'schone lei' die wordt verleend na het doorlopen van het WSNP-traject, kan niet gelijk worden gesteld met het voldoen van de bij het traject betrokken schulden. Hoewel de Commissie doordrongen is van de grote invloed die het WSNP-traject op het leven van belanghebbende heeft gehad, oordeelt zij dat de Wht geen ruimte biedt om de compensatieberekening op dit onderdeel bij te stellen.
De Commissie is van oordeel dat met het indienen van de schriftelijke reactie, de toelichting tijdens de hoorzitting, de overzichten van het Landelijk Incasso Centrum (hierna: LIC-overzichten) en de overige producties, de compensatieberekening voldoende is onderbouwd en zorgvuldig tot stand gekomen.
De Commissie overweegt voorts dat het op grond van de Wht niet mogelijk is in het kader van de onderhavige procedure een hogere schadevergoeding toe te kennen dan in overeenstemming is met de forfaitaire compensatieregeling. Deze procedure ziet uitsluitend op toekenning van de standaardvergoedingen volgens de Wht en niet op de vergoeding van de werkelijk geleden schade. Wanneer een belanghebbende meer (of andere schade) heeft geleden dan forfaitair wordt gecompenseerd, dan kan hij of zij aanvullende compensatie krijgen voor die werkelijke schade. Belanghebbende dient daartoe een verzoek tot vergoeding van die werkelijke schade in te dienen bij de Commissie Werkelijke Schade.
Afgewezen toeslagjaren 2007 en 2008
Gemachtigde stelt dat de jaren die in de herbeoordeling zijn meegenomen niet op zichzelf staan. Ook in de jaren voor de onterechte terugvorderingen zijn de gevolgen ervan gevoeld. Als de terugvordering van andere jaren heeft geleid tot verrekeningen of beëindiging, kan niet gesteld worden dat sommige jaren niet voor compensatie in aanmerking komen, omdat er geen fouten zijn gemaakt.
De Commissie overweegt als volgt. Voor compensatie komt, ingevolge het bepaalde in de Wht, kortweg, in aanmerking de ouder waarvan aannemelijk is dat de vaststelling van zijn of haar aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelswijze van B/T.
In het bestreden besluit, de schriftelijke beschouwing en het informatie- en beoordelingsformulier is voor de toeslagjaren 2007 en 2008 uitgebreid beschreven welke neerwaartse en opwaartse wijzigingen in KOT hebben plaatsgevonden. In toeslagjaar 2007 heeft enkel een opwaartse bijstelling van KOT plaatsgevonden en is geen KOT teruggevorderd. Voor toeslagjaar 2008 hebben zowel opwaartse als neerwaartse bijstellingen plaatsgevonden. Het betreffen allen reguliere correcties die zijn gebaseerd op door belanghebbende doorgegeven wijzigingen in het aantal opvanguren en tarieven en de hoogte van het toetsingsinkomen.
Gelet op vorenstaande is er naar het oordeel van de Commissie geen reden het advies van de CvW en het standpunt van UHT met betrekking tot de afgewezen toeslagjaren onjuist te achten. De Commissie is verder van oordeel dat met het indienen van het schriftelijke verweer, de LIC-overzichten en de overige producties, het bestreden besluit ten aanzien van de afgewezen toeslagjaren voldoende is onderbouwd en zorgvuldig tot stand is gekomen. De Commissie acht de bezwaren op dit punt ongegrond.
De Commissie overweegt verder dat de Wht is bedoeld voor herstel van vooringenomen handelen, hardheid of een onterechte kwalificatie opzet/grove schuld (hierna: O/GS) en niet ziet op de herziening van definitieve KOT beschikkingen. Een beoordeling daarvan valt dus buiten de reikwijdte van de Wht.
Overschrijding termijn bij definitieve KOT-beschikking
Gemachtigde stelt dat sprake is van vooringenomen handelen, omdat de definitieve KOT-beschikkingen buiten de termijn van artikel 19 Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) zijn genomen en dat belanghebbende daarom recht heeft op compensatie. De Commissie ziet in die omstandigheden onvoldoende aanknopingspunten om tot vooringenomenheid te concluderen en deelt voorts de mening van UHT dat dit bezwaar buiten het bestek van de Wht valt. De Commissie adviseert het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
HOTHOR
Gemachtigde stelt dat uit het RKT-bestand blijkt dat het kenmerk HOTHOR - hoge toeslag/hoog risico - is toegevoegd.
De Commissie heeft in de RKT-bestanden van 2007, 2008 en 2009 het kenmerk HOTHOR niet aangetroffen. In zijn algemeenheid merkt de Commissie het volgende op. HOTHOR is een kenmerk dat, naar de Commissie uit de nadere toelichting van UHT begrijpt, geautomatiseerd wordt toegevoegd in situaties waarin sprake is van een laag inkomen, waardoor recht ontstaat op een relatief hoog bedrag aan toeslagen. Dit kenmerk heeft, aldus deze toelichting, tot gevolg dat een extra handmatige controle plaatsvindt. UHT stelt dat het doel van deze extra controles is gelegen in het behoeden van ouders voor hoge terugvorderingen.
Het instellen van een (extra) controle of het tussentijds opvragen van gegevens is op zichzelf onvoldoende om te concluderen dat B/T vooringenomen heeft gehandeld. Daarvoor is meer nodig. Een uitvraag of controle als gevolg van het door B/T gegeven kenmerk HOTHOR dwingt weliswaar tot waakzaamheid bij de beantwoording van de vraag of sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid, maar levert daar op zichzelf niet het doorslaggevende bevestigende antwoord op. Aanwijzingen dat die vraag in het geval van belanghebbende in laatstbedoelde zin moet worden beantwoord zijn, geplaatst tegen de achtergrond van de andere feiten en omstandigheden, onvoldoende aannemelijk geworden. De Commissie adviseert UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Fraude Signalering Voorziening-lijst en discriminatie
Gemachtigde stelt dat de nadere onderbouwing voor de constatering dat belanghebbende niet op de Fraude Signalering Voorziening lijst (hierna: FSV-lijst) was opgenomen, ontbreekt. Voorts is bij de beoordeling van de schadevergoeding geen rekening gehouden met de gevolgen van discriminatie voor belanghebbende.
De Commissie overweegt dat de schriftelijke reactie vergezeld is gegaan van de stukken die een rol hebben gespeeld bij de totstandkoming van de bestreden beschikking. Deze op de zaak betrekking hebbende stukken zijn aan gemachtigde toegezonden. De Commissie heeft derhalve geen aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat hier niet is voldaan aan de in artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. De Commissie tekent hierbij nog aan dat de stukken behorende tot het zogenoemde 'persoonlijk dossier' evenals de stukken die ten grondslag liggen aan het vaststellen van het FSV-onderzoek, niet per definitie samenvallen met de op de zaak betrekking hebbende stukken, als hiervoor bedoeld. De Commissie overweegt verder dat zij in het kader van de hersteloperatie toeslagen niet beoordeelt of in het geval van een belanghebbende sprake is geweest van discriminatie. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
O/GS
De Commissie overweegt dat tijdens de hoorzitting de wijze van vaststelling van de O/GS aan de orde is geweest. Belanghebbende heeft gesteld dat zij deze constatering nader toegelicht wil hebben met onderbouwende stukken. De Commissie acht het onvoldoende dat door UHT enkel wordt verwezen naar productie 35 in het dossier, waarin slechts de vaststelling van 'geen O/GS' te lezen is en niet hoe dit is vastgesteld. Als er nadere informatie hieromtrent intern beschikbaar is, dan is het begrijpelijk dat belanghebbende daar behoefte aan heeft.
De Commissie adviseert daarom dat UHT in het besluit op bezwaar alsnog een duidelijke en begrijpelijke toelichting geeft over de wijze waarop de O/GS-vaststelling heeft plaatsgevonden met, voor zover van toepassing, een verwijzing naar de hieraan ten grondslag liggende stukken.
Proceskostenvergoeding
Nu de Commissie het bezwaar ongegrond acht, is er geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.
Conclusie
Gelet op het vorenstaande adviseert de Commissie het bezwaarschrift ongegrond te verklaren en het verzoek om proceskostenvergoeding af te wijzen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter