BAC 2025-15277
Publicatiedatum 05-02-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Dienst Toeslagen / Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen
(hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 10 oktober 2023 (UHT DCH)
Hoorzitting: 24 juni 2025 om 13:00 uur
Overdracht advies aan UHT: 22 juli 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift van 8 november 2023 is gericht tegen de door UHT genomen definitieve herbeoordeling compensatie kinderopvangtoeslag van 10 oktober 2023 met kenmerk UHT DCH.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 9.257 voor het jaar 2013.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 21 mei 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over het jaar 2013.
- UHT heeft bij vooraankondiging van 24 juli 2023 met kenmerk UHT VCH aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 9.165 en dit bedrag opgehoogd tot een bedrag van € 10.000.
- UHT heeft bij de bestreden beschikking van 10 oktober 2023 met kenmerk UHT-DCH aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van
- € 9.257 voor het jaar 2013.
- Gemachtigde heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 24 juni 2025 de dossiernummers van in de visie van de gemachtigde vergelijkbare zaken toegestuurd.
- Gemachtigde heeft bij brief van 8 november 2023 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 23 januari 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 24 juni 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- UHT heeft op 3 juli 2025 een nadere schriftelijke reactie ingediend.
Gemachtigde heeft daar op 16 juli 2025 op gereageerd. - Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en 2 commissieleden.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Gelijkheidsbeginsel
Belanghebbende stelt dat zij voor het jaar 2013 zelf KOT heeft aangevraagd en daarom ook recht heeft op € 30.000 volgens de Catshuisregeling en verwijst naar twee in haar visie vergelijkbare zaken.
De Commissie overweegt als volgt.
De Catshuisregeling is specifiek bedoeld voor de aanvrager van de KOT, zoals bepaald in artikel 2.7, eerste lid, van de Wht.
Zoals is bepaald in artikel 2.7, tweede lid, Wht wordt het forfaitaire bedrag van
€ 30.000 alleen toegekend aan degene van wie de Dienst Toeslagen het recht op het forfaitaire bedrag het eerst heeft vastgesteld. Aan de ander wordt een bedrag van € 10.000 toegekend als diegene op het moment van het toekennen van het forfaitaire bedrag niet de partner is van degene aan wie het forfaitaire bedrag wordt toegekend.
UHT past deze wetgeving toe bij de behandeling van de verzoeken tot herbeoordeling. Bij ex-toeslagpartners heeft de ex-toeslagpartner (tweede aanvrager) derhalve recht op een forfaitair bedrag van €10.000. Dit bedrag kan eventueel worden overschreden als het compensatiebedrag hoger is.
Uit de Memorie van Toelichting van artikel 2.7, tweede lid, Wht blijkt het volgende:
“Als uitgangspunt geldt dat een ouder met een toeslagpartner in de jaren waarover herstel plaatsvindt, samen één keer voor het bedrag van € 30.000 in aanmerking komen. Van de ouder en de (ex-)toeslagpartner wordt verwacht dat zij waar van toepassing het bedrag onderling verdelen. Dit uitgangspunt voorkomt dat partners € 60.000 ontvangen door de vaak toevallige omstandigheid dat een toeslag niet ieder jaar door dezelfde partner is aangevraagd. De reden om de
€ 30.000 toe te kennen aan de aanvrager van wie de Belastingdienst/Toeslagen het recht op het forfaitaire bedrag het eerst heeft vastgesteld, is de wens van het kabinet om de € 30.000 zo snel mogelijk toe te kennen”.
Uit de nadere schriftelijke reactie van UHT blijkt dat de ex-partner van belanghebbende 4 maanden eerder dan belanghebbende zijn aanvraag heeft ingediend. Dat UHT heeft besloten zijn aanvraag eerder in behandeling te nemen en aan hem het forfaitaire bedrag van € 30.000 toe te kennen en aan belanghebbende € 10.000 op grond van artikel 2.7 tweede lid van de Wht, acht de Commissie daarom terecht en op juiste gronden genomen.
Gemachtigde heeft tijdens de hoorzitting aangevoerd dat in twee andere zaken in zijn praktijk wel tweemaal het bedrag van € 30.000 is betaald aan toeslagpartners. Uit de overlegde informatie van UHT blijkt echter dat in de door gemachtigde gedeelde dossiers – in tegenstelling tot wat gemachtigde aangeeft- slechts aan één toeslagpartner de Catshuisregeling is toegekend. Wel is in beide gevallen het uiteindelijke compensatiebedrag toegekend aan de andere ouder hoger dan €30.000. Echter is dit enkel te danken aan het recht op compensatie op grond van de compensatieregelingen zoals beschreven in de Wht en niet aan toekenning van de Catshuisregeling voor beide (ex-)toeslagpartners. De Commissie verwijst voor de inhoud hiervan naar de nadere schriftelijke reactie van UHT en ziet geen reden om hiervan af te wijken. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt (reeds) daarom niet.
Motivering
Belanghebbende stelt dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. Ten aanzien van de motivering van het besluit overweegt de Commissie dat UHT de bestreden beslissing inderdaad niet uitvoerig heeft toegelicht, maar dat dit niet impliceert dat er van een gebrekkige motivering dan wel onzorgvuldigheid sprake is.
De Commissie is van mening dat door middel van het indienen van het
(nadere) schriftelijke verweer, een uitgebreide uitleg met behulp van het invul- en beoordelingsformulier, beschikkingen en overige producties, het bestreden besluit voldoende is onderbouwd.
Ontbrekende stukken/volledige dossier/equality of arms
Belanghebbende stelt dat zonder het volledige persoonlijke dossier niet kan worden beoordeeld of alle relevante stukken aanwezig zijn. De Commissie volgt dit standpunt niet. De schriftelijke reactie van UHT en de op de zaak betrekking hebbende stukken zijn aan gemachtigde toegezonden. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat hier niet is voldaan aan de in artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Juistheid componenten
Belanghebbende geeft aan twijfels te hebben over de juistheid van de componenten d, i, n, o en p van de compensatieberekening.
Component o rente
Ingevolge artikel 2.3 lid 7 Wht wordt, kortweg, over het bedrag van de gemiste KOT als gevolg van de neerwaartse correctiebeschikking, rente vergoed. De rente wordt berekend over het bedrag aan compensatie voor correctiebesluiten met overeenkomstige toepassing van artikel 27 Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna Awir). In de compensatieberekening is de rente over de gemiste KOT opgenomen bij component o. UHT heeft in haar schriftelijke reactie erkend dat de berekening onjuist is. De toeslagrente over gemiste kinderopvangtoeslag had €2.121 moeten bedragen in plaats van €2.123. Belanghebbende heeft daarom € 2 te veel ontvangen.
De Commissie is van oordeel dat het uit artikel 7:11 van de Awb voortvloeiende verbod van reformatio in peius betekent dat het indienen van een bezwaarschrift er niet toe mag leiden dat de indiener via de heroverweging door het bestuursorgaan in een slechtere positie geraakt, dan zonder de bezwaarprocedure mogelijk zou zijn. In een aantal uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB) (vergelijk onder meer ECLI:NL:CRVB:2022:865) heeft deze rechter geoordeeld dat de enkele omstandigheid dat een element van de besluitvorming in bezwaar voor betrokkene in negatieve zin wordt bijgesteld, op zich niet leidt tot een verboden benadeling. Het gaat er aldus de CRvB om of ook het resultaat van de besluitvorming nadelig is voor de betrokkene. Voor zover UHT in haar beslissing op bezwaar één of meerdere bedragen wijzigt ten nadele van belanghebbende, merkt de Commissie op dat deze enkele omstandigheid niet zonder meer leidt tot strijdigheid met het verbod van reformatio in peius. Om te kunnen beoordelen of het resultaat van de wijzigingen nadelig is voor belanghebbende, dient het resultaat van de compensatieberekening in de bestreden beschikking te worden vergeleken met het resultaat van de nieuwe compensatieberekening in de beslissing op bezwaar. Deze nog uit te voeren herberekening mag er niet toe leiden dat belanghebbende in een slechtere positie geraakt vergeleken met de definitieve beschikking(en) waartegen het bezwaar is gericht.
Voor het overige merkt de Commissie op dat uit de schriftelijke reactie van UHT blijkt dat de bedragen van de componenten d, i, n en p juist zijn berekend.
De Commissie ziet geen aanleiding om hier anders over te oordelen.
Vergoeding proceskosten
Met betrekking tot de kosten van de rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure geldt dat, nu het bezwaar in de visie van de Commissie ongegrond is, de belanghebbende geen recht heeft op vergoeding.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en om het verzoek om proceskostenvergoeding af te wijzen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter