BAC 2025-15264
Publicatiedatum 05-02-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Dienst Toeslagen / Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen
(hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 23 november 2023 met kenmerk UHT-DCHA
Hoorzitting: 20 mei 2025 om 11:00 uur
Overdracht advies aan UHT: 3 september 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen.
Onderwerp van advies
Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking beoordeling kinderopvangtoeslag van 23 november 2023 met kenmerk UHT-DCHA (hierna: de bestreden beschikking).
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2006 tot en met 2009.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 28 februari 2022 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over 2005 tot en met 2009. In overleg met de persoonlijk zaaksbehandelaar is de herbeoordeling aanpast naar de jaren 2006 tot en met 2009.
- UHT heeft bij beschikking van 12 juli 2022 aan belanghebbende medegedeeld dat hij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 31 augustus 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
- UHT heeft met de voorlopige beslissing integrale beoordeling KOT van
25 september 2023 aan belanghebbende duidelijk gemaakt dat voorlopig over de jaren 2006 tot en met 2009 geen recht is op compensatie. - UHT heeft met de bestreden beschikking van 23 november 2023 aan belanghebbende medegedeeld dat hij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2006 tot en met 2009.
- Gemachtigde heeft bij brief van 12 december 2023 tegen de bestreden beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 7 januari 2025 schriftelijk op het bezwaarschrift gereageerd.
- Op 20 mei 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Op 28 juli 2025 heeft UHT de aanvullende beschouwing van 23 juni 2025, voorzien van bijlagen, ingebracht.
- Op 8 augustus 2025 heeft gemachtigde op de aanvullende beschouwing gereageerd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en 2 commissieleden.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie stelt allereerst vast dat het geschil zich toespitst op de toeslagjaren 2007 en 2008. Niet (langer) in geschil is dat de KOT over het jaar 2006 is bijgesteld op basis van reguliere aanpassingen. Belanghebbende heeft op 17 augustus 2009 de KOT met ingang van 1 januari 2009 stopgezet en in dat jaar ook geen gebruik gemaakt van kinderopvang. Belanghebbende heeft deze gang van zaken tijdens de hoorzitting bevestigd.
De Commissie staat daarom voor de vraag of UHT op terechte en deugdelijke gronden heeft besloten om het verzoek van belanghebbende tot compensatie of tegemoetkoming voor de jaren 2007 en 2008 af te wijzen.
Recht op compensatie voor de toeslagjaren 2007 en 2008
Belanghebbende heeft voor haar dochter gebruikgemaakt van de opvang en zorg van [instelling], een instelling die volgens haar geregistreerd was als kinderopvanginstelling. Zij is dan ook van mening dat de compensatie ten onrechte is afgewezen.
UHT stelt in reactie daarop dat belanghebbende weliswaar vooringenomen is behandeld door B/T, maar desondanks niet in aanmerking komt voor compensatie. De reden hiervoor is dat [instelling] geen gekwalificeerde kinderopvanginstelling is in de zin van de Wet kinderopvang (hierna: Wko), en daarmee niet voldoet aan de voorwaarden voor recht op KOT zoals vastgelegd in artikel 1.5 van de Wko.
Op grond van artikel 2.1, lid 1, van de Wht komt een ouder in aanmerking voor compensatie als aannemelijk is dat de vaststelling van zijn of haar aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van bijzondere hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van B/T.
Volgens artikel 2.1, lid 2, van de Wht wordt compensatie echter achterwege gelaten indien sprake is van ernstige onregelmatigheden die aan de ouder kunnen worden toegerekend. Dit is onder meer het geval wanneer de ouder evident geen recht had op KOT. UHT stelt dat hiervan sprake is in de jaren 2007 en 2008, nu belanghebbende in die jaren geen gebruik heeft gemaakt van gekwalificeerde, geregistreerde kinderopvang.
De Commissie maakt uit de onderliggende stukken op dat de KOT voor het toeslagjaar 2007 bij beschikking van 12 mei 2009 op nihil is gesteld, omdat belanghebbende niet heeft gereageerd op eerdere informatieverzoeken van B/T. Aangezien deze informatieverzoeken niet zijn aangetroffen in de systemen van B/T, beschouwt de Commissie het handelen van B/T voor het jaar 2007 evenals UHT als vooringenomen.
Hoewel UHT tot de conclusie is gekomen dat belanghebbende door B/T vooringenomen is behandeld, geldt dat er geen recht op compensatie bestaat indien belanghebbende evident geen recht had op KOT.
De Commissie stelt vast dat de dochter van belanghebbende op verwijzing van het RIAGG gebruikmaakte van opvang bij [instelling], een vorm van buitenschoolse dagbehandeling voor kinderen met ontwikkelings- en/of gedragsproblemen. Deze opvang viel onder de Wet op de Jeugdzorg, die van toepassing was in de periode van 2 augustus 2006 tot 1 januari 2015. De KOT wordt echter niet toegekend op grond van deze wet, maar op basis van de Wko.
Volgens artikel 1.5 van de Wko bestaat alleen aanspraak op KOT indien gebruik wordt gemaakt van een geregistreerd kindcentrum of een geregistreerde voorziening voor gastouderopvang.
Wat betreft de registratie in het Landelijk Register Kinderopvang (LRK) merkt de Commissie op dat de verplichting tot registratie in het LRK pas gold vanaf 1 januari 2010 en feitelijk operationeel werd per 1 januari 2012. Voor die tijd, dus ook in 2007, gold een registratieplicht in het gemeentelijk register. Ouders hoefden in die periode niet zelfstandig diepgaand onderzoek te verrichten naar de registratie van de opvang. De wettelijke systematiek hield in dat recht op toeslag bestond als de opvang in het gemeentelijk register stond ingeschreven.
De verantwoordelijkheid voor correcte registratie lag bij het college van burgemeester en wethouders, niet bij de ouder. Van de aanvrager werd slechts verwacht dat hij gebruikmaakte van geregistreerde opvang; een verdergaande onderzoeksplicht volgde niet uit artikel 1.5 of 1.47 van de Wko. De ouder mocht er in beginsel op vertrouwen dat de registratie door de gemeente correct was uitgevoerd, tenzij er concrete aanwijzingen waren dat dit niet het geval was.
De Commissie concludeert dat belanghebbende mocht afgaan op de registratie van de kinderopvang zoals die in het gemeentelijk register was opgenomen. Echter, in dit specifieke geval is de Commissie van oordeel dat belanghebbende over het jaar 2007 evident geen recht had op KOT, omdat de opvang viel onder de Wet op de Jeugdzorg en daarmee buiten het toepassingsbereik van artikel 1.5 van de Wko viel. Hierdoor bestaat evident geen recht op KOT voor het jaar 2007.
Met betrekking tot toeslagjaar 2008 merkt de Commissie op dat de stopbrief van 26 februari 2010, zoals deze is toegepast in de situatie van belanghebbende, wél degelijk als vooringenomen handelen moet worden beschouwd. De brief is verstuurd omdat belanghebbende niet zou hebben gereageerd op eerdere uitvraagbrieven. Deze uitvraagbrieven zijn echter niet aangetroffen in de onderliggende stukken. De Commissie is dan ook van oordeel dat het onterecht versturen van een stopbrief als vooringenomen handelen door B/T kan worden aangemerkt.
Gemachtigde heeft tijdens de hoorzitting een beroep gedaan op paragraaf 3.1.7 van het Handboek Integrale Beoordeling – Vaktechniek. In het Handboek wordt uiteengezet dat compensatie wegens vooringenomen handelen, op grond van artikel 2.1, eerste lid, van de Wht, achterwege blijft indien de aanvrager van KOT geen (materiële of immateriële) schade heeft geleden.
De Commissie acht het voorstelbaar dat belanghebbende als gevolg van de ontvangst van de stopbrief aanzienlijke stress, ongemak en onzekerheid heeft ervaren, hetgeen in elk geval immateriële schade met zich kan hebben gebracht. Dat de KOT niet is teruggevorderd of verrekend, doet daar niet aan af, temeer omdat B/T ook niet binnen afzienbare tijd is teruggekomen op de gevolgen van de stopbrief. In het Handboek wordt hiervoor een termijn van zes weken gehanteerd. Uit de onderliggende stukken blijkt niet dat B/T binnen die termijn actie heeft ondernomen om de gevolgen van de stopbrief te corrigeren. Belanghebbende is daardoor over het verdere verloop in onzekerheid gelaten.
Toch oordeelt de Commissie dat belanghebbende, ondanks het vastgestelde vooringenomen handelen, niet in aanmerking komt voor compensatie. Ook over 2008 is er geen recht op compensatie, omdat er sprake is van een situatie waarin evident geen recht bestond op KOT, nu gebruik is gemaakt van niet-geregistreerde kinderopvang, zoals eerder is toegelicht.
Volgens het beleid van UHT kan in uitzonderlijke situaties sprake zijn van een zodanige hardheid dat alsnog tot compensatie wordt overgegaan. Echter, uit het dossier blijkt niet, althans onvoldoende, dat belanghebbende zich in omstandigheden heeft bevonden die op grond van dit beleid als uitzonderlijk moeten worden aangemerkt.
De Commissie is gelet op het voorgaande van oordeel dat belanghebbende over de jaren 2007 en 2008 niet in aanmerking komt voor compensatie op grond van de Wht. Deze bezwaargrond treft geen doel.
Beroep op het vertrouwensbeginsel
Belanghebbende stelt dat hij telefonisch contact heeft gehad met B/T via de Belastingtelefoon, waarbij hij heeft uitgelegd dat zijn dochter gebruikmaakte van opvang en zorg van [instelling]. Tijdens dit gesprek zou hem zijn medegedeeld dat hij recht had op KOT. Belanghebbende stelt (onder verwijzing naar de tijdlijn en zijn zienswijze) dat hij op deze mededeling mocht vertrouwen.
UHT stelt dat belanghebbende geen beroep op het vertrouwensbeginsel kan doen, omdat er geen telefoonnotitie van dit gesprek beschikbaar is en belanghebbende zijn stelling ook op geen andere wijze met documenten heeft onderbouwd. Volgens UHT had belanghebbende bovendien, vanwege het ontbreken van een geldige LRK-registratie, moeten twijfelen aan de kwalificatie van [instelling] als kinderopvanginstelling.
Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel moet aannemelijk worden gemaakt dat door of namens het bestuursorgaan uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht, waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of, en zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen. Daarnaast is vereist dat deze toezegging, uitlating of gedraging aan het bevoegde bestuursorgaan kan worden toegerekend. Dat is het geval wanneer de betrokkene er redelijkerwijs van uit mocht gaan dat de betreffende medewerker het bestuursorgaan vertegenwoordigde.
De Commissie heeft onderzocht of in de onderliggende stukken aanknopingspunten te vinden zijn voor een gerechtvaardigd beroep op het vertrouwensbeginsel. Uit de stukken blijkt dat B/T voor toeslagjaar 2006 uitgaat van “geen kinderopvangorganisatie gespecificeerd”. In toeslagjaar 2007 heeft belanghebbende wel melding gemaakt van opvang bij locatie De Lindenhof.
Op het antwoordformulier van 13 augustus 2007 heeft belanghebbende aangegeven dat in 2006 1.044 uur opvang is afgenomen bij [instelling], met een totaalbedrag van € 10.388. Daarbij gaf hij aan geen jaar- of maandoverzichten te hebben ontvangen.
De Commissie merkt verder op dat belanghebbende vanaf september 2008 verschillende wijzigingen heeft doorgegeven aan B/T, waarbij hij [instelling] Rotterdam-Zuid heeft genoemd. Deze wijzigingen hadden betrekking op de toeslagjaren 2008 en 2009.
In het bezwaarschrift van 12 oktober 2010, gericht tegen de beschikking van
12 mei 2009 waarin de KOT over 2007 op nihil werd gesteld, heeft belanghebbende aangevoerd dat gebruik werd gemaakt van opvang bij [instelling].
De Commissie heeft in de stukken telefoonnotities uit medio 2007 aangetroffen die gaan over (voorschot)betalingen, terugvorderingen en verrekeningen van de KOT. Deze notities hebben echter geen betrekking op [instelling].
Wel blijkt uit een notitie van 12 april 2011 dat B/T telefonisch contact heeft gehad met de administratie van [instelling]. Daarin staat vermeld dat het centrum dagbehandeling biedt aan kinderen die via de GGD of jeugdzorg zijn doorverwezen.
Gelet op het voorgaande is de Commissie van oordeel dat niet voldoende aannemelijk is geworden dat door of namens B/T toezeggingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit hij redelijkerwijs kon en mocht afleiden dat opvang bij [instelling] voldeed aan de eisen voor geregistreerde kinderopvang. Daarmee is geen sprake van een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel. De bezwaargrond treft dan ook geen doel.
Beroep op de hardheidsclausule ex artikel 9.1 van de Wht
Op grond van artikel 9.1, lid 1, van de Wht, kan UHT bij een besluit over de toekenning van compensatie, een tegemoetkoming of vergoeding, kwijtschelding van bestuursrechtelijke schulden, of betaling van bestuursrechtelijke en privaatrechtelijke schulden afwijken van artikel 2.1. Dit is mogelijk wanneer toepassing van dat artikel, gelet op het doel en de strekking ervan, zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard voor de aanvrager.
Uit de wetsgeschiedenis bij artikel 9.1 Wht volgt dat deze hardheidsclausule is bedoeld voor uitzonderlijke situaties waarin de wet niet voorziet en waarin toepassing van de betreffende bepaling leidt tot een zeer onbillijke uitkomst.
Een belangrijke voorwaarde is dat strikte toepassing van de betreffende bepaling zou leiden tot een onbillijk resultaat dat onevenredig zwaar uitpakt voor de betrokkene.
De Commissie is van oordeel dat zich in dit geval geen zodanige bijzondere situatie voordoet. Over de jaren 2006 en 2008 is belanghebbende niet benadeeld, aangezien de KOT voor deze jaren niet op nihil is gesteld. De toegekende bedragen van respectievelijk € 4.164 (2006) en € 9.636 (2008) hoefden niet te worden terugbetaald. De zogenoemde stopbrief van 26 februari 2010, die betrekking heeft op toeslagjaar 2008, is bovendien niet geëffectueerd.
Met betrekking tot de jaren 2007 en 2009 merkt de Commissie op dat aan belanghebbende de volgende bedragen aan KOT zijn toegekend: respectievelijk
€ 5.484 (2007) en € 6.664 (2009). Deze toekenningen zijn vervolgens op nihil gesteld met beschikkingen van 12 mei 2009, 6 november 2009, 11 augustus 2009, en 30 september 2009. De Commissie leidt uit het LIC-overzicht van 2007 af dat de terugvordering van de KOT over dat jaar volledig is voldaan. Dit is gebeurd via verrekening met de KOT over 2009 en andere toeslagen, alsmede door het instellen van een loonvordering van € 1.836,22 en een maandelijkse terugbetaling van € 75. Ten aanzien van 2009 stelt de Commissie vast dat uit het LIC-overzicht blijkt dat een bedrag van € 4.906,20 niet is ingevorderd, terwijl er geen recht bestond op KOT. Gelet op het vorenstaande treft deze bezwaargrond geen doel.
Proceskostenvergoeding
Nu de Commissie niet adviseert het primaire besluit te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter