BAC 2022-11069 & BAC 2024-15253
Publicatiedatum 29-01-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Dienst Toeslagen / Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen
(hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluiten: 22 februari 2021 (UHT-DC-I A)
1 maart 2021 (UHT-DC I)
22 augustus 2022 (UHT-DC-I A)
22 augustus 2022 (UHT-DH5 A)
22 augustus 2022 (UHT-HD CWS)
Hoorzitting:19 april 2024 en 14 februari 2025
Overdracht advies aan UHT: 9 april 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaarschrift tegen de beschikking van 22 februari 2021 met kenmerk UHT-DC-I A, en de beschikkingen van 22 augustus 2022 met kenmerk UHT-DC-I A onderscheidenlijk en UHT-DH5 A ongegrond te verklaren, het bezwaarschrift tegen de beschikking van 1 maart 2021 met kenmerk UHT-DC I deels gegrond te verklaren en het bezwaarschrift tegen de beschikking van 22 augustus 2022 met kenmerk UHT-HD CWS deels gegrond te verklaren en een proceskosten vergoeding toe te kennen.
Onderwerp van advies
Het door de belanghebbende ingediende bezwaarschrift van 27 september 2022 is gericht tegen de door UHT genomen beschikking van 22 augustus 2022 met kenmerk UHT-HD CWS, inzake de ‘aanvullende werkelijke schadevergoeding na advies van de Commissie Werkelijke Schade’ (hierna: CWS) van 24 juni 2022.
In deze beschikking is aan belanghebbende een aanvullende schadevergoeding toegekend van € 14.645. Na een aanvullend advies van CWS van 27 augustus 2024 heeft UHT aan belanghebbende een extra schadevergoeding toegekend van
€ 10.600. Dit bezwaar is geregistreerd onder BAC-nummer BAC 2022-11069.
Het tweede bezwaarschrift is gericht tegen de beschikking van 22 februari 2021 met kenmerk UHT-DC-I A, en de beschikkingen van 22 augustus 2022 met kenmerk UHT-DC-I A en UHT-DH5 A, waarbij de compensatie kinderopvangtoeslag over de toeslagjaren 2005 en 2008 is afgewezen (welke beschikkingen verder onder meer zullen worden aangeduid als: de drie IB beschikkingen). De aanvulling van dit tweede bezwaarschrift is tevens gericht tegen de beschikking van 1 maart 2021 met kenmerk UHT-DC I waarbij aan belanghebbende voor de jaren 2006, 2007 en 2009 een compensatiebedrag van € 94.600 is toegekend (verder onder meer aan te duiden als: de IB-compensatiebeschikking). Dit bezwaar is geregistreerd onder BAC-nummer BAC 2024-15253.
Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen,
hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.6 en
9.2 Wht moeten de bestreden beschikkingen geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.
Procesverloop
- Op 6 februari 2020 heeft belanghebbende een verzoek gedaan voor een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2006, 2007 en 2009. UHT heeft deze beoordelingsperiode uitgebreid met de toeslagjaren 2005 en 2008.
- Op 22 februari 2021 heeft UHT bij beschikking met kenmerk UHT-DC-I A de compensatie KOT over de toeslagjaren 2005 en 2008 afgewezen.
- Op 1 maart 2021 heeft UHT bij beschikking met kenmerk UHT-DC I aan belanghebbende voor de jaren 2006, 2007 en 2009 een compensatie KOT van
€ 94.600 toegekend. - Op 23 augustus 2021 heeft belanghebbende een verzoek om aanvullende schadevergoeding ingediend bij CWS.
- Op 24 juni 2022 heeft CWS aan UHT geadviseerd om een aanvullende schadevergoeding van € 14.645 toe te kennen.
- Op 22 augustus 2022 heeft UHT met kenmerk UHT-HD CWS op basis van dit advies aan belanghebbende een aanvullende schadevergoeding toegekend van € 14.645.
- Op 22 augustus 2022 heeft UHT bij beschikkingen met kenmerk UHT-DC-I A en UHT-DH5 A de compensatie KOT over het toeslagjaar 2005 definitief afgewezen, omdat geen sprake was van vooringenomenheid dan wel hardheid.
- Bij brief van 27 september 2022, met bijlagen, heeft belanghebbende tegen de beschikking met kenmerk UHT-HD CWS bezwaar gemaakt.
- Op 5 oktober 2023 heeft UHT een schriftelijke reactie ingediend op de bezwaren van belanghebbende.
- Vervolgens heeft mr. E. Köse-Albayrak (hierna onder meer: de aanvankelijke gemachtigde) zich op 7 februari 2024 gesteld als gemachtigde voor belanghebbende.
- Op 5 april 2024 heeft de aanvankelijk gemachtigde een aanvullend bezwaarschrift ingediend tegen de beschikking van 22 augustus 2022 met kenmerk UHT-HD CWS.
- Op 16 april 2024 heeft UHT daarop een aanvullende reactie ingediend.
- Op 19 april 2024 heeft de Commissie een hoorzitting gehouden. De behandeling van het bezwaarschrift is toen, op verzoek van de aanvankelijke gemachtigde, ter zitting geschorst. Een verslag van die hoorzitting is achter dit advies gehecht.
- Vervolgens is er correspondentie ontstaan tussen de Commissie en partijen over de herkomst van het CWS-advies.
- Op 23 april 2024 heeft de aanvankelijke gemachtigde een bezwaarschrift ingediend tegen de drie IB beschikkingen.
- Op 27 augustus 2024 heeft CWS een aanvullend advies aan UHT uitgebracht.
- Op 30 augustus 2024 heeft UHT opnieuw gereageerd en te kennen gegeven om aan belanghebbende, in lijn met het aanvullende advies van CWS, een extra bedrag aan schadevergoeding toe te kennen van € 10.600.
- Vervolgens heeft vorenbedoelde correspondentie tussen de Commissie en partijen een einde genomen.
- Vervolgens is een hoorzitting gepland op 6 september 2024.
- Op die dag heeft de aanvankelijke gemachtigde zich als gemachtigde teruggetrokken en is belanghebbende door de Commissie in de gelegenheid gesteld zich, zo gewenst, van een nieuwe gemachtigde te voorzien.
- Op 3 oktober 2024 heeft gemachtigde zich als opvolgend gemachtigde (verder onder meer aan te duiden als: gemachtigde) heeft gesteld.
- Daarna is een nieuwe hoorzitting gepland op 29 november 2024. Vanwege ziekte van belanghebbende heeft gemachtigde verzocht deze te annuleren.
- Bij brief van 3 december 2024 heeft gemachtigde, beweerdelijk daarop voortbouwend, het bezwaar dat de aanvankelijke gemachtigde had ingediend tegen de drie IB beschikkingen aangevuld. Dat aanvullende bezwaarschrift is, zowel blijkens een van de daarin aangehaalde kenmerken van UHT beschikkingen als blijkens zijn inhoud, mede gericht tegen de beschikking van
1 maart 2021 met kenmerk UHT-DC I, waarbij aan belanghebbende voor de jaren 2006, 2007 en 2009 een compensatie van € 94.600 is toegekend. - Op 14 februari 2025 heeft vervolgens de (tweede) hoorzitting plaatsgevonden waarin beide bezwaarschriften gevoegd zijn behandeld. Het hoorverslag van die zitting is eveneens achter dit advies gevoegd.
- Op 14 februari 2025 heeft gemachtigde, daartoe door de Commissie verzocht, herziene berekeningen ingediend met betrekking tot de rentevergoeding over gemiste KOT. UHT heeft daarop, hoewel daartoe door de Commissie in de gelegenheid gesteld, niet gereageerd.
- De Commissie die dit advies uitbrengt bestaat uit de voorzitter en 2 commissie-leden.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat de bezwaarschriften ontvankelijk zijn.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren tegen de IB beschikkingen en de IB-compensatie-beschikking.
De omvang van dit onderdeel van het geschil.
Ter zitting heeft gemachtigde te kennen gegeven dat de bezwaren voor zo ver die zich richten tegen de beslissingen die zijn genomen in het kader van de forfaitaire
schadevergoeding nog louter betrekking hebben op de hoogte van de in dat verband berekende en aan belanghebbende toegekende compensatie.
De bezwaren tegen de, hiervoor aangeduide, drie IB beschikkingen laat de Commissie daarom buiten bespreking. Met betrekking tot het antwoord op de vraag of UHT de hoogte van het forfaitaire compensatiebedrag op de juiste wijze heeft berekend overweegt de Commissie het volgende.
Bezwaren tegen de compensatieberekening; beoordeling door de Commissie
Gemachtigde heeft ter zitting nader toegelicht dat het bezwaar tegen de compensatieberekening zich nog specifiek richt op de volgende onderdelen:
- Rentevergoeding over gemiste KOT (onderdeel j)
Voor de toeslagjaren 2006, 2007 en 2009 is de rentevergoeding onjuist berekend. Zoals ter zitting afgesproken, heeft gemachtigde het standpunt nader onderbouwd met herziene renteberekeningen, toegezonden aan partijen op 14 februari 2025. De rentevergoedingen dienen, naar zij stelt, respectievelijk als volgt te worden vastgesteld:- 2006: € 9.740
- 2007: € 8.810
- 2009: € 8.587
- KOT voor het onderzoek (onderdeel a)
- Voor het toeslagjaar 2009 is het bedrag onjuist vastgesteld. Uit het SAS-overzicht (productie 10, CWS-dossier) volgt dat dit bedrag € 23.484,44 had moeten zijn in plaats van € 22.697, aldus de gemachtigde.
- Verschil met laatst vastgestelde beschikking KOT (onderdeel d)
Voor het toeslagjaar 2007 is een verschil vastgesteld van € 42, terwijl dit bedrag, naar zij betoogt, op nihil dient te worden gesteld.
De Commissie heeft UHT ter zitting de gelegenheid geboden om binnen twee weken na ontvangst van de door gemachtigde bepleite herziene berekeningen een schriftelijke reactie in te dienen. Nu deze reactie is uitgebleven en de berekeningen van gemachtigde de Commissie ook niet kennelijk ongefundeerd voorkomen acht de Commissie het bezwaar ten aanzien van de compensatieberekening gegrond.
De Commissie adviseert UHT om de compensatieberekening opnieuw uit te voeren conform het standpunt van gemachtigde en een nieuwe compensatieberekening bij de beslissing op bezwaar aan belanghebbende te verstrekken.
De (gedeeltelijke) gegrondbevinding van het bezwaar zal ook leiden tot aanpassing van alle, ingevolgde de Wht daarmee samenhangende, vergoedingen met inachtneming van dit advies, en daarbij, conform het door UHT zelf op dit punt gehanteerde beleid, de einddatum van de daarvoor in aanmerking komende vergoedingen vast te stellen op de datum tot aan de dagtekening van de beslissing op bezwaar.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren tegen de beschikking met kenmerk UHT-HD CWS, inzake de aanvullende werkelijke schadevergoeding, zoals nadien gewijzigd.
Toetsingskader
In het kader van de hersteloperatie KOT biedt de wet gedupeerde ouders de mogelijkheid – naast de (deels) forfaitaire compensatie – ook een verzoek tot vergoeding van aanvullende compensatie voor werkelijke schade te doen. Dit verzoek kan door de gedupeerde ouder worden ingediend bij CWS. Artikel 2.1, derde lid, Wht vermeldt de gang van zaken rondom de indiening van dit verzoek, dat met toepassing van het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht wordt beoordeeld (zie ook Afdeling Bestuursrechtspraak 27 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3620). De gedupeerde ouder dient daarbij informatie te verschaffen waaruit aannemelijk wordt i) dat en in welke mate daadwerkelijk sprake is van aanvullende schade en ii) dat die schade het gevolg is van de handelswijze van de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) waarvoor de ouder al gecompenseerd is.
Omdat CWS is ingesteld om gedupeerde ouders de gang naar de rechter te besparen, dient de adviesprocedure tegemoet te komen aan de eisen van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6, lid 1, EVRM.
Nadat CWS heeft beoordeeld of een gedupeerde ouder recht heeft op aanvullende compensatie, wordt het advies uitgebracht aan UHT. UHT mag zich op het onderzoek van CWS baseren, nadat ze zich ervan vergewist heeft dat het advies zorgvuldig tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten.
UHT kan ter motivering van haar besluit over aanvullende compensatie volstaan met verwijzing naar het advies van CWS, als het advies zelf de motivering bevat en van het advies kennis is of wordt gegeven. Het is mogelijk dat UHT in uitzonderlijke gevallen tot een beslissing komt die ten nadele van de belanghebbende afwijkt van het advies van CWS, maar dit moet dan goed onderbouwd worden.
In een bezwaarprocedure als de onderhavige beoordeelt de Commissie of UHT op een juiste wijze invulling heeft gegeven aan de vergewisplicht. Deze toets vindt in beginsel plaats aan de hand van de door belanghebbende ingediende gronden van het bezwaar. In het geval dat UHT in negatieve zin is afgeweken van het advies van CWS, beoordeelt de Commissie of dit goed onderbouwd heeft plaatsgevonden.
De Commissie zal aan de hand van deze uitgangspunten beoordelen of UHT zich in dit geval kon baseren op het advies en het aanvullende advies van CWS.
Beoordeling
De omvang van dit onderdeel van het geschil
Gemachtigde heeft ter zitting naar voren gebracht dat de bezwaren tegen de beschikking van 22 augustus 2022 met kenmerk UHT-HD CWS nog slechts uitmonden in het volgende. Zij verzoekt de Commissie aan UHT te adviseren om een medische expert in te schakelen. Die zou, na onderzoek, op grond van zijn deskundigheid kunnen verklaren dat er wel degelijk een causaal verband bestaat tussen het door belanghebbende doorstane leed, uiteindelijk leidend tot ziekte en depressie en de onterechte terugvorderingen van de KOT. Ten gevolge van de daardoor verergerde fysieke en psychische slechte gesteldheid van belanghebbende zou meer (ook inkomens)schade moeten worden vergoed dan nu is gedaan.
De Commissie, zich tot dat bezwaar beperkende, volgt gemachtigde niet in dat betoog en legt hierna uit waarom zij tot dat oordeel komt.
Naar de opvatting van CWS is niet aannemelijk geworden dat sprake is van een causaal verband tussen de KOT-problemen en de gestelde inkomensschade. UHT heeft dat oordeel overgenomen. De Commissie is, bij deze stand van het dossier, van mening dat UHT dat heeft kunnen doen. De Commissie overweegt daartoe in de eerste plaats dat op grond van de stukken voldoende aannemelijk is geworden dat de eerste problemen met de KOT zich in juni 2008 voordeden, terwijl de door belanghebbende gestelde problemen door ziekte, schulden en geschillen met het UWV reeds vanaf 2002 bestonden. Ten tweede heeft de Commissie, los van de tijdlijn, in hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd geen, al waren het maar de contouren van, aannemelijkheid aanwezig kunnen achten dat het gestelde inkomensverlies op enige wijze (mede) zou zijn veroorzaakt door handelen van B/T.
In deze omstandigheden, die er mede door worden gekenmerkt dat belanghebbende in geen enkel stadium van de procedure zelf met relevante, op haar stelling toegesneden, medische bescheiden de juistheid van haar stellingen heeft trachten te staven, ziet de Commissie, ook uit een oogpunt van een efficiënte voortgang van de procedure, geen reden het door gemachtigde gedane verzoek thans nog in te willigen.
Dat betekent dat alle stellingen van gemachtigde, betrekking hebbend op het verlies van (ook toekomstig) inkomen en die van dit, gestelde, causale verband uitgaan of daarop voortbouwen, overtuigingskracht missen. De Commissie adviseert UHT daarom de op dit punt ontwikkelde bezwaren ongegrond te verklaren.
De Commissie heeft er wel goede nota van genomen dat van de zijde van UHT ter zitting de mogelijkheid is open gehouden dat belanghebbende een nieuw aanvullend, medisch onderbouwd, verzoek met betrekking tot de gestelde, kortweg, verergeringsschade kan indienen. Als dat spoedig zijn beslag kan krijgen, zou een en ander bij de beslissing op bezwaar, mogelijk, kunnen worden meegenomen.
Vermogensschade sieraden
Naar de opvatting van CWS is, blijkens haar aanvullende advies, sprake van een causaal verband tussen de KOT-problemen en de gestelde schade door het belenen/verkopen van sieraden, die heeft plaatsgevonden in 2011 en 2013. CWS heeft in dat aanvullende advies, onder aanvoering van de daartoe leidende overwegingen, becijferd dat daarmee een bedrag is gemoeid van € 3.205. UHT heeft dat bedrag, naar het oordeel van de
Commissie, kunnen overnemen. De Commissie deelt evenwel niet de opvatting van CWS dat het alsnog vergoeden van deze schade voortvloeit uit de toepasselijkheid van het nieuwe schadekader. De redengeving die CWS heeft ontvouwd waarom de gestelde schade op dit punt nu wel voor vergoeding in aanmerking komt is immers niet het gevolg van het hanteren van andere, ruimere, marges of hogere standaardbedragen, maar vloeit, naar zijn kern genomen, voort uit de omstandigheid dat een, al voor de totstandkoming van het nieuwe schadekader door belanghebbende ingenomen standpunt nu, terecht, wel aannemelijk wordt geacht.
Daarom zal de Commissie UHT adviseren om, ten gevolge van een herroeping van de bestreden beschikking wegens een, op dit onderdeel, aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid, een proceskostenvergoeding toe te kennen.
Zoals hiervoor reeds is overwogen, acht de Commissie aannemelijk dat de problemen met de KOT in juni 2008 zijn begonnen. Voldoende aannemelijk is dat van de in totaal 33 beleningen van sieraden, er 31 hebben plaatsgevonden in de periode van februari 2007 tot en met juni 2008. De Commissie heeft in hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd geen aanknopingspunten kunnen vinden voor het standpunt dat de beleningen/verkopen in die periode noodzakelijk waren door terugvorderingen van de KOT. Gezien deze overwegingen, heeft UHT geen aanleiding hoeven zien om deze schadepost, betrekking hebbend op 2007 en 2008, te vergoeden.
Immateriële schade
CWS heeft in haar aanvullende advies, met toepassing van het nieuwe schadekader, UHT geadviseerd aan belanghebbende € 24.500 als vergoeding van immateriële schade toe te kennen. De reeds toegekende forfaitaire vergoeding van € 13.000 wegens immateriële schade is daarmee verrekend.
Conclusie en advies
Samengevat adviseert de Commissie UHT om:
- het bezwaarschrift tegen de beschikking van 22 februari 2021 met kenmerk UHT-DC-I A, en de beschikkingen van 22 augustus 2022 met kenmerk UHT-DC-I A onderscheidenlijk UHT-DH5 A ongegrond te verklaren;
- het bezwaarschrift tegen de beschikking van 1 maart 2021 met kenmerk UHT-DC I deels gegrond te verklaren en om de, ingevolgde de Wht daarmee samenhangende, vergoedingen opnieuw te berekenen met inachtneming van dit advies, en daarbij, conform het door UHT zelf op dit punt gehanteerde beleid, de einddatum van de daarvoor in aanmerking komende vergoedingen vast te stellen op de datum tot aan de dagtekening van de beslissing op bezwaar en de IB-compensatiebeschikking in zoverre te herroepen;
- het bezwaarschrift tegen de beschikking van 22 augustus 2022 met kenmerk UHT-HD CWS deels gegrond te verklaren;
- laatstgenoemd bestreden beschikking te herroepen in lijn met het aanvullende advies van CWS;
- een proceskostenvergoeding toe te kennen op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht, op basis van 3,5 punten (2 bezwaarschriften,
1 hoorzitting en 0,5 nadere hoorzitting) tegen het hoogste tarief.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter