Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-15072

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 23 oktober 2023 (kenmerk UHT-DCHOA)

Hoorzitting: 11 april 2025 om 13:15 uur

Overdracht advies aan UHT: 16 mei 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar tegen de beschikking van 23 oktober 2023 met kenmerk UHT-DCHOA ongegrond te verklaren.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2009, 2010, 2011, 2012 en 2014.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 1 februari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2008 en 2009. Na overleg met belanghebbende zijn de jaren 2009, 2010, 2011, 2012 en 2014 herbeoordeeld. Het jaar 2008 is niet herbeoordeeld, omdat er over dat jaar geen KOT is aangevraagd en dienaangaande dus ook geen terugvordering heeft plaatsgevonden.
  • UHT heeft bij beschikking van 8 mei 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat zij wel in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 25 augustus 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de jaren 2009, 2010, 2011, 2012 en 2014 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft bij de bestreden beschikking van 23 oktober 2023 met kenmerk UHT-DCHOA aan belanghebbende geen compensatie toegekend voor de jaren 2009, 2010, 2011, 2012 en 2014.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 22 november 2023, ingekomen op 30 november 2023, tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 6 november 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 11 april 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de beantwoording van de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de jaren 2009, 2010, 2011, 2012 en 2014 af te wijzen.

Persoonlijk dossier/equality of arms

Belanghebbende stelt dat zonder het volledige persoonlijke dossier niet kan worden beoordeeld of het verzoek om compensatie terecht is afgewezen. De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. De schriftelijke reactie/beschouwing en de onderliggende stukken zijn toegezonden. De Commissie vindt dat met het toezenden van deze stukken is voldaan aan de in artikel 7:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Dat kan anders zijn als de belanghebbende een duidelijk aanknopingspunt geeft waarom het persoonlijk dossier moet worden afgewacht. Dat is hier niet gebeurd. De enkele opmerking dat bij onbekendheid van de stukken in dat dossier het mogelijk is dat er nog relevante informatie ontbreekt, is niet voldoende. De door belanghebbende in dit verband aangevoerde bezwaren kunnen daarom niet tot het door haar gewenste resultaat leiden. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Beoordeling definitieve afwijzing compensatie over 2009, 2010, 2011, 2012 en 2014

Belanghebbende meent dat UHT het verzoek om compensatie over bovengenoemde toeslagjaren onterecht heeft afgewezen. De Commissie overweegt hierover het volgende. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, van de Wht komt voor een compensatie in aanmerking de ouder van wie aannemelijk is dat de vaststelling van zijn aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van een institutioneel vooringenomen handelwijze door de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) of bijzondere hardheid. Toekenning van compensatie blijft, ingevolge artikel 2.1, tweede lid, van de Wht, achterwege als sprake is van ernstige onregelmatigheden die aan de ouder toerekenbaar zijn. Dit laatste is onder meer het geval in situaties waarin een belanghebbende evident geen recht had op KOT. Volgens UHT was daarvan sprake in de jaren 2009, 2011, 2012 en 2014, nu belanghebbende in die jaren geen gebruik heeft gemaakt van geregistreerde kinderopvang. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat tijdens die jaren sprake is geweest van gekwalificeerde kinderopvang. Er zijn door belanghebbende bijvoorbeeld geen jaaropgaven verstrekt van de genoten kinderopvang. Daarnaast heeft belanghebbende indertijd geen bezwaren ingediend tegen de nihilstellingen. Voorts kan volgens het beleid van UHT in uitzonderlijke situaties sprake zijn van hardheid. Niet, althans onvoldoende, is gebleken, dat belanghebbende in zodanige, voor de toepassing van dit beleid relevante, uitzonderlijke omstandigheden heeft verkeerd. De Commissie adviseert UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Beslagvrije voet

Belanghebbende voert aan dat zij schade heeft geleden als gevolg van de verrekeningen van de terugvorderingen met de nadien toegekende KOT en andere toeslagen, zoals de huur- en zorgtoeslag. De B/T heeft bij deze verrekeningen geen rekening gehouden met de beslagvrije voet. De Commissie overweegt hierover dat de beslagvrije voet niet van toepassing is op de kinderopvangtoeslag. Deze toeslag is immers niet bedoeld als inkomensvoorziening, maar voor het bevorderen van de arbeidsparticipatie. De Commissie adviseert UHT daarom om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Financiële benadeling door automatische continuering

Belanghebbende stelt dat zij financieel is benadeeld doordat B/T de KOT in de jaren 2011 en 2012 automatisch heeft gecontinueerd. De Commissie overweegt dat op grond van artikel 15, vijfde lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen een aanvraag wordt geacht mede te zijn gedaan voor op het berekeningsjaar volgende berekeningsjaren. De Commissie erkent dat het automatisch continueren financiële gevolgen kan hebben, echter volgt uit het dossier niet dat in dit geval schade is geleden door de automatische continuering. De KOT is immers aan belanghebbende uitbetaald.

De Commissie volgt UHT verder in haar betoog dat belanghebbende zelf verantwoordelijk is om tijdig wijzigingen door te geven. De Commissie adviseert UHT om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel

De Commissie is van oordeel dat UHT de bestreden beschikking weliswaar aanvankelijk onvoldoende heeft toegelicht, maar dat door middel van het indienen van het schriftelijke verweer, een uitgebreide uitleg ter zitting en overige producties het bestreden besluit uiteindelijk voldoende is onderbouwd.

Proceskostenvergoeding

Nu de Commissie niet adviseert het primaire besluit te herroepen, ziet de Commissie geen aanleiding om UHT te adviseren een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie, de hiervoor geformuleerde vraag bevestigend beantwoord, om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter