Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-15020

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluiten: 1 februari 2022 (UHT-DC I) en 17 juli 2023 (UHT-DCHO)

Hoorzitting: 14 januari 2025

Overdracht advies aan UHT: 14 maart 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaarschrift gericht tegen het definitieve compensatiebedrag deels gegrond te verklaren en het bezwaarschrift gericht tegen de afgewezen toeslagjaren en tegemoetkoming opzet/grove schuld ongegrond te verklaren. Voorts adviseert de Commissie een proceskostenvergoeding toe te kennen.

Onderwerp van advies

De door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschriften zijn gericht tegen de volgende twee door UHT genomen beschikkingen:

  1. De beschikking van 1 februari 2022 met kenmerk UHT-DC I, waarin UHT aan belanghebbende een definitief compensatiebedrag van totaal € 98.265 toekent voor de toeslagjaren 2009 en 2010. De Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) heeft over die periode bij de beoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) fouten gemaakt.
  2. De beschikking van 17 juli 2023 met kenmerk UHT-DCHO, waarin UHT aan belanghebbende een tegemoetkoming opzet/grove schuld (hierna: O/GS-tegemoetkoming) toekent van € 10.745 voor toeslagjaar 2011. De reden is dat B/T in het verleden ten onrechte niet heeft meegewerkt aan het verzoek van belanghebbende om een betalingsregeling. Compensatie dan wel een O/GS-tegemoetkoming voor de toeslagjaren 2012 tot en met 2015 wordt afgewezen.

Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen, hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.6 en 9.2 Wht moeten de bestreden beschikkingen geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.

Procesverloop

  • Op 20 februari 2021 heeft belanghebbende verzocht om herbeoordeling van de toeslagjaren 2009 en 2010.
  • Op 11 oktober 2021 heeft UHT als vooraankondiging het voorlopige compensatiebedrag voor de toeslagjaren 2009 en 2010 bepaald op € 97.581.
  • Op 1 februari 2022 heeft UHT het definitieve compensatiebedrag voor de toeslagjaren 2009 en 2010 is vastgesteld op € 98.265.
  • Op 21 april 2023 heeft belanghebbende telefonisch verzocht om ook de toeslagjaren 2011 tot en met 2015 te herbeoordelen.
  • Op 29 juni 2023 heeft de Commissie van Wijzen (hierna: CvW) als advies uitgebracht dat de compensatieregeling en de hardheidscompensatie niet van toepassing zijn op de toeslagjaren 2011 tot en met 2015 en daarnaast ook voor de toeslagjaren 2012, 2013 en 2015 geen O/GS-tegemoetkoming wordt verleend.
  • Op 17 juli 2023 heeft UHT voor toeslagjaar 2011 een O/GS-tegemoetkoming van € 10.745 toegekend. Compensatie voor de toeslagjaren 2012 tot en met 2015 is afgewezen.
  • Op 13 juli 2023 heeft gemachtigde tegen beide beschikkingen een bezwaarschrift ingediend.
  • Op 16 augustus 2024 heeft UHT een schriftelijke beschouwing ingediend.
  • Op 14 januari 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Het hoorverslag is bij dit advies gevoegd.
  • Naar aanleiding van hetgeen besproken tijdens de hoorzitting heeft UHT op 22 januari 2025 een aanvullende beschouwing ingediend. Gemachtigde heeft hier op 19 februari 2025 op gereageerd.
  • De Commissie bestaande uit de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid, heeft dit advies behandeld.

Ontvankelijkheid

De ontvankelijk van de bezwaarschriften is niet in geschil.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en de bestreden besluiten

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie op de juiste wijze heeft berekend en compensatie voor de overige jaren terecht is afgewezen. De Commissie zal hieronder per beschikking adviseren.

Toegewezen toeslagjaren 2009 en 2010 (UHT OCH-IJ

Gemachtigde acht het besluit ten aanzien van het toegekende compensatiebedrag onzorgvuldig tot stand gekomen omdat aan belanghebbende geen inzicht is gegeven in onderliggende stukken. De berekening van het compensatiebedrag is volgens gemachtigde niet correct.

UHT heeft in de schriftelijke beschouwing aangegeven dat de compensatieberekening op enkele punten inderdaad dient te worden aangepast. De aanvangsdatum van de immateriële schadevergoeding moet zijn 17 april 2010 in plaats van 22 maart 2010 (component n van de compensatieberekening). Deze onjuistheid valt uit in het voordeel van belanghebbende. Tevens is er een onjuiste berekening gehanteerd bij het vaststellen van de rentevergoeding gemiste KOT (component o van de compensatieberekening). Het bedrag voor toeslagjaar 2009 moet zijn € 12.385 in plaats van € 12.375. Het bedrag voor toeslagjaar 2010 moet zijn € 10.588 in plaats van € 10.579.

UHT acht het bezwaar op deze punten gegrond en zal de compensatieberekening aanpassen in de beslissing op bezwaar en daarbij het verbod van reformatio in peius in acht nemen. De Commissie adviseert UHT om aan deze toezegging gevolg te geven en de compensatieberekening aan te passen conform de in de schriftelijke beschouwing opgenomen toezeggingen. UHT heeft de Commissie meegedeeld dat UHT, indien een bezwaar (gedeeltelijk) gegrond is, bij de berekening van de vergoeding voor immateriële schade - in afwijking van de Wht - als einddatum zal hanteren de datum van de beslissing op het bezwaar. De Commissie adviseert UHT daarom dit beleid ook in dit geval toe te passen.

De overige bedragen in de compensatieberekening zijn vastgesteld aan de hand van de gegevens die UHT tot haar beschikking had. De bedragen zijn afkomstig van onder meer de voorschotbeschikkingen en definitieve beschikkingen. De Commissie is van oordeel dat met het indienen van de schriftelijke reactie, de toelichting tijdens de hoorzitting, de overzichten van het Landelijk Incasso Centrum (hierna: LIC-overzichten) en de overige producties, de compensatieberekening en het bestreden besluit voldoende is onderbouwd en zorgvuldig tot stand gekomen.

Afgewezen toeslagjaren 2011, 2012 en 2013 (UHT OCHOJ

Tijdens de hoorzitting heeft gemachtigde aangegeven dat de bezwaren ten aanzien van de toeslagjaren 2014 en 2015 zijn ingetrokken. Daarom zal de Commissie deze jaren verder buiten beschouwing laten.

Gemachtigde acht het besluit ten aanzien van de overige afgewezen toeslagjaren onzorgvuldig tot stand gekomen. Belanghebbende volgde in de jaren 2011, 2012 en 2013 wel een re-integratietraject via de gemeente en heeft dit middels documentatie en een video op YouTube aangetoond. Met betrekking tot de mail van de gemeente Zoetermeer waarnaar UHT verwijst, stelt gemachtigde dat belanghebbende voor de toeslagjaren 2011, 2012 en 2013 zoveel contra-informatie heeft aangeleverd dat niet vertrouwd moet worden op één enkele mail van de gemeente. Voor zover er in de betreffende toeslagjaren geen kinderopvang is afgenomen, stelt gemachtigde dat dit veroorzaakt is door de handelswijze van B/T. Door het verrekenen van de terugvorderingen met KOT kon belanghebbende de opvang niet meer betalen. Voorts is nagelaten om toeslagjaar 2008 te betrekken in de herbeoordeling.

UHT stelt dat belanghebbende in de jaren 2011, 2012 en 2013 geen aanspraak had op KOT. UHT stelt dat belanghebbende in de toeslagjaren 2011, 2012 en 2013 een uitkering ontving op grond van de Wet werk en bijstand, terwijl niet vast is komen te staan dat belanghebbende voldeed aan de voorwaarden voor aanspraak op KOT, zoals het volgen van een re-integratietraject. Volgens de mail van de gemeente Zoetermeer van 29 augustus 2016 blijkt dat ook vanuit de gemeente aan belanghebbende geen gemeentelijke bijdrage voor kinderopvang werd gegeven (productie 96). Derhalve is volgens UHT geen aanspraak geweest op KOT wegens het volgen van een re-integratietraject. In een aanvullende reactie heeft UHT aangegeven dat de ter zitting afgespeelde YouTube video onvoldoende aannemelijk maakt dat de ouder in 2011 deelnam aan een re-integratie traject en daarmee voldeed aan de eis van doelgroeper.

Daarnaast stelt UHT dat uit mailwisselingen in 2016 met diverse kinderopvanginstelling blijkt dat in toeslagjaar 2012 en 2013 in het geheel geen opvang is meer afgenomen (productie 100). Ook hierdoor bestond geen aanspraak op KOT en komt belanghebbende niet in aanmerking voor compensatie.

De Commissie overweegt als volgt. Voor compensatie komt, ingevolge het bepaalde in de Wht, kortweg, in aanmerking de ouder waarvan aannemelijk is dat de vaststelling van zijn of haar aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van B/T. Toekenning van compensatie blijft achterwege als sprake is van ernstige onregelmatigheden die aan de ouder toerekenbaar zijn. Dit laatste is onder meer het geval in situaties waarin een belanghebbende evident geen recht had op KOT.

Uit het bezwaardossier volgt dat belanghebbende in de toeslagjaren 2011, 2012 en 2013 een uitkering ontving op grond van de Wet werk en bijstand, terwijl niet vast is komen te staan dat belanghebbende voldeed aan de voorwaarden voor aanspraak op KOT, zoals het volgen van een re-integratietraject. De gemeente Zoetermeer heeft in 2016 aangegeven dat er voor de toeslagjaren 2011 tot en met 2015 geen gemeentelijke bijdrage meer voor de kinderopvang is verstrekt. Met de stukken die door belanghebbende zijn ingebracht, waaronder een YouTube video uit december 2010 is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de informatie van de gemeente niet juist is en belanghebbende wel een re-integratietraject volgde in 2011. Daarnaast blijkt uit correspondentie uit 2016 van het fraudeteam van B/T met verschillende kinderopvanginstellingen dat in de toeslagjaren 2012 en 2013 geheel geen kinderopvang is afgenomen.

Gelet op vorenstaande is er naar het oordeel van de Commissie geen reden het advies van de CvW en het standpunt van UHT met betrekking tot de afgewezen toeslagjaren onjuist te achten. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hier het standpunt van belanghebbende te volgen. Hierbij merkt de Commissie op dat, ondanks herhaaldelijk verzoek, gemachtigde niet de tijdens de hoorzitting aangehaalde stukken van belanghebbende met betrekking tot de herbeoordeling van de jaren 2009 en 2010 heeft overgelegd. De Commissie is verder van oordeel dat met het indienen van het schriftelijke verweer en de overige producties, het bestreden besluit ten aanzien van de afgewezen toeslagjaren voldoende is onderbouwd en zorgvuldig tot stand gekomen.

Voorts blijkt uit het bezwaardossier dat in overleg met belanghebbende is besloten om toeslagjaar 2008 niet te mee te nemen in de herbeoordeling omdat voor dat toeslagjaar geen terugvordering van KOT heeft plaatsgevonden. De Commissie acht de bezwaren op dit punt ongegrond.

Met betrekking tot de O/GS-tegemoetkoming merkt de Commissie op dat deze volgens artikel 2.6 lid 2 Wht 30% bedraagt van het bedrag van de terugvordering. Uit het LIC-overzicht voor toeslagjaar 2011 volgt dat een bedrag van totaal €35.816 is teruggevorderd. Gelet hierop is de Commissie van oordeel dat de aan belanghebbende toegekende O/GS-tegemoetkoming van € 10.745 correct is berekend.

Proceskostenvergoeding

Nu het bezwaar naar de mening van de Commissie deels gegrond is en het advies van de Commissie ertoe strekt om de beschikking met kenmerk UHT DCH I te herroepen, adviseert de Commissie UHT tevens de kosten van rechtsbijstand in deze procedure te vergoeden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De Commissie adviseert om hierbij de hoogste vergoeding toe te kennen met wegingsfactor twee.

Conclusie

Gelet op het vorenstaande adviseert de Commissie:

  • het bezwaarschrift gericht tegen de beschikking met kenmerk UHT DCH I deels gegrond te verklaren en de compensatieberekening aan te passen conform bovenstaande overwegingen; en
  • het bezwaarschrift gericht tegen de beschikking met kenmerk UHT DCHO ongegrond te verklaren; en
  • een proceskostenvergoeding toe te kennen

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter