BAC 2024-15235
Publicatiedatum 05-02-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Dienst Toeslagen / Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen
(hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 6 december 2023 (UHT-DCHA)
Hoorzitting: 2 juni 2025 om 11:00 uur
Overdracht advies aan UHT: 19 juni 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar voor het jaar 2016 gegrond te verklaren, belanghebbende over dit jaar alsnog te compenseren en een proceskostenvergoeding toe te kennen.
Onderwerp van advies
Het door belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking beoordeling kinderopvangtoeslag (met kenmerk UHT-DCHA) van 6 december 2023 (hierna: de bestreden beschikking).
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2016 tot en met 2018.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 11 mei 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2015 tot en met 2019.
- UHT heeft bij beschikking van 11 mei 2022 (met kenmerk UHT CHR GU) aan belanghebbende medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000,-, maar dat de herbeoordeling nog dient plaats te vinden.
- Het verzoek om herbeoordeling is niet voor advies aan de Commissie van Wijzen (hierna: CvW) voorgelegd. Daardoor ontbreekt dit advies in het dossier.
- UHT heeft bij de bestreden beschikking aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2016 tot en met 2018.
- Belanghebbende heeft bij brief van 15 januari 2024 een bezwaarschrift ingediend tegen deze beschikking.
- UHT heeft op 23 december 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 2 juni 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en 2 commissieleden.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie gaat in dit advies in op de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming over de toeslagjaren 2016 tot en met 2018 af te wijzen. Tijdens de hoorzitting heeft belanghebbende haar bezwaar beperkt tot het jaar 2016. De overige in het bezwaar genoemde jaren hoeven niet meer te worden beoordeeld door UHT.
Toeslagjaar 2016
De Commissie begrijpt het bezwaar van belanghebbende zo, dat zij stelt in aanmerking te komen voor compensatie, omdat belanghebbende ten onrechte geen KOT heeft ontvangen over de maand oktober van 2016 als gevolg van een ontijdige stopzetting daarvan door de Belastingdienst/Toeslagen (B/T), zonder deze stopzetting eerst met belanghebbende te bespreken of daarvoor toestemming te vragen. UHT brengt hiertegen in dat B/T meermaals tevergeefs telefonisch contact heeft gezocht met belanghebbende over de samenstelling van haar huishouden. Gelet op het gegeven dat B/T de informatie ontving op
11 oktober 2016 en dat in de voorschotbeschikking van 21 oktober 2016 de wijzigingen tot en met 30 september 2016 zijn verwerkt, mocht de KOT op basis van de toen bekende gegevens in de systemen worden verlaagd. Toen B/T na een schriftelijke uitvraag op 6 oktober 2016 alsnog duidelijkheid kreeg over deze samenstelling, heeft zij de doorgevoerde verlaging op 21 november 2016 hersteld.
Ten aanzien van het toeslagjaar 2016 heeft UHT geoordeeld dat belanghebbende niet in aanmerking komt voor compensatie, omdat sprake is geweest van een verlaging van de KOT op basis van een door belanghebbende doorgegeven wijziging en dit geen vooringenomen handelen oplevert. Tussen partijen is inmiddels niet langer in geschil dat er geen stopzetting door belanghebbende heeft plaatsgevonden, maar dat de KOT door B/T op 21 oktober 2016 is verlaagd uitsluitend op basis van de vermeende bewoningssituatie van belanghebbende. Wel verschillen de lezingen van UHT en belanghebbende over de gang van zaken in 2016. UHT stelt meermaals telefonisch contact gezocht te hebben met belanghebbende om te bewonerssituatie te verduidelijken en – toen dit niet lukte - de KOT vervolgens op basis van de informatie uit de systemen te hebben verlaagd. Belanghebbende stelt niet gebeld te zijn en ook geen voicemailberichten te hebben ontvangen. Volgens UHT hebben de doorgevoerde verlaging en de mededeling van belanghebbende van 11 oktober 2016 elkaar “gekruist” en is belanghebbende niet benadeeld omdat de situatie later weer is rechtgezet door B/T. Bovendien stelt belanghebbende juist zelf te hebben gebeld met B/T. Dit is volgens belanghebbende niet in de systemen terug te vinden, zodat getwijfeld kan worden aan de juistheid van de in de systemen opgenomen informatie en daarop niet vertrouwd had mogen worden.
De Commissie stelt voorop dat het bezwaardossier niet in de gebruikelijke vorm is samengesteld. Zo ontbreekt het Informatie- en beoordelingsformulier in het bezwaardossier van belanghebbende. Ook is het advies van de Commissie van Wijzen niet in het bezwaardossier opgenomen. De Commissie heeft geen bevredigend antwoord gekregen op de vraag waarom deze stukken niet in het bezwaardossier zijn opgenomen.
Het ontbreken van de stukken leidt er onder meer toe dat het in het Informatie- en beoordelingsformulier opgenomen “Ouderverhaal” niet in de gebruikelijke vorm voorhanden is, waardoor de door belanghebbende ervaren loop van de gebeurtenissen naar het oordeel van de Commissie niet goed gedocumenteerd is. De Commissie acht dit voor de zorgvuldigheid van de procedure wel van belang. Het door UHT opgestelde gespreksverslag volstaat daarbij naar het oordeel van de Commissie niet.
De Commissie is van oordeel dat de aaneenschakeling van gebeurtenissen in het toeslagjaar 2016 in dit geval vooringenomenheid oplevert. De Commissie stelt vast dat een volledige reconstructie van de gang van zaken niet meer mogelijk is. Volgens de Commissie is niet gedocumenteerd of B/T voicemailberichten heeft achtergelaten en kan niet worden uitgesloten dat belanghebbende zelf ook contact heeft opgenomen met B/T over haar bewoningssituatie. Los daarvan maakt de Commissie uit de beschouwing op dat B/T belanghebbende bij brief van 8 oktober 2016 heeft verzocht informatie te geven over de samenstelling van haar huishouden. Verzocht is deze informatie vóór 24 oktober 2016 aan te leveren. Hoewel belanghebbende tijdig gehoor heeft gegeven aan dit verzoek en op
11 oktober 2016 telefonisch contact heeft opgenomen met B/T, heeft dit B/T er niet van weerhouden de KOT op 21 oktober 2016 (en dus nog voor het einde van de gegeven termijn) te verlagen. Deze gang van zaken geeft volgens de Commissie blijk van vooringenomen handelen. Dat deze correctie op 21 november 2016 is hersteld, doet daaraan niet af. Belanghebbende heeft in de periode van 11 oktober 2016 tot 21 november ten onrechte minder KOT ontvangen dan haar toekwam en dat dit haar financieel heeft benadeeld. Daarbij heeft belanghebbende tijdens de hoorzitting toegelicht dat zij ten tijde van de stopzetting alleenstaande moeder was en studeerde.
De onzekerheid over de kinderopvangtoeslag bracht aanzienlijke stress met zich mee, ook omdat belanghebbende voor het voortzetten van haar opleiding afhankelijk was van de kinderopvang(toeslag). Ook heeft de stopzetting belanghebbende in verlegenheid gebracht, omdat zij door de kinderopvanginstelling publiekelijk is aangesproken over het uitblijven van betalingen. Dat heeft belanghebbende extra stress gegeven. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar gegrond te verklaren en belanghebbende alsnog te compenseren over het toeslagjaar 2016 wegens vooringenomen handelen.
Toeslagjaren 2017 en 2018
Zoals vermeld, heeft belanghebbende haar bezwaar beperkt tot het toeslagjaar 2016. Ten overvloede voegt de Commissie hieraan toe dat zij uit eigen beweging (“ambtshalve”) geen redenen ziet voor een gegrondverklaring ten aanzien van de jaren 2017 en 2018.
Proceskostenvergoeding
Nu de Commissie het bezwaar gegrond acht, adviseert zij om het verzoek voor vergoeding van de proceskosten in deze bezwaarprocedure toe te wijzen en daarbij het Besluit proceskosten bestuursrecht in acht te nemen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar voor het jaar 2016 gegrond te verklaren, belanghebbende over dit jaar alsnog te compenseren en een proceskostenvergoeding toe te kennen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter