BAC 2024-15222
Publicatiedatum 05-02-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Dienst Toeslagen / Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen
(hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 27 september 2023 (UHT-DCHR A)
Hoorzitting: 12 mei 2025 om 11:15 uur
Overdracht advies aan UHT: 1 oktober 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT op 27 september 2023 genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) met kenmerk UHT-DCHR A (hierna ook te noemen: de bestreden beschikking).
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2012 en 2017 tot en met 2019.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 6 mei 2022 verzocht om een herbeoordeling van de KOT over het jaar 2012. Na overleg met de persoonlijk zaakbehandelaar is het herbeoordelingsverzoek uitgebreid naar de jaren 2012 en 2017 tot en met 2019.
- UHT heeft bij beschikking van 28 juli 2022 aan belanghebbende meegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000,-.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 6 september 2023 aan de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) toegestuurd. De CvW heeft in haar advies geoordeeld dat de compensatieregeling van art. 2.1, eerste lid van de Wht niet van toepassing is voor de jaren 2012 en 2017 t/m 2019.
- UHT heeft bij de bestreden beschikking aan belanghebbende meegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2012 en 2017 tot en met 2019.
- Gemachtigde heeft bij brief van 27 oktober 2023 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 5 maart 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 12 mei 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter dit advies is gehecht.
- UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 16 juni 2025 een nadere schriftelijke beschouwing en stukken ingediend. Gemachtigde heeft daar ondanks herhaald verzoek niet op gereageerd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en 2 commissieleden.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.
Motivering van het besluit, volledigheid dossier en equality of arms
Belanghebbende stelt dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd omdat zij bij gebrek aan haar persoonlijk en volledig dossier de beschikking niet
op juistheid kan controleren. Meer specifiek stelt belanghebbende niet te beschikken over de betaal- en verrekenoverzichten van het Landelijke Incasso Bureau (hierna: LIC).
Voor zover UHT haar beoordeling bij het uitbrengen van het bestreden besluit niet voldoende zou hebben toegelicht, impliceert dat niet dat van een gebrekkige motivering dan wel onzorgvuldigheid sprake is. De Commissie is van oordeel dat door middel van het indienen van de schriftelijke beschouwing, een uitgebreide uitleg met behulp van (de later overgelegde) overzichten van het LIC en overige producties het bestreden besluit voldoende is onderbouwd.
Doordat belanghebbende niet over het volledige dossier beschikte en UHT wel, stelt belanghebbende in haar procesbelang te zijn geschaad. De Commissie overweegt hierover het volgende.
De Commissie is een onafhankelijke bezwaarschriftenadviescommissie in de zin van artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Voor de procedure bij de Commissie gelden de procedurele waarborgen van de Awb en tegen beslissingen op bezwaar van UHT, zoals volgt op de adviezen van de Commissie, kan een belanghebbende rechtsmiddelen instellen bij de rechter.
Op grond van artikel 7:4 lid 2 Awb en artikel 5.2 lid 3 en 4 Wht heeft een belanghebbende voorafgaand aan de hoorzitting bij de Commissie recht op afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken. De Commissie is van oordeel dat het voor een goed begrip van het bestreden besluit niet noodzakelijk is te beschikken over het persoonlijk dossier. De schriftelijke beschouwing en de op de zaak betrekking hebbende stukken zijn op 12 maart 2025 aan gemachtigde toegezonden. Daarnaast heeft UHT op verzoek van gemachtigde en de Commissie op 16 juni 2025 de LIC-overzichten en een specificatie van de stopzetting door belanghebbende in het toeslagjaar 2012 toegevoegd aan het dossier. Hierdoor hebben gemachtigde en belanghebbende kennis kunnen nemen van de op de zaak betrekking hebbende stukken en gelegenheid gehad om daarop te reageren.
Uit de stellingname van belanghebbende volgt niet dat in het aan de Commissie en belanghebbende beschikbaar gestelde bezwaardossier nog specifieke stukken zouden ontbreken die van enig belang zijn geweest voor de door UHT genomen beschikking. De Commissie ziet daarom geen aanknopingspunten voor het oordeel dat belanghebbende in haar procesbelang is geschaad en het beginsel van “equality of arms” geschonden is. Bovendien volgt uit de jurisprudentie dat aan dit beginsel geen rechtstreekse betekenis toekomt voor de bestuurlijke besluitvorming, waaronder de bezwaarprocedure (AbRvS 12 juli 2006, JB 2006/268, AB 2008).
De Commissie adviseert UHT daarom het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Reguliere bijstellingen
Belanghebbende kan zich niet verenigen met de afwijzing van de compensatie of tegemoetkoming voor de betrokken jaren.
De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden die erop wijzen dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de toeslagjaren 2012 en 2017 tot en met 2019 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard is geweest.
De terugvordering over het jaar 2012 is het gevolg van de stopzetting door belanghebbende op 14 maart 2012 per 20 maart 2012. De stopzetting is in overeenstemming met de gegevens uit de KOI-viewer, de door belanghebbende verstrekte jaaropgave en haar toelichting. De Commissie is van oordeel dat uit de geschetste situatie en de beschikbare stukken onvoldoende aanwijzingen volgen die erop duiden dat B/T belanghebbende zou hebben geadviseerd de KOT stop te zetten. Dit punt acht de Commissie door belanghebbende onvoldoende aannemelijk gemaakt.
De KOT over het jaar 2017 is vastgesteld op basis van de door belanghebbende aangeleverde gegevens. De berekening van de hoogte van de KOT is afhankelijk van verschillende factoren. De Commissie overweegt verder dat de Wht is bedoeld voor herstel van vooringenomen handelen, hardheid of een onterechte O/GS-kwalificatie en niet betrekking heeft op de herziening van definitieve KOT-beschikkingen. Een beoordeling daarvan valt dus buiten de reikwijdte van de Wht.
In de toeslagjaren 2018 en 2019 hebben er geen verlagingen plaatsgevonden van de KOT.
De Commissie komt tot de conclusie dat de terugvorderingen KOT over de jaren 2012 en 2017 waren gelegen in een te hoog voorschot, dat op basis van reguliere wijzigingen opnieuw is berekend. Deze bijstellingen zijn conform de wet uitgevoerd. De reguliere correcties wijzen ook niet op onbillijkheden vanwege de hardheid waarmee het wettelijk systeem werd toegepast. Daarbij ligt het in de aard van een voorschot besloten, dat de werkelijke, later vast te stellen aanspraak, op een lager bedrag kan uitkomen. Aan een voorschot kan, in beginsel, niet het gerechtvaardigd vertrouwen worden ontleend, dat een definitieve aanspraak op een daarmee overeenstemmend bedrag bestaat. Ook de financiële situatie of financiële problemen van een belanghebbende, die terugbetaling van toeslagen verhinderden, zullen in het algemeen niet leiden tot de conclusie dat diegene gedupeerd is door hardheid van het stelsel. Voor deze situatie bestaat de mogelijkheid van een (persoonlijke) betalingsregeling. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hier ten aanzien van belanghebbende anders over te oordelen. Ook is er geen onterechte kwalificatie opzet/grove schuld, zodat ook geen aanspraak kan worden gemaakt op een daarop gebaseerde tegemoetkoming.
De Commissie adviseert UHT daarom om ook dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Hardheid en beslagvrije voet
Belanghebbende stelt dat B/T in de betrokken toeslagjaren geen rekening heeft gehouden met de beslagvrije voet en neemt daarom het standpunt in dat zij op grond van hardheid in aanmerking komt voor compensatie. De Commissie begrijpt de stellingname van belanghebbende aldus dat bij een eventuele verrekening geen rekening met de beslagvrije voet is gehouden.
De Commissie overweegt dat het verrekenen van terechte terugvorderingen geen compensatie op grond van hardheid oplevert. Uit de wetsgeschiedenis van de Wht en systematiek van de compensatieregeling kan niet worden afgeleid dat de wetgever dergelijke gevallen voor ogen heeft gehad. Bij de bepaling van de hoogte van de compensatie in de artikelen 2.2 en 2.3 Wht wordt aangesloten bij het bedrag van de weigering, terugvordering of stopzetting van KOT die een direct gevolg is van onder andere hardheid. De verrekening van een op zichzelf terechte terugvordering of stopzetting valt daar niet onder.
De Commissie merkt bovendien op dat bij verrekening van of beslag op toeslagen tot 1 januari 2021 ingevolge artikel 4:93 lid 4 Awb in combinatie met artikel 475c onderdeel j Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) tot 1 januari 2021 in het geheel geen beslagvrije voet van toepassing was. Vanaf 1 januari 2021 worden in de wettelijke regeling de toeslagen wél meegenomen in de beslagvrije voet (artikel 475c onderdeel j Rv), met uitzondering van de KOT. De KOT is namelijk niet bedoeld als inkomensvoorziening maar voor het bevorderen van de arbeidsparticipatie. De beslagvrije voet is dus geen belemmering voor het verrekenen van terugvorderingen KOT. De Commissie adviseert UHT dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Proceskostenvergoeding
Nu de Commissie niet adviseert het primaire besluit te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter