Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2024-15219

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Dienst Toeslagen / Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen
(hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 6 november 2023 (UHT-DCHA)

Hoorzitting: 29 augustus 2025 om 10:00 uur

Overdracht advies aan UHT: [8 september 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en de beschikking van 6 november 2023 met kenmerk UHT-DCHA in stand te laten. De Commissie adviseert voorts om geen vergoeding van de kosten van rechtsbijstand toe te kennen.

Onderwerp van advies

Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking beoordeling kinderopvangtoeslag.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de toeslagjaren 2007 tot en met 2011.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 16 juni 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de toeslagjaren 2006 tot en met 2012. De herbeoordeling ziet op de toeslagjaren 2007 tot en met 2011, omdat belanghebbende in die toeslagjaren aanvrager is van KOT.
  • UHT heeft bij beschikking van 14 februari 2022 met kenmerk UHT CHR GU aan belanghebbende medegedeeld dat zij (nog) niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 26 oktober 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft
  • geadviseerd dat de compensatieregeling van artikel 2.1, lid 1, van de Wht niet van toepassing is op de toeslagjaren 2007 tot en met 2011.
  • UHT heeft bij bestreden beschikking van 6 november 2023 met kenmerk UHT-DCHA aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de toeslagjaren 2007 tot en met 2011.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 11 december 2023 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 22 november 2024 schriftelijk gereageerd.
  • Op 29 augustus 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en 2 commissieleden.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Procedurele bezwaren

Belanghebbende voert in bezwaar aan dat UHT handelt in strijd met het beginsel van equality of arms. In haar ogen wordt zij in haar procesbelang geschaad omdat zij niet de beschikking heeft over haar persoonlijk dossier en/of een volledig ouderdossier en daardoor niet over de voor het voeren van bezwaar benodigde documenten beschikt.

De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. De schriftelijke beschouwing en de onderliggende stukken zijn op 24 april 2025 aan gemachtigde toegezonden. De Commissie vindt dat met het toezenden van deze stukken is voldaan aan de in artikel 7:4, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Dat kan anders zijn als de belanghebbende een duidelijk aanknopingspunt geeft waarom het persoonlijk dossier/of een volledig ouderdossier moet worden afgewacht. De enkele opmerking dat bij onbekendheid van de stukken in dat/die dossier(s) het zo kán zijn dat er nu relevante informatie ontbreekt, is niet voldoende. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Beoordeling afwijzing compensatie toeslagjaren 2007 tot en met 2011

De Commissie ziet zich, uitgaande van de gronden van bezwaar en de inhoud van de bestreden beschikking, gesteld voor de beantwoording van de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de toeslagjaren 2007 tot en met 2011, af te wijzen.

Belanghebbende voert aan het niet eens te zijn met de afwijzing van compensatie, omdat volgens haar sprake is geweest van vooringenomenheid door de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T). Zij stelt daarbij dat zij de KOT voor het toeslagjaar 2011 niet zelf heeft stopgezet. Daarnaast geeft zij aan dat zij door zowel de kinderopvanginstelling (hierna: KOI) als door B/T ten onrechte als fraudeur is beschouwd, waardoor zij in de problemen is geraakt.

De Commissie overweegt als volgt. Voor compensatie komt, ingevolge het bepaalde in de Wht, voor zover hier van belang, kortweg, in aanmerking de ouder waarvan aannemelijk is dat de vaststelling van zijn of haar aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van vooringenomenheid of van hardheid in de handelwijze van B/T.

De Commissie stelt vast dat ten aanzien van het toeslagjaar 2007 een neerwaartse bijstelling van € 1 heeft plaatsgevonden. Volgens UHT is dit vermoedelijk het gevolg van een administratieve afhandeling, maar zijn er geen aanwijzingen voor vooringenomen handelen. Voor de toeslagjaren 2008 en 2009 is de KOT eenmalig neerwaarts bijgesteld, vanwege een stijging van het gezamenlijk toetsingsinkomen. Ten aanzien van het toeslagjaar 2010 is de KOT tweemaal neerwaarts bijgesteld. De eerste bijstelling volgde op een door of namens belanghebbende doorgegeven wijziging in opvanguren, uurtarief en type opvang (van dagopvang naar buitenschoolse opvang). De tweede bijstelling hield verband met een stijging van het gezamenlijk toetsingsinkomen. Voor het toeslagjaar 2011 hebben eveneens twee neerwaartse bijstellingen plaatsgevonden. De eerste bijstelling vond, bij gebrek aan duidelijke, in een andere richting wijzende gegevens, plaats na een door of namens belanghebbende doorgegeven wijziging, waarbij het aantal opvanguren werd verminderd. De tweede bijstelling volgde, evenzeer bij gebrek aan duidelijke, in een andere richting wijzende gegevens, op een door of namens belanghebbende doorgegeven stopzetting van de KOT op
28 maart 2011 per 16 mei 2011. Dit correspondeert met de gegevens in de KOI-viewer, die een opvangperiode van 1 januari 2011 tot en met 15 mei 2011 vermeldt.

Gelet op het voorgaand is de Commissie van opvatting dat niet aannemelijk is geworden dat er bij de behandeling van de KOT voor de toeslagjaren 2007 tot en met 2011 sprake is geweest van vooringenomen handelen dan wel van hardheid door B/T. Voor zover over deze toeslagjaren terugvorderingen hebben plaatsgevonden, zijn deze – zoals hierboven uiteengezet – het gevolg van te hoge voorschotten die op basis van reguliere bijstellingen opnieuw zijn berekend. Hoewel de Commissie begrip heeft voor het ongemak dat de bijstellingen voor belanghebbende met zich hebben meegebracht, zijn deze conform de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. Voorts overweegt de Commissie dat geen sprake is van de toepasselijkheid van de beleidsmatige, zogenoemde,
KOT naar KOI-regeling. In het toeslagjaar 2011 is weliswaar sprake van een verlaging van meer dan € 1.500, terwijl de KOT aan de kinderopvanginstelling (hierna: KOI) is uitbetaald. Echter, in het toeslagjaar 2011 is in totaal € 1.982 aan de KOI uitbetaald, terwijl de werkelijke opvangkosten € 2.378,74 bedroegen.
Er is derhalve niet meer dan € 1.500 aan KOT aan de KOI uitbetaald en van belanghebbende teruggevorderd. Van bijzondere omstandigheden waarom hier in het geval van belanghebbende niet aan zou mogen worden vastgehouden is niet gebleken. De Commissie adviseert UHT daarom om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Beslagvrije voet toeslagjaren 2007 tot en met 2011
Belanghebbende stelt dat B/T in de toeslagjaren 2007 tot en met 2011 geen rekening heeft gehouden met haar beslagvrije voet en dat daarom sprake is van hardheid van het stelsel.

De Commissie overweegt dat de KOT expliciet is uitgesloten van de beslagvrije voet in artikel 475c sub j Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De vraag of, en in hoeverre, rekening is gehouden met de beslagvrije voet bij verrekeningen met andere toeslagen, valt buiten de reikwijdte van de begrippen vooringenomen handelen en hardheid van het stelsel binnen het kader van de Wht en daarmee buiten de reikwijdte van de huidige bezwaarprocedure. De Commissie adviseert het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

Automatische continuering KOT
Belanghebbende stelt dat B/T onzorgvuldig heeft gehandeld bij de automatische continuatie van de KOT over de toeslagjaren 2008 tot en met 2011.

De Commissie overweegt dat UHT terecht heeft gesteld dat een toeslagaanvraag geacht wordt mede te zijn gedaan voor de op het berekeningsjaar volgende berekeningsjaren (artikel 15, lid 5, Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen). B/T heeft daarmee de reguliere wettelijke procedure gevolgd zodat er door het enkele feit van een automatische continuatie geen sprake is van vooringenomenheid of hardheid. Uit de (algemene) stellingname van belanghebbende is verder niet aannemelijk geworden waarom dat wel het geval zou zijn voor een of meerdere toeslagjaren. De Commissie adviseert UHT dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Algemene beginselen van behoorlijk bestuur
Belanghebbende stelt dat sprake is geweest van schending van het motiveringsbeginsel.

Met de door UHT in bezwaar ingediende beschouwing en de overgelegde stukken – waaronder een uitgebreide uitleg met behulp van de Landelijke Incasso Centrum (LIC) overzichten - en de overige producties, is in ieder geval thans geen sprake van strijd met het door belanghebbende genoemde algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. De vraag of die strijd er wel was ten tijde van de bestreden beschikking behoeft in dit geval geen beantwoording. Wat nader is onderbouwd en uiteengezet omtrent de voorbereiding en motivering van de bestreden beschikking leidt immers niet tot het herroepen daarvan.

Vergoeding van de kosten van rechtsbijstand
Gemachtigde heeft verzocht om een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand voor deze bezwaarprocedure. Nu het bezwaar volgens de Commissie, de hiervoor geformuleerde vraag bevestigend beantwoordend, ongegrond is komen deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie aan UHT om:

  • het bezwaar tegen de beschikking van 6 november 2023 met kenmerk UHT-DCHA ongegrond te verklaren en de beschikking in stand te laten;
  • geen vergoeding van de kosten van rechtsbijstand toe te kennen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter