Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-15807

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Dienst Toeslagen / Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen
(hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 8 november 2023 (UHT-DCHA)

Hoorzitting: 14 oktober 2025

Overdracht advies aan UHT: 3 november 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen.

Onderwerp van advies

Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de toeslagjaren 2016 tot en met 2018.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 24 maart 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) voor de toeslagjaren 2016 tot en met 2018.
  • Op 29 augustus 2023 heeft de Commissie van Wijzen (hierna: CvW) geoordeeld dat de compensatieregeling en de hardheidscompensatie niet van toepassing zijn op de toeslagjaren 2016 tot en met 2018.
  • Op 26 september 2023 heeft UHT als vooraankondiging aangegeven dat belanghebbende geen recht heeft op de herstelregelingen.
  • Bij beschikking van 8 november 2023 heeft UHT besloten dat belanghebbende geen recht heeft op compensatie voor de toeslagjaren 2016 tot en met 2018.
  • Op 13 december 2023 heeft gemachtigde hiertegen een bezwaarschrift ingediend en op 4 december 2024 de gronden van bezwaar aangevuld.
  • Op 8 mei 2025 heeft UHT een schriftelijke beschouwing ingediend.
  • Op 14 oktober 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Het hoorverslag is bij dit advies gevoegd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en 2 commissieleden.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Tijdens de hoorzitting heeft gemachtigde aangegeven dat het bezwaar enkel nog ziet op de afgewezen toeslagjaren 2017 en 2018. Derhalve beperkt het advies van de Commissie zich tot de vraag of compensatie voor deze toeslagjaren terecht is afgewezen.

Afgewezen toeslagjaren 2017 en 2018
Tussen partijen is niet in geschil dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) bij de uitvoering van de KOT over toeslagjaar 2017 vooringenomen heeft gehandeld jegens belanghebbende. De reden is dat B/T niet kan aantonen of de rappel-informatiebrief voorafgaand aan de nihil beschikking daadwerkelijk is verstuurd. Daardoor is belanghebbende mogelijk onvoldoende in de gelegenheid gesteld om de gevraagde informatie aan te leveren. UHT stelt echter dat belanghebbende in toeslagjaar 2017 op grond van de Wet kinderopvang geen recht had op KOT omdat de toeslagpartner, met wie zij op dat moment nog gehuwd was, geen inkomen had in een EU-lidstaat, Noorwegen, IJsland, Zwitserland of Liechtenstein. Daarom bestond evident voor toeslagjaar 2017 geen recht op KOT.

Voor toeslagjaar 2018 stelt UHT dat enkel sprake is geweest van reguliere correcties die zijn gebaseerd op wijzigingen in het aantal opvanguren, de hoogte van het gezamenlijke toetsingsinkomen en een op 13 maart 2018 door belanghebbende doorgegeven stopzetting van KOT per 12 april 2018.
Enkel door de beƫindiging van het huwelijk eindigt ook het toeslagpartnerschap.
De beschreven wijzigingen worden ondersteund door de stukken in het bezwaardossier.

De Commissie overweegt als volgt. Voor compensatie komt volgens de Wht, kortweg, in aanmerking de ouder waarvan aannemelijk is dat de vaststelling van zijn of haar aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van B/T. Toekenning van compensatie blijft achterwege als sprake is van ernstige onregelmatigheden die aan de ouder toerekenbaar zijn. Dit laatste is onder meer het geval in situaties waarin een belanghebbende evident geen recht had op KOT.

Gelet op vorenstaande is er naar het oordeel van de Commissie geen reden het advies van de CvW en het standpunt van UHT met betrekking tot de afgewezen toeslagjaren 2017 en 2018 onjuist te achten. De Commissie kan zich vinden in het standpunt dat de (achteraf onjuist gebleken) toekenning van KOT voor het jaar 2016 geen te honoreren vertrouwen opwekt dat deze onjuiste toekenning zou doorwerken naar een volgend jaar. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hier het standpunt van belanghebbende te volgen. De Commissie is verder van oordeel dat met het indienen van het schriftelijke verweer, de overzichten van het Landelijk Incasso Centrum en de overige producties, het bestreden besluit voldoende is onderbouwd en zorgvuldig tot stand is gekomen. De Commissie acht het bezwaar ongegrond. Ten overvloede merkt de Commissie op dat belanghebbende met betrekking tot de toeslagjaren 2017 en 2018 op
15 januari 2020 ook een herzieningsverzoek heeft ingediend. Op 4 mei 2020 is het herzieningsverzoek afgewezen.

Proceskostenvergoeding
Nu de Commissie het bezwaar ongegrond acht, is er geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaarschrift ongegrond te verklaren en het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter