BAC 2025-15676
Publicatiedatum 06-02-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Dienst Toeslagen / Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen
(hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 30 april 2024 (UHT-DCHOA)
Hoorzitting: NVT
Overdracht advies aan UHT: 20 oktober 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek voor een proceskostenvergoeding ongegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag van 30 april 2024 met het kenmerk UHT-DCHOA (hierna: de bestreden beschikking).
Aan belanghebbende is in de bestreden beschikking geen compensatie op grond van een herstelregeling toegekend voor de toeslagjaren 2013 en 2014. De reden hiervoor is dat bij de beoordeling van de KOT voor deze periodes geen fouten zijn gemaakt door Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T).
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 24 juni 2022 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over toeslagjaren 2013 en 2014.
- UHT heeft bij beschikking van 14 november 2022 aan belanghebbende medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000.
- UHT heeft bij beschikking van 2 april 2024 aan belanghebbende meegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie op grond van een herstelregeling.
- UHT heeft bij bestreden beschikking aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de toeslagjaren 2013 en 2014.
- Gemachtigde heeft bij brief van 23 mei 2024, ingekomen op 28 mei 2024, tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 27 februari 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 13 oktober 2025 heeft gemachtigde aan de Commissie doorgegeven dat belanghebbende afziet van de hoorzitting op 14 oktober 2025. Belanghebbende verzoekt om een advies van de Commissie op grond van de stukken.
- De Commissie bestaande uit de voorzitter en 2 commissieleden, heeft dit bezwaar behandeld.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.
Equality of arms
Belanghebbende voert aan dat UHT handelt in strijd met het beginsel van equality of arms. In haar ogen wordt zij in haar procesbelang geschaad, omdat zij niet de beschikking krijgt over haar persoonlijk en/of volledig bezwaardossier en daardoor niet over de voor het voeren van bezwaar benodigde documenten beschikt.
De Commissie overweegt hierover het volgende.
De Commissie is een onafhankelijke bezwaarschriftenadviescommissie in de zin van artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Voor de procedure bij de Commissie gelden de procedurele waarborgen van de Awb en tegen beslissingen op bezwaar van UHT, zoals volgt op de adviezen van de Commissie, kan een belanghebbende rechtsmiddelen instellen bij de rechter.
Op grond van artikel 7:4 lid 2 Awb en artikel 5.2 leden 3 en 4 van de Wht heeft een belanghebbende voorafgaand aan de hoorzitting bij de Commissie recht op afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken. Het verweerschrift, met alle van belang zijnde producties is aan gemachtigde toegezonden. Hierdoor hebben gemachtigde en belanghebbende kennis kunnen nemen van de stukken die ten grondslag liggen aan de bestreden besluiten en gelegenheid gehad om daarop te reageren. Naar het oordeel van de Commissie is daarmee in voldoende mate invulling gegeven aan de procedurele waarborgen van de Awb. Het bezwaar is op dit punt ongegrond.
Zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel
Belanghebbende stelt dat het besluit niet voldoende zorgvuldig is genomen en onvoldoende is gemotiveerd.
De Commissie overweegt dat met de door UHT in bezwaar ingediende beschouwing en de overgelegde stukken – waaronder een uitgebreide uitleg met behulp van de Landelijke Incasso Centrum (LIC)-overzichten - in ieder geval geen sprake is van strijd met de door belanghebbende genoemde algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De vraag of die strijd er wel was ten tijde van de bestreden beschikking behoeft in dit geval geen beantwoording. Wat nader is onderbouwd en uiteengezet omtrent de voorbereiding en motivering van de bestreden beschikking leidt immers niet tot het herroepen daarvan. De Commissie adviseert UHT om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Toeslagjaar 2013
Belanghebbende stelt dat zij recht heeft op compensatie over toeslagjaar 2013.
De Commissie overweegt dat uit de stukken in het dossier niet is gebleken dat over toeslagjaar 2013 sprake is geweest van een neerwaartse bijstelling van de toegekende KOT. Om deze reden ziet de Commissie geen aanleiding om aan te nemen dat belanghebbende over deze periode gedupeerde is en recht heeft op compensatie. De Commissie volgt het standpunt van UHT, zoals is uiteengezet in de schriftelijke reactie en adviseert om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Toeslagjaar 2014
Belanghebbende stelt dat zij recht heeft op compensatie over toeslagjaar 2014.
De Commissie overweegt dat, gelet op hetgeen uit het dossier blijkt, niet aannemelijk is geworden dat er bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor toeslagjaar 2014 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door de B/T dan wel hardheid van het stelsel.
Er zijn twee neerwaartse correcties van de KOT over 2014 doorgevoerd op basis van reguliere wijzigingen die door belanghebbende zelf zijn doorgegeven.
Deze bijstellingen zijn conform de wet uitgevoerd. Daarnaast overweegt de Commissie dat de definitieve beschikking over 2014 op een hoger bedrag dan de voorschotbeschikkingen is vastgesteld.
Gelet op het voorgaande is niet gebleken van vooringenomen handelen aan de zijde van B/T. Ook zijn in het bezwaar onvoldoende aanknopingspunten gevonden waaruit blijkt dat in deze periode sprake is geweest van bijzondere omstandigheden, zodat ook voor de toepassing van de hardheidscompensatie, zoals bedoeld in artikel 2.1 lid 1 sub b Wet herstel toeslagen, geen reden is. Verder is er ook geen sprake geweest van een onterechte kwalificatie O/GS over deze periode, zodat ook dit niet kan leiden tot compensatie.
De Commissie onderschrijft met het voorgaande het standpunt van UHT zoals is toegelicht in de schriftelijke reactie. De Commissie adviseert UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Beslagvrije voet
Belanghebbende stelt dat er sprake is van hardheid van het stelsel, omdat er geen rekening is gehouden met de beslagvrije voet.
De Commissie overweegt dat bij verrekening van of beslag op toeslagen tot
1 januari 2021 ingevolge artikel 4:93 lid 4 Awb jo. 475c onderdeel j Rv tot 1 januari 2021 geen beslagvrije voet van toepassing was. Bij de wettelijke regeling vanaf
1 januari 2021 worden de toeslagen wél meegenomen in de beslagvrije voet (artikel 475c onderdeel j Rv), met uitzondering van de KOT. Hieruit volgt dat de regeling van de beslagvrije voet zowel voor als na genoemde datum geen belemmering oplevert voor het leggen van beslag op of verrekenen van de KOT.
Op basis van de haar nu bekende feiten en omstandigheden ziet de Commissie geen aanleiding om hierin vooringenomenheid of hardheid van de zijde van de B/T aan te nemen.
Proceskostenvergoeding
Nu de bezwaren naar het oordeel van de Commissie ongegrond zijn, heeft belanghebbende geen recht op een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand. De Commissie adviseert het verzoek voor een proceskostenvergoeding af te wijzen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek voor een proceskostenvergoeding af te wijzen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter