BAC 2025-15629
Publicatiedatum 06-02-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Dienst Toeslagen / Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen
(hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 30 mei 2024 (UHT-DCHO)
Hoorzitting: 30 mei 2024 (UHT-DCHO)
Overdracht advies aan UHT: 13 oktober 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar deels gegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 2.153,- wegens vooringenomenheid voor de periode januari-februari van het jaar 2008.
Voor de jaren 2006, 2007 en 2009 is geen compensatie toegekend.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 30 mei 2022 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2006, 2007, 2008 en 2009.
- UHT heeft bij het bestreden besluit aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 2.153,-.
- Gemachtigde heeft bij brief van 12 juni 2024 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
- Gemachtigde heeft bij brief van 14 april 2025 het bezwaarschrift aangevuld.
- UHT heeft op 18 juni 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift
- Op 29 september 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en 2 commissieleden.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet is geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie op de juiste wijze heeft berekend.
Dossier
Op grond van artikel 7:4 lid 2 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 5.2 leden 3 en 4 van de Wht heeft een belanghebbende voorafgaand aan de hoorzitting recht op afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken. De beschouwing met de bijbehorende producties is aan gemachtigde toegezonden. Hierdoor hebben gemachtigde en belanghebbende kennis kunnen nemen van de stukken die ten grondslag liggen aan het bestreden besluit en gelegenheid gehad om daarop te reageren. De Commissie adviseert UHT het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Commissie van Wijzen
Belanghebbende stelt dat UHT ten onrechte geen advies heeft gevraagd aan de Commissie van Wijzen (hierna: CvW) voordat het bestreden besluit werd genomen. De Commissie overweegt als volgt.
Op grond van de artikelen 5.2 en 5.3 Wht kan de minister bij ministeriële regeling adviescommissies instellen die tot taak hebben het dossier van een aanvrager van kinderopvangtoeslag – dat door UHT aan hen wordt voorgelegd – te voorzien van advies over de toepassing van de herstelwetgeving. Ter uitvoering daarvan is de Instellingsregeling Commissie van onafhankelijke deskundigen hersteloperatie toeslagen (hierna: Instellingsregeling) vastgesteld. Op basis van artikel 3 lid 1 van de Instellingsregeling is de Commissie van onafhankelijke deskundigen ingesteld, die in de praktijk wordt aangeduid als de Commissie van Wijzen.
Krachtens artikel 7 lid 1 van de Instellingsregeling heeft de CvW haar werkwijze nader geregeld in de Regeling werkwijze Commissie van Wijzen (hierna: Regeling). Artikel 4 lid 2 van de Regeling bepaalt dat UHT eerst de vooraankondiging als bedoeld in artikel 6.7 Wht aan belanghebbende moet verstrekken en daarbij gelegenheid moet bieden een zienswijze in te dienen. Pas daarna beslist UHT of de voorgenomen beschikking aan de CvW wordt voorgelegd. Dat moet in ieder geval wanneer een belanghebbende in zijn of haar zienswijze nieuwe inhoudelijke informatie naar voren brengt, terwijl UHT in die informatie geen aanleiding vindt om het voorgenomen besluit in het voordeel van belanghebbende aan te passen.
Hieruit volgt dat UHT niet gehouden is de CvW om advies te vragen wanneer een belanghebbende in het geheel geen zienswijze indient. In dit geval heeft belanghebbende geen zienswijze gegeven, zodat UHT niet verplicht was het dossier aan de CvW voor te leggen. De Commissie adviseert daarom het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Toeslagjaar 2006
De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat de Belastingdienst/Toeslagen (B/T) bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor toeslagjaar 2006 vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt. De verlaging was gebaseerd op de vaststelling dat er een te hoog voorschot was toegekend. Dat voorschot is door een reguliere wijziging (een wijziging van het gezamenlijke toetsingsinkomen) opnieuw berekend. Deze bijstelling is in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in deze zaak geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. Er was ook geen onterechte kwalificatie wegens opzet of grove schuld (O/GS), zodat ook geen aanspraak is op een daarop gebaseerde vergoeding. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Toeslagjaar 2007
De KOT is in dit jaar niet verlaagd en er zijn geen terugvorderingen geweest. Daarom is er geen vooringenomenheid of hardheid. Ook was er geen onterechte kwalificatie O/GS. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Toeslagjaar 2008
Omdat belanghebbende en haar kind Destiny’s sinds 25 februari 2008 niet meer stonden ingeschreven op een adres, bestond geen recht op KOT omdat B/T niet kon vaststellen dat belanghebbende en haar kind op hetzelfde adres woonden. Hierdoor heeft B/T de KOT verlaagd van € 7.247,- naar € 1.187,-. Op 6 oktober 2008 heeft belanghebbende de KOT per 1 maart 2008 stopgezet. Hierdoor had belanghebbende met ingang van 1 maart 2008 evident geen recht op KOT.
Met de beschikking van 9 april 2010 werd de KOT op nihil gesteld zonder dat belanghebbende in de gelegenheid is gesteld om aannemelijk te maken dat zij recht had op KOT voor de maanden januari en februari. Dit niet doen van uitvraag levert vooringenomenheid en recht op compensatie op voor de maanden januari en februari. Dit is al verwerkt in het bestreden besluit. Ook was sprake van hardheid, omdat er meer dan € 1.500,-, namelijk € 3.020,-, teveel aan de kinderopvanginstelling is uitbetaald zonder dat belanghebbende dit bedrag heeft teruggekregen. UHT erkent dit en heeft in haar beschouwing voor toeslagjaar 2008 de componenten a, c, g, h, n, o en p aangepast en toegezegd deze bedragen (voor zover ze hoger zijn dan de aanvankelijk berekende bedragen) op te nemen in de beslissing op bezwaar. Deze nieuwe berekening vindt steun in de op de zaak betrekking hebbende stukken en is overigens niet door belanghebbende bestreden. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar gegrond te verklaren.
Toeslagjaar 2009
De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor het toeslagjaar 2009 vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt. De nihilstelling was gebaseerd op de vaststelling dat belanghebbende en haar kind sinds 25 februari 2008 niet meer stonden ingeschreven op een adres. Daardoor kon B/T niet vaststellen of voldaan was aan de voorwaarde dat belanghebbende en haar kind op hetzelfde adres verbleven. Aangezien belanghebbende volgens de systemen van B/T in dit toeslagjaar geen gebruik heeft gemaakt van kinderopvang en zij ook niet opnieuw KOT heeft aangevraagd, had belanghebbende evident geen recht op KOT. Daarom komt belanghebbende voor dit toeslagjaar niet in aanmerking voor compensatie op grond van de Wht. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Andere kinderen
Belanghebbende heeft aangevoerd dat zij de KOT voor haar andere twee kinderen ook beoordeeld wil hebben. De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden waaruit kan volgen dat belanghebbende voor haar andere twee kinderen KOT heeft aangevraagd. Belanghebbende heeft wel aangevoerd dat deze kinderen gebruikgemaakt hebben van opvang, maar zij heeft geen concrete informatie gegeven over de kinderopvanginstelling waar dat het geval zou zijn geweest en ook niet over de periode waarin de opvang zou zijn genoten. Hierdoor heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat zij voor die kinderen KOT heeft aangevraagd. Dit maakt dat belanghebbende voor hen niet in aanmerking komt voor een herstelmaatregel op grond van de Wht. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Proceskosten
Nu het bezwaar deels gegrond is, adviseert de Commissie om aan belanghebbende een vergoeding van de proceskosten voor deze bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gegrond te verklaren voor zover het betreft de berekening van de componenten a, c, g, h, n, o en p voor het toeslagjaar 2008 en aan belanghebbende een proceskostenvergoeding toe te kennen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter