BAC 2025-15568
Publicatiedatum 06-02-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Dienst Toeslagen / Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen |
(hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 25 oktober (UHT-DCHA)
Hoorzitting: 4 september 2025
Overdracht advies aan UHT: 24 september 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om de bezwaren in de onderhavige zaak gedeeltelijk gegrond te verklaren, het bestreden besluit met kenmerk UHT-DCHA deels te herroepen en opnieuw te beslissen met inachtneming van dit advies. Tevens adviseert de Commissie het verzoek om toekenning van een vergoeding van de proceskosten toe te wijzen.
Onderwerp van advies
Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking beoordeling kinderopvangtoeslag.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend over de toeslagjaren 2010 en 2011.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 14 april 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de toeslagjaren 2010 en 2011.
- UHT heeft bij beschikking van 7 april 2022, met kenmerk UHT CHR GU, aan belanghebbende medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor betaling van € 30.000,- (Catshuisregeling), maar dat de herbeoordeling nog niet klaar is.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 1 augustus 2023 aan UHT toegestuurd. CvW heeft geadviseerd dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
- UHT heeft bij vooraankondiging van 28 augustus 2023, met kenmerk UHT-VCH A, aan belanghebbende medegedeeld dat zij (voorlopig) geen recht heeft op compensatie over de toeslagjaren 2010 en 2011.
- UHT heeft bij bestreden beschikking van 25 oktober 2023, met kenmerk UHT-DCHA, aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie over de toeslagjaren 2010 en 2011.
- Gemachtigde heeft bij brief van 15 november 2023 bezwaar ingediend tegen deze beschikking.
- UHT heeft op 17 juni 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 4 september 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en 2 commissieleden.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.
Zorgvuldigheidsbeginsel
Belanghebbende betoogt dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd en onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen. Belanghebbende betoogt dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd en onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen. Voor zover sprake is van onzorgvuldige voorbereiding of gebreken in de motivering van het bestreden besluit kunnen die gebreken naar het oordeel van de Commissie in de beslissing op bezwaar door UHT worden hersteld aan de hand van wat daarover in haar beschouwing is opgemerkt.
Toeslagjaar 2010
Belanghebbende stelt in haar bezwaarschrift dat het antwoordformulier over toeslagjaar 2010 haar niet bekend is en dat het formulier niet door haar is ingevuld of ondertekend. Belanghebbende licht toe dat zij de taal niet goed sprak en hulp kreeg bij het regelen van de KOT. Ter zitting heeft zij echter toegelicht dat zij het antwoordformulier wel zelf heeft ondertekend. De Commissie laat dit punt daarom verder onbesproken. Belanghebbende heeft ter zitting aangedragen dat zij heeft verzocht om een persoonlijke betalingsregeling, maar hier geen reactie op heeft ontvangen.
UHT stelt dat de KOT over toeslagjaar 2010 eenmaal neerwaarts is bijgesteld op
25 januari 2012 van € 13.788 naar € 0. Deze neerwaartse bijstelling komt volgens UHT voort uit het feit dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) de opvanguren voor één van de kinderen heeft verwijderd. UHT vermoedt dat dit is gedaan omdat het kind in 1994 is geboren en te oud was voor opvang. Verder stelt UHT dat de uren van het andere kind van belanghebbende op 0 zijn gezet,
omdat belanghebbende in het antwoordformulier heeft aangegeven geen opvang te hebben genoten voor dit kind. UHT stelt dat B/T destijds geen reden had om twijfelen aan de wilsuiting of juistheid van de gegevens in het antwoordformulier. UHT merkt daarbij op dat belanghebbende ook niet in bezwaar is gegaan tegen de beschikking van 25 januari 2012 en geen stukken heeft overgelegd waarmee het recht op KOT aannemelijk is gemaakt. Volgens UHT had belanghebbende geen onterechte kwalificatie opzet/grove schuld (hierna: O/GS) en heeft belang-hebbende ondanks haar verzoek om een persoonlijke betalingsregeling geen recht op een O/GS-tegemoetkoming.
De Commissie onderschrijft het standpunt van UHT dat B/T destijds mocht uitgaan van de juistheid van de informatie die belanghebbende op het antwoordformulier van 22 september 2011 had doorgegeven, te weten dat zij geen opvang heeft genoten over toeslagjaar 2010. Naar het oordeel van de Commissie was de nihilstelling van 25 januari 2012 daarom een reguliere wijziging en was over toeslagjaar 2010 geen sprake van vooringenomenheid. Belanghebbende heeft ook geen omstandigheden aannemelijk gemaakt die het toekennen van compensatie op grond van hardheid, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid sub b Wht, rechtvaardigen. Uit productie 1211005 volgt dat belanghebbende bij B/T om
28 februari 2012 heeft verzocht om een persoonlijke betalingsregeling, waarschijnlijk naar aanleiding van de nihilstelling over toeslagjaar 2010 die zij op 16 februari 2012 heet ontvangen. B/T heeft niet op dat verzoek gereageerd. Vaststaat dat er geen O/GS-kwalificatie is geweest. Desondanks adviseert de Commissie UHT om in dit geval, met toepassing van de hardheidsclausule in artikel 9.1 lid 1 Wht, een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 2.6 Wht aan belanghebbende toe te kennen voor het toeslagjaar 2010. De Commissie overweegt daartoe dat de situatie waarin belanghebbende verkeerde, feitelijk gelijk is aan de situatie waarop artikel 2.6 Wht ziet. In beide gevallen is immers geen persoonlijke betalingsregeling toegekend door de B/T, met grote gevolgen voor belanghebbende. Dat het O/GS-label ontbreekt, mag naar het oordeel van de Commissie, gezien de bijzondere omstandigheden van dit geval, niet doorslaggevend zijn om een tegemoetkoming te weigeren. Concluderend is de Commissie van oordeel dat UHT aan belanghebbende alsnog een tegemoetkoming conform artikel 2.6, Wht voor het toeslagjaar 2010 moet toekennen.
Toeslagjaar 2011
Belanghebbende stelt dat over toeslagjaar 2011 opnieuw een antwoordformulier is ingediend, dat belanghebbende niet bekend is. Zij stelt dat in de beoordeling te lezen valt dat naar aanleiding van het antwoordformulier (dat haar onbekend is) informatieverzoeken zijn verzonden. Deze verzoeken zijn haar ook onbekend. Zij stelt dat zij niet de mogelijkheid heeft gehad om haar recht op KOT aan te tonen en dat de KOT over toeslagjaar 2011 ten onrechte op nihil is gesteld. Belanghebbende heeft ter zitting aangevoerd dat zij heeft verzocht om een persoonlijke betalingsregeling, maar hier geen reactie op heeft ontvangen.
UHT heeft toegelicht dat sprake is geweest van drie neerwaartse bijstelling over toeslagjaar 2011. De eerste neerwaartse bijstelling vond plaats op 11 augustus 2011, waarbij de KOT werd verlaagd van € 13.592 naar € 7.922. Deze neerwaartse bijstelling komt volgens UHT voort uit het feit dat B/T de opvanguren voor één van de kinderen heeft verwijderd. UHT vermoedt dat dit is gedaan omdat het kind in 1994 is geboren en te oud was voor opvang. De tweede neerwaartse bijstelling vond plaats op 30 september 2011, waarbij de KOT werd verlaagd van € 7.922 naar € 5.457. Deze neerwaartse bijstelling was volgens UHT het gevolg van een stopzetting per 9 september 2011, die belanghebbende telefonisch heeft doorgegeven op 15 september 2011. De derde en laatste neerwaartse bijstelling vond plaats op 27 juni 2024, waarbij de KOT werd verlaagd van € 5.457 naar € 0. Deze nihilstelling kwam volgens UHT voort uit het feit dat belanghebbende niet heeft gereageerd op de informatieverzoeken van 26 maart 2014 en 1 juli 2014. UHT volgt het standpunt van belanghebbende dat de brieven haar onbekend zijn niet. Volgens UHT mag ervan worden uitgegaan dat de brieven zijn verzonden als zij kunnen worden teruggevonden in de systemen van B/T. UHT stelt dat belanghebbende geen onterechte O/GS-kwalificatie had en heeft belanghebbende ondanks haar verzoek om een persoonlijke betalingsregeling geen recht op een O/GS-tegemoetkoming.
Naar het oordeel van de Commissie is over toeslagjaar 2011 geen sprake van vooringenomenheid. De eerste neerwaartse bijstelling kwam voort uit het feit dat voor één van de twee kinderen geen recht op kinderopvang bestond. De tweede neerwaartse bijstelling kwam voort uit een stopzetting die belanghebbende zelf heeft doorgegeven. De laatste neerwaartse bijstelling kwam voort uit het feit dat belanghebbende niet heeft gereageerd op meerdere informatieverzoeken van B/T. De stelling dat de brieven niet aan belanghebbende zijn verzonden, volgt de Commissie niet. De brieven zijn terug te vinden in de systemen van B/T en dus mag ervan worden uitgegaan dat de brieven aan belanghebbende zijn verzonden.
Naar het oordeel van de Commissie is over toeslagjaar 2011 geen sprake van vooringenomenheid. Belanghebbende heeft ook geen omstandigheden aannemelijk gemaakt die het toekennen van compensatie op grond van hardheid, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid sub b Wht, rechtvaardigen. Uit productie 1211005 volgt dat belanghebbende op 15 november 2011 bij B/T heeft verzocht om een persoonlijke betalingsregeling naar aanleiding van de beschikkingen van 11 augustus en 30 september 2011 over toeslagjaar 2011. B/T heeft niet op dat verzoek gereageerd.
Vaststaat dat er geen O/GS-kwalificatie is geweest. Desondanks adviseert de Commissie UHT om in dit geval, met toepassing van de hardheidsclausule in artikel 9.1 lid 1 Wht, een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 2.6 Wht aan belanghebbende toe te kennen voor het toeslagjaar 2011. De Commissie verwijst hiervoor naar hetgeen zij met betrekking tot toeslagjaar 2010 heeft overwogen.
Proceskostenvergoeding
Nu het bezwaar naar het oordeel van de Commissie deels gegrond is en het bestreden besluit dient te worden herroepen, adviseert de Commissie om het verzoek om toekenning van een proceskostenvergoeding in de bezwaarprocedure met betrekking tot de beschikking met kenmerk UHT-DCHA toe te wijzen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om:
- Het bezwaar gegrond te verklaren en opnieuw te beslissen in die zin dat over de toeslagjaren 2010 en 2011 een tegemoetkoming, zoals bedoeld in artikel 2.6 van de Wht, wordt toegekend;
- De overige bezwaren ongegrond te verklaren;
- Een proceskostenvergoeding voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter