Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-15563

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Dienst Toeslagen / Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen
(hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 1 maart 2023 (UHT-DCHA)

Hoorzitting: De hoorzitting in deze zaak heeft plaatsgevonden op
22 augustus 2025

Overdracht advies aan UHT: 21 september 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar kennelijk ongegrond te verklaren.

Onderwerp van advies

Het door belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag. Aan belang-hebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend. Deze beschikking wordt hierna aangeduid als het bestreden besluit.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 24 juni 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT).
  • UHT heeft vastgesteld dat op naam van belanghebbende nooit kinderopvangtoeslag is aangevraagd, noch dat kinderopvangtoeslag is toegekend en/of is teruggevorderd. Daarbij zijn geen aanwijzingen gevonden dat de gegevens van Belastingdienst/Toeslagen onjuist of onvolledig zijn, en heeft zij geconcludeerd dat er op basis van de aanwezige stukken geen aanleiding is om belanghebbende een compensatie toe te kennen op basis van de Wht.
  • UHT heeft bij de bestreden beschikking (de uitkomst van de integrale beoordeling) aan belanghebbende meegedeeld dat geen recht bestaat op compensatie.
  • Belanghebbende heeft bij brief van 11 april 2023, ingekomen op 11 april 2023, tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 24 juni 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Bij brief van 4 juli 2025 heeft de voorzitter van de Commissie aan belang-hebbende bericht dat uit de op de zaak betrekking hebbende stukken lijkt te volgen dat nooit kinderopvangtoeslag is aangevraagd en dat ook nooit kinderopvangtoeslag is toegekend, teruggevorderd of verrekend.
  • Bij diezelfde brief heeft de voorzitter van de Commissie aan belanghebbende bericht dat de Commissie vooralsnog vindt dat het bezwaar kennelijk ongegrond is en dat zij het plan heeft om gebruik te maken van haar bevoegdheid te adviseren zonder belanghebbende te horen. Voor het geval belanghebbende het daarmee oneens zou zijn, is die bij diezelfde brief in de gelegenheid gesteld om gemotiveerd te laten weten waarom een hoorzitting wel aan de orde zou zijn.
  • De gemachtigde heeft namens belanghebbende bij brief van 4 augustus 2025 het bezwaarschrift aangevuld en toegelicht waarom een hoorzitting niet achterwege kan blijven.
  • Naar aanleiding daarvan zijn gemachtigde en belanghebbende uitgenodigd voor de hoorzitting van 22 augustus 2025.
  • De hoorzitting heeft plaatsgevonden op 22 augustus 2025.
  • UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 4 september 2025 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft op
    16 september 2025 daarop gereageerd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en 2 commissieleden.

Ontvankelijkheid

Niet ter discussie staat dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Vaststaande feiten (voor zover relevant)

  • Aan belanghebbende zijn de op deze zaak betrekking hebbende stukken verstrekt..
  • Uit deze stukken blijkt niet, aldus UHT, dat op naam van belanghebbende ooit KOT is aangevraagd, noch dat KOT is aan belanghebbende toegekend, terwijl bij belanghebbende ook nooit KOT teruggevorderd of verrekend is met andere toeslagen.

Overwegingen die tot dit advies hebben geleid

De Commissie moet advies uitbrengen over de vraag of UHT terecht en op goede gronden het verzoek van belanghebbende om compensatie of een tegemoet-koming heeft afgewezen.

Op de zaak betrekking hebbende stukken
Nu aan belanghebbende de op de zaak betrekking hebbende stukken zijn verstrekt, is voldaan aan de in artikel 7:4 lid 2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. UHT heeft schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift. Nu aan belanghebbende en diens gemachtigde de op het bezwaar betrekking hebbende stukken zijn verstrekt hebben deze kennis kunnen nemen van de stukken die ten grondslag liggen aan het bestreden besluit en gelegenheid gehad om daarop te reageren. De Commissie ziet in de concrete stellingen van belanghebbende en UHT geen aanleiding om aan te nemen dat in het beschikbaar gestelde dossier stukken zouden ontbreken die van enig belang zouden kunnen zijn geweest bij het bestredenbesluit.

Toets artikel 2.1. lid 1 Wht
Op grond van artikel 2.1 lid 1 van de Wht kan aan een aanvrager van kinderopvangtoeslag compensatie worden toegekend als die aanvrager schade heeft geleden doordat de Belastingdienst/Toeslagen (B/T) institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of als de hardheid van de toepassing van de wetten en regels heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard.

De Commissie constateert dat uit de op de zaak betrekking hebbende stukken, waaronder de systemen van de B/T, niet blijkt dat belanghebbende kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd bij B/T. Er zijn geen aanvragen gevonden, geen relevante (telefoon)notities of andere documenten die betrekking hebben op de kinderopvangtoeslag. Belanghebbende heeft daar onvoldoende tegenovergesteld. De Commissie wijst in dit kader op de uitspraak van rechtbank Rotterdam van 25 september 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:9426. Uit die uitspraak volgt dat de “bewijslast” voor het recht op compensatie bij de aanvrager van de compensatie ligt. Alleen stellen dat kinderopvangtoeslag is aangevraagd is onvoldoende; belanghebbende moet aannemelijk maken dat kinderopvangtoeslag is aangevraagd.

Aannemelijk maken betekent dat belanghebbende aan de hand van verklaringen en stukken duidelijk moet maken dat zijn of haar stellingen juist zijn. Dit betekent niet dat van belanghebbende wordt gevergd alle ingenomen stellingen te bewijzen met objectief verifieerbare bewijsstukken, maar wel dat de stellingen van belanghebbende worden ondersteund door of passen bij de overige beschikbare informatie.

Belanghebbende beroept zich in het aanvullende bezwaarschrift op het vertrouwensbeginsel. Hij voert aan dat zijn vrouw op 1 september 2011 een brief van B/T heeft ontvangen waarin staat dat zij toeslagpartner is van een gedupeerde ouder. Volgens belanghebbende is dit een onvoorwaardelijke en ondubbelzinnige toezegging dat hij als gedupeerde is aangemerkt.

De Commissie volgt dit standpunt niet. Bij brief van 18 september 2011 heeft B/T immers aan de echtgenote van belanghebbende meegedeeld dat de brief van
1 september 2011 op dit punt onjuist was en dat nog onderzocht moest worden of zij toeslagpartner was van een gedupeerde ouder. UHT heeft toegelicht dat destijds, in de periode dat de hersteloperatie KOT werd opgestart, vaker foutieve brieven zijn verstuurd en dat die fouten, waar mogelijk, zijn hersteld.
De Commissie stelt vast dat dit ook hier is gebeurd en dat B/T de fout binnen redelijke termijn heeft gecorrigeerd. Daarmee moest het voor belanghebbende duidelijk zijn, althans had het hem duidelijk kunnen zijn, dat hij op dat moment niet als gedupeerde kon worden aangemerkt. Daar komt bij dat de brieven niet aan belanghebbende zelf waren gericht, maar aan zijn echtgenote.

Hoewel deze gang van zaken ongelukkig was, is aan belanghebbende zelf nooit bericht dat hij als gedupeerde van de toeslagenaffaire werd aangemerkt.
Anders dan gemachtigde in zijn brief van 16 september 2025 nog heeft gesteld, zijn aan belanghebbende zelf nooit toezeggingen gedaan, althans dat blijkt nergens uit de op de zaak betrekking hebbende stukken dan wel uit concrete feitelijke standpunten van gemachtigde. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt daarom niet.

Al met al stelt de Commissie stelt vast dat belanghebbende onvoldoende heeft aangevoerd om aannemelijk te maken dat er aanvragen voor kinderopvangtoeslag zijn gedaan. Verder volgt uit de op de zaak betrekking hebbende stukken niet dat aan belanghebbende ooit kinderopvangtoeslag is toekend of dat kinderopvang-toeslag van belanghebbende is teruggevorderd of is verrekend met andere toeslagen.

Belanghebbende heeft daarom evident geen recht op toepassing van een herstelmaatregel als bedoeld in de Wht. Het bezwaarschrift kan er dus niet toe leiden dat belanghebbende alsnog in aanmerking komt voor compensatie op grond van de Wht.

De Commissie adviseert UHT daarom om het bezwaar van belanghebbende ongegrond te verklaren.

Conclusie

De Commissie adviseert UHT het bezwaar ongegrond te verklaren.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter