Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

2023-14486

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 25 juli 2023 met kenmerk UHT-DCHA

Hoorzitting: 20 juni 2025 om 11:15 uur

Overdracht advies aan UHT: 18 augustus 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie Kinderopvangtoeslag.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2015 tot en met 2017.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 4 februari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2015 tot en met 2017.
  • UHT heeft bij bestreden beschikking aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2015 tot en met 2017.
  • Belanghebbende heeft bij brief van 3 september 2023, ingekomen op
  • 5 september 2023, tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
  • Op 26 september 2023 heeft [naam] zich gesteld als gemachtigde.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 16 oktober 2024 het bezwaarschrift aangevuld.
  • UHT heeft op 6 februari 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 20 juni 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming over de jaren 2015 tot en met 2017 af te wijzen.

De Commissie overweegt dat uit het bezwaardossier volgt dat in toeslagjaar 2015 een neerwaartse correctie heeft plaatsgevonden omdat er minder opvanguren zijn afgenomen dan in eerste instantie was aangegeven. Het gaat om 240 uur per jaar in plaats van 240 uur per maand. Er is € 4.838 aan KOT teruggevorderd. Volgens de conclusie van UHT in het Informatie- en beoordelingsformulier heeft er voor toeslagjaar 2015 geen onterechte verlaging van KOT plaatsgevonden en bestaat daarom geen recht op compensatie. Voor toeslagjaar 2016 is een bedrag van €11.481 terecht teruggevorderd op basis van het daadwerkelijk aantal opvanguren. Nadat belanghebbende bezwaar had gemaakt tegen de definitieve beschikking bleek dat recht bestond op KOT voor 20 uur per maand in plaats van 230 uur per maand. Ook voor dit jaar bestaat daarom geen recht op compensatie.

Voor toeslagjaar 2017 was de KOT automatisch gecontinueerd. Per 1 januari 2017 heeft belanghebbende de KOT zelf stopgezet, omdat er geen opvang meer werd afgenomen. De Belastingdienst / Toeslagen (hierna: B/T) heeft de KOT daarom op 31 december 2016 op nihil beschikt en het reeds uitgekeerde bedrag van € 1.101 teruggevorderd.

De Commissie overweegt dat, gelet op deze feiten en omstandigheden, niet aannemelijk is geworden dat er bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT in de genoemde toeslagjaren sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door B/T dan wel hardheid van het stelsel die voor compensatie in aanmerking komt. De terugvorderingen waren alle het gevolg van een te hoog voorschot, die op basis van het daadwerkelijk afgenomen opvanguren neerwaarts zijn bijgesteld. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hier ten aanzien van belanghebbende anders over te oordelen.

Persoonlijke betalingsregeling

Belanghebbende stelt dat zij in het verleden meerdere pogingen heeft gedaan om de situatie met de KOT te corrigeren en een persoonlijke betalingsregeling te treffen. Ze vindt het onbegrijpelijk dat hier niets van is terug te vinden. Er moet volgens haar een gespreksverslag zijn van het gesprek dat zij destijds heeft gevoerd met een ambtenaar van B/T waarin gesproken is over een betalingsregeling. Dit verslag had betrokken moeten worden bij de beoordeling.

De Commissie volgt UHT in het standpunt dat uit het dossier niet volgt dat er concrete afspraken zijn gemaakt over een persoonlijke betalingsregeling. UHT heeft voorts ter zitting aangegeven dat, zelfs al zou het bovengenoemde gespreksverslag boven water komen, dit niet zou uitmaken voor de beoordeling om een persoonlijke betalingsregeling toe te kennen. Dit standpunt komt de Commissie niet onredelijk voor.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren. Er bestaat geen aanleiding om een proceskostenvergoeding toe te kennen.

Secretaris

Fungerend voorzitter