BAC 2023-14413
Publicatiedatum 28-01-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 23 augustus 2023 (UHT-DCH)
Hoorzitting: 16 april 2025
Overdracht advies aan UHT: 2 oktober 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van €37.129,- voor de jaren 2014 en 2017 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2010 tot en met 2013, 2015 en 2016.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 15 februari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT). In overleg met belanghebbende zijn de toeslagjaren 2010 tot en met 2017 beoordeeld.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 15 juni 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de jaren 2010 tot en met 2013, 2015 en 2016 en de maanden mei tot en met augustus 2014 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of van bijzondere omstandigheden.
- UHT heeft bij beschikking van 23 augustus 2023 met kenmerk UHT-DCH (bestreden beschikking) aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van €37.129,- voor de jaren 2014 en 2017 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2010 tot en met 2013, 2015 en 2016.
- Belanghebbende heeft bij brief van 20 september 2023 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 2 oktober 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 16 april 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter dit advies is gevoegd.
- Belanghebbende heeft bij aanvang van de hoorzitting een aanvullende stuk ingediend, dat ook gedeeld is met UHT.
- UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 1 mei 2025 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Belanghebbende heeft daarop op 28 mei 2025 gereageerd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie voor de jaren 2014 en 2017 op de juiste wijze heeft berekend en terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de jaren 2010 tot en met 2013, 2015 en 2016 af te wijzen.
Op de zaak betrekking hebbende stukken
Belanghebbende stelt dat zonder het volledige persoonlijke dossier niet kan worden beoordeeld of alle relevante stukken aanwezig zijn. De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. De beschouwing en de op de zaak betrekking hebbende stukken zijn op 4 maart 2025 toegezonden. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat hier niet is voldaan aan de in artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Beoordeling evident geen recht op KOT in de jaren 2015 en 2016
Belanghebbende betwist dat zij niet heeft gewerkt in de toeslagjaren 2015 en 2016 en dat zij geen gebruik gemaakt heeft van kinderopvang. Zij volgde bovendien een opleiding.
De Commissie overweegt dat ingevolge artikel 2.1, lid 1, van de Wht voor een compensatie in aanmerking komt de ouder van wie aannemelijk is dat de vaststelling van zijn aanspraak op kinderopvangtoeslag (KOT) in enig jaar onderdeel is geweest van bijzondere hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van de B/T. Toekenning van compensatie blijft, ingevolge artikel 2.1, lid 2, van de Wht, achterwege als sprake is van ernstige onregelmatigheden die aan de ouder toerekenbaar zijn. Dit laatste is onder meer het geval in situaties waarin een belanghebbende evident geen recht had op KOT. Volgens UHT was daarvan sprake in toeslagjaren 2015 en 2016, nu belanghebbende in het jaar 2015 geen doelgroeper was en in 2016 geen gebruik heeft gemaakt van geregistreerde kinderopvang.
Op de hoorzitting heeft belanghebbende verklaard dat zij in beide jaren een opleiding heeft gevolgd en doelgroeper was. Ten aanzien van toeslagjaar 2015 meent belanghebbende dat zij met het overleggen van het DUO-overzicht aannemelijk heeft gemaakt dat zij een opleiding heeft gevolgd en daarmee voldeed aan het doelgroeperschap.
Met betrekking tot toeslagjaar 2016 stelt belanghebbende dat zij ook in dat jaar opvang heeft genoten. Nadat de kinderopvanginstelling (hierna: KOI) op 7 mei 2015 failliet was verklaard, heeft belanghebbende geen nieuwe aanvraag ingediend. Volgens belanghebbende betekent dit niet dat zij geen gebruik heeft gemaakt van kinderopvang. Voorts stelt belanghebbende dat geen enkele waarde gehecht kan worden aan een lege KOI-viewer (producties 1215014 en 1216010).
Voorop staat dat voor de jaren 2015 en 2016 niet ter discussie staat dat sprake is geweest van vooringenomenheid. De vraag is of voor die jaren sprake is van evident geen recht op KOT. De Commissie kan UHT volgen in haar standpunt dat belanghebbende in 2015 geen doelgroeper was. Voor wat betreft de opleiding vermeldt UHT in de aanvullende beschouwing dat het informatiesysteem RIS een studie tot in 2014 vermeldt en kort in 2016, maar níet in 2015. De informatie van DUO bevat over 2015 enkel een zelf opgegeven MBO-studie met als startdatum 11 februari 2015, maar, anders dan de overige vermelde studies, geen registratie en ook geen einddatum. Verder is er geen informatie die aanknopingspunten biedt voor het standpunt van belanghebbende dat zij heeft gewerkt, zoals loonstroken, een arbeidsovereenkomst of aangifte inkomstenbelasting. Gelet op het voorgaande zijn er geen aanknopingspunten waaruit volgt of op grond waarvan aannemelijk is dat belanghebbende in het jaar 2015 als doelgroeper kan worden aangemerkt.
De Commissie ziet, anders dan belanghebbende, geen aanknopingspunten dat over 2016 kinderopvang is genoten. In 2015 is de KOI failliet gegaan en over het jaar 2016 is geen enkel gegeven beschikbaar over afgenomen kinderopvang. Ook overigens ziet de Commissie geen aanknopingspunten in de situatie van belanghebbende die aannemelijk kunnen maken dat in het jaar 2016 daadwerkelijk opvang is afgenomen.
Gelet hierop mocht UHT concluderen dat voor de jaren 2015 en 2016 sprake is van de situatie waarin evident geen recht op KOT bestond. Dat betekent dat er op grond van artikel 2.1, tweede lid van de Wht geen recht op compensatie is.
Gelet op het bovenstaande adviseert de Commissie aan UHT om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Onzorgvuldigheid bij de automatische continuering KOT
Belanghebbende betoogt dat B/T onzorgvuldig heeft gehandeld door automatische continuering van kinderopvangtoeslag over de toeslagjaren 2011 tot en met 2016, hetgeen volgens haar heeft geleid tot het ontstaan van de financiële problemen.
UHT stelt zich op het standpunt dat op grond van artikel 15, lid 5 Algemene wet inkomensafhankelijk regelingen (hierna: Awir) een aanvraag geacht wordt te zijn gedaan voor op het berekeningsjaar volgende berekeningsjaren. Het wettelijk stelsel brengt derhalve met zich mee dat B/T aan de hand van de gegevens, waarover zij kon beschikken, tot automatische continuering van de KOT is overgegaan. Volgens UHT kan niet worden gesteld dat B/T daarmee onzorgvuldig heeft gehandeld.
De Commissie overweegt dat het gegeven dat de KOT voor het volgende (toeslag)jaar automatisch is gecontinueerd, niet betekent dat er sprake is van institutioneel vooringenomen handelen. De Commissie adviseert aan UHT om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Er zijn voorts geen aanknopingspunten om te twijfelen aan het oordeel van UHT dat geen sprake is van hardheid van het stelsel in de beoordeelde jaren.
Het bezwaar is naar opvatting van de Commissie ongegrond. Er is geen aanleiding voor herroeping van het bij bezwaar bestreden besluit. De Commissie ziet, gelet op het bepaalde in artikel 7:15 lid 2 Awb, geen aanleiding om UHT te adviseren een proceskostenvergoeding toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren.
Secretaris
Fungerend voorzitter