Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-14397

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 8 juni 2023

Hoorzitting: 20 mei 2025

Overdracht advies aan UHT: 25 juni 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek om een vergoeding voor de proceskosten af te wijzen.

Onderwerp van advies

Gemachtigde heeft namens belanghebbende bezwaar ingediend tegen het besluit waarbij belanghebbende is medegedeeld:

  • dat er bij de herbeoordeling over toeslagjaar 2005 niet is gebleken van fouten en dat belanghebbende daarom geen recht heeft op compensatie (UHT-DCHA).

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft een verzoek gedaan voor een herbeoordeling van haar kinderopvangtoeslag (hierna: KOT).
  • Bij brief van 28 maart 2022 is belanghebbende meegedeeld dat zij, in het kader van de eerste toets, geen recht heeft op een betaling van € 30.000.
  • Op 26 april 2023 heeft de Commissie van Wijzen (hierna: CvW) advies uitgebracht. De CvW heeft overwogen, kort gezegd, dat er geen aanwijzingen zijn dat de Belastingdienst/Toeslagen institutioneel vooringenomen heeft gehandeld. Evenmin zou er sprake zijn van bijzondere omstandigheden die toepassing van de hardheidscompensatie rechtvaardigen, reeds omdat daarvoor een drempelbedrag geldt van € 1.500, terwijl een bedrag van € 383 van belanghebbende is teruggevorderd.
  • Bij brief van 8 juni 2023 is vorenstaand besluit genomen.
  • Bij brief van 5 juli 2023 heeft gemachtigde hiertegen bezwaar gemaakt.
  • Bij brief van 10 december 2024 heeft gemachtigde aanvullende gronden van bezwaar ingediend.
  • Op 13 maart 2025 heeft UHT een schriftelijke reactie ingediend.
  • Op 20 mei 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Het hoorverslag is bij dit advies gevoegd.
  • Op 2 juni 2025 heeft UHT een aanvullende schriftelijke beschouwing ingediend.
  • Op 5 juni 2025 heeft gemachtigde hierop gereageerd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Ten onrechte toeslagjaar 2006 niet herbeoordeeld

Ter hoorzitting heeft gemachtigde aangegeven geen bezwaar meer te hebben tegen de omstandigheid dat toeslagjaar 2006 niet is herbeoordeeld. De Commissie laat deze grond van bezwaar dan ook buiten beschouwing.

Herbeoordeeld toeslagjaar

Toeslagjaar 2005

De Commissie is van oordeel dat er geen sprake is van institutionele vooringenomenheid. Vaststaat dat het kind van belanghebbende vanaf oktober 2005 niet meer naar de opvang ging. De KOT over oktober, november en december 2005 mocht dan ook (in beginsel) worden teruggevorderd.

Belanghebbende stelt dat Belastingdienst/Toeslagen heeft bijgedragen aan het ontstaan van de terugvordering van € 383 door op onzorgvuldige wijze de resterende KOT voor het gehele jaar 2005 in één keer uit te betalen aan de kinderopvanginstelling. Er is sprake van een dubieuze gang van zaken, omdat op 4 oktober 2005 de kinderopvanginstelling telefonisch heeft verzocht om de resterende KOT uit te betalen, terwijl het kind van belanghebbende vanaf begin oktober niet meer naar de opvang ging, maar naar de basisschool. Op 12 oktober 2005 is een bedrag van € 1.281 overgemaakt aan de kinderopvanginstelling. Belanghebbende heeft zich daarom op het standpunt gesteld dat de hardheidsregeling van toepassing zou moeten zijn.

In de situatie dat de KOT rechtstreeks aan de kinderopvanginstelling is betaald, hanteert UHT de voorwaarde dat het door de kinderopvanginstelling achtergehouden bedrag minstens € 1.500 dient te bedragen. Met de grens van €1.500 is aansluiting gezocht bij de tot 2017 geldende grens om in aanmerking te komen voor een persoonlijke betalingsregeling voor toeslagschulden. Het door het kinderopvanginstelling achtergehouden bedrag dient dan ook minstens € 1.500 te bedragen. Dat is hier niet het geval. Nu niet wordt voldoen aan de voorwaarde dat de terugvordering meer moet bedragen dan € 1.500 komt de Commissie niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep op de hardheidsregeling. De Commissie begrijpt dat de gang van zaken vragen oproept en aan de zijde van de kinderopvanginstelling twijfelachtig te noemen is maar UHT heeft zich op het standpunt mogen stellen dat belanghebbende niet in aanmerking komt voor de toepassing van de hardheidsregeling, zoals bedoeld in artikel 2.1 onder b, van de Wht.

Hardheidsclausule als bedoeld in 9.1, eerste lid, van de Wht

De hardheidsclausule is bedoeld voor bijzondere situaties die niet zijn voorzien en waarin toepassing van de wettelijke bepaling zou leiden tot een zeer onbillijke uitkomst en schrijnende gevallen. Helaas ziet de commissie geen mogelijkheid voor toepassing van de hardheidsclausule zoals bedoeld in 9.1, eerste lid van de Wht, omdat de commissie niet heeft kunnen vaststellen dat er sprake was van een ernstige financiële noodsituatie.

Overweging ten overvloede

Los van hetgeen de Commissie hierboven heeft overwogen, blijft onverminderd staan dat de KOT op initiatief van de kinderopvanginstelling is uitgekeerd per 12 oktober 2005 voor de rest van het jaar, terwijl de kinderopvanginstelling wist (of had moeten weten) dat het kind van belanghebbende begin oktober 2005 geen gebruik meer maakte van de opvang. Vervolgens is de KOT bij belanghebbende teruggevorderd. Duidelijk is dat belanghebbende niet betrokken is geweest bij het verzoek van de kinderopvanginstelling om de KOT voor de rest van het jaar over te maken (gelet op de stelling van belanghebbende en erkenning terzake in de aanvullende schriftelijke beschouwing). Door de handelwijze van de kinderopvanginstelling is er nadeel ontstaan bij belanghebbende. Ook het handelen van de Belastingdienst/Toeslagen heeft hieraan bijgedragen door het (opvallende) verzoek van de kinderopvanginstelling te honoreren en niet te verifiëren bij belanghebbende of dit verzoek juist was. Immers, in beginsel wordt de KOT maandelijks uitbetaald. Het opvallende verzoek van de kinderopvanginstelling om de resterende KOT in één keer uit te betalen, had vragen moeten oproepen. Hoewel de Commissie van oordeel is dat het handelen van B/T en de kinderopvanginstelling als laakbaar moet worden aangemerkt, ziet zij binnen de kaders van de Wht geen ruimte om tot toekenning van compensatie over te gaan.

Proceskostenvergoeding

Gemachtigde heeft ten slotte een verzoek gedaan tot vergoeding van de kosten voor rechtsbijstand. Omdat de bezwaren ongegrond zijn, komt belanghebbende op grond van artikel 7:15 lid 2 Awb niet in aanmerking voor toekenning van een proceskostenvergoeding.

Conclusie

Gelet op het vorenstaande adviseert de Commissie:

  • De bezwaren ongegrond te verklaren;
  • geen proceskostenvergoeding toe te kennen.

Secretaris

Fungerend voorzitter