BAC 2023-14396
Publicatiedatum 28-01-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 8 juni 2023
Hoorzitting: 29 april 2025 om 10:15 uur
Overdracht advies aan UHT: 14 mei 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek om een vergoeding voor de proceskosten af te wijzen.
Onderwerp van advies
Belanghebbende heeft bezwaar ingediend tegen het besluit waarbij belanghebbende is meegedeeld:
- dat er bij de herbeoordeling over de toeslagjaren 2006 tot en met 2011 niet is gebleken van fouten en dat belanghebbende daarom geen recht heeft op compensatie (UHT-DCHA).
Procesverloop
- Belanghebbende heeft een verzoek gedaan voor een herbeoordeling van zijn kinderopvangtoeslag (hierna: KOT).
- Bij brief van 26 april 2021 is belanghebbende meegedeeld dat hij, in het kader van de eerste toets, geen recht heeft op een betaling van € 30.000.
- Op 14 april 2023 heeft de Commissie van Wijzen (hierna: CvW) advies uitgebracht. De CvW heeft overwogen, kort gezegd, dat er geen aanwijzingen zijn dat de definitief vastgestelde bedragen aan KOT voor de toeslagjaren 2006 tot en met 2011 onjuist zijn of dat de Belastingdienst/Toeslagen voor deze jaren institutioneel vooringenomen heeft gehandeld. Evenmin zou er sprake zijn van bijzondere omstandigheden die toepassing van de hardheidscompensatie rechtvaardigen.
- Bij brief van 8 juni 2023 is vorenstaand besluit genomen.
- Bij brief van 20 juni 2023 heeft belanghebbende hiertegen bezwaar gemaakt.
- Op 15 oktober 2024 heeft UHT een schriftelijke reactie ingediend.
- Bij brief van 15 april 2025 heeft gemachtigde aanvullende gronden van bezwaar ingediend.
- Op 29 april 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Het hoorverslag is bij dit advies gevoegd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Herbeoordeelde toeslagjaren
Toeslagjaren 2006, 2007, 2008 en 2011
De Commissie stelt vast dat de KOT, naar op grond van de stukken aannemelijk is geworden, is bijgesteld naar aanleiding van de door belanghebbende of door de kinderopvanginstelling doorgegeven gegevens. De neerwaartse correcties hebben te maken met minder afgenomen kinderopvang en een stopzetting van de KOT voor 2011 op 30 maart 2011 per 1 april 2011. Over 2007 en 2008 hebben geen neerwaartse correcties plaatsgevonden.
Toeslagjaar 2009
Belanghebbende heeft gesteld dat de neerwaartse correcte onterecht is, omdat hij meer uren had afgenomen dan waarop de (voorschot)beschikking is gebaseerd. Dit is later, nadat bezwaar is gemaakt, ook hersteld. Hij is van mening dat de (aanvankelijke) terugbetaling van € 5.305 onterecht was en dat daarom sprake is van institutioneel vooringenomen handelen.
De Commissie stelt vast dat de KOT op 3 mei 2009 en 12 mei 2009 neerwaarts is aangepast als gevolg van een wijziging van de kinderopvanggegevens en een hoger toetsingsinkomen. Op 24 november 2012 is de KOT naar boven bijgesteld (na bezwaar) op basis van de toegezonden stukken. De omstandigheid dat de KOT pas na bezwaar definitief correct is vastgesteld, maakt op zichzelf niet dat er sprake is van een vooringenomen handelwijze of hardheid in de toepassing van het stelsel. Evenmin is het breed uitvragen (drie keer) een onregelmatigheid die in dit geval moet leiden tot de conclusie dat sprake is van institutioneel vooringenomen handelen. Voor (definitieve) vaststelling van het recht op KOT diende de Belastingdienst/Toeslagen zich immers te baseren op voldoende informatie die aanvankelijk nog niet voorhanden was. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Toeslagjaar 2010
Belanghebbende heeft gevraagd om een betalingsregeling maar die betalingsregeling zou op 30 september 2013 zijn vervallen. Daarbij had er geen dwangbevel uitgevaardigd mogen worden, naar de mening van belanghebbende. Noch is er een betalingsherinnering verzonden. Belanghebbende is daarom van mening dat hij in aanmerking dient te komen voor een O/GS-tegemoetkoming dan wel compensatie op basis van hardheid.
De Commissie stelt vast dat belanghebbende te maken had met een terugvordering van € 1.182. Vanaf september 2011 begon belanghebbende (bijna) maandelijks af te lossen met een bedrag van € 50. Blijkens het LIC-overzicht is de betalingsregeling niet vervallen per september 2013, zoals is gesteld. Gelet op het LIC-overzicht hebben er nog aflossingen plaatsgevonden in november 2013, december 2013 en januari 2014. Vervolgens zijn er geen betalingen meer ontvangen waarna op 14 april 2014 een aanmaning is verzonden. Hoewel deze niet in het dossier is terug te vinden, is er onvoldoende aanleiding om hieraan te twijfelen. Op 6 mei 2014 is er een dwangbevel uitgevaardigd. Uiteindelijk is de restschuld verrekend met de huurtoeslagen 2013 en 2014. Nu niet is gebleken dat aan belanghebbende een persoonlijke betalingsregeling is geweigerd, vanwege een onterechte kwalificatie van opzet of grove schuld, maakt hij geen aanspraak op een O/GS-tegemoetkoming.
Evenmin heeft belanghebbende recht op compensatie op basis van hardheid, reeds omdat de terugvordering lager is dan het drempelbedrag van € 1.500.
Voorts heeft belanghebbende zich op het standpunt gesteld dat sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel. In dat kader is aangevoerd dat wanneer sprake is van institutionele vooringenomenheid, omdat er geen informatieverzoek is uitgegaan, de betreffende ouder recht heeft op compensatie, ook indien de terugvordering minder bedraagt dan € 1.500. Belanghebbende is van mening dat er daarom sprake is van een ongerechtvaardigde uitkomst, omdat de hardheidsregeling niet wordt toegepast daar de terugvordering is zijn geval minder bedroeg dan € 1.500. De Commissie is van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van gelijke gevallen die door UHT ongelijk zijn behandeld. Dat andere voorwaarden gekoppeld zijn voor compensatie op grond van institutionele vooringenomenheid in vergelijking met compensatie op basis van de hardheidsregeling maakt per definitie dat sprake is van een ongelijke behandeling van ongelijke gevallen. Daarmee wordt niet het gelijkheidsbeginsel geschonden.
De slotsom is dat de verplichting tot terugbetaling van de KOT het gevolg is van reguliere correcties. Dat kan niet worden aangemerkt als institutioneel vooringenomen handelen. De reguliere correcties wijzen ook niet op onbillijkheden vanwege de hardheid waarmee het wettelijk systeem werd toegepast. Daarbij ligt het in de aard van een voorschot besloten, dat de werkelijke, later vast te stellen aanspraak, op een lager bedrag uitkomt. Aan een voorschot kan niet het gerechtvaardigd vertrouwen worden ontleend, dat een definitieve aanspraak op een daarmee overeenstemmend bedrag bestaat.
De Commissie begrijpt dat het terugbetalen van de KOT voor belanghebbende niet makkelijk zal zijn geweest, maar zijn situatie houdt uiteindelijk geen verband met de problematiek waarvoor de hersteloperatie in het leven is geroepen.
Fraude Signalering Voorziening (hierna: FSV)
De Commissie volgt UHT in het standpunt dat de omstandigheid dat de naam van belanghebbende voorkomt op een FSV-lijst niet van invloed is geweest op de definitieve vaststelling van het recht op KOT. De reden van de bijstelling van de KOT is gelegen in de berekening van het definitieve recht op KOT aan de hand van doorgegeven wijzigingen. De plaatsing op een FSV-lijst heeft daarbij geen rol gespeeld.
Proceskostenvergoeding
Gemachtigde heeft ten slotte een verzoek gedaan tot vergoeding van de kosten voor rechtsbijstand. Omdat de bezwaren ongegrond zijn, komt belanghebbende op grond van artikel 7:15 lid 2 Awb niet in aanmerking voor toekenning van een proceskostenvergoeding.
Conclusie
Gelet op het vorenstaande adviseert de Commissie:
- De bezwaren ongegrond te verklaren;
- geen proceskostenvergoeding toe te kennen.
Secretaris
Fungerend voorzitter