Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-14917

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 7 juni 2023 met kenmerk UHT-DCHA

Hoorzitting: n.v.t.

Overdracht advies aan UHT: 16 oktober 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking beoordeling kinderopvangtoeslag van 7 juni 2023 met kenmerk UHT-DCHA.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2008 tot en met 2013, 2016 en 2019.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 15 februari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2008 tot en met 2011. In overleg met de persoonlijk zaaksbehandelaar is de herbeoordeling uitgebreid naar de jaren 2008 tot en met 2013, 2016 en 2019 (hierna: de betrokken jaren).
  • UHT heeft bij besluit van 30 april 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 23 mei 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft bij beschikking van 7 juni 2023, met kenmerk UHT-DCHA (hierna: de bestreden beschikking), aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2008 tot en met 2013, 2016 en 2019.
  • De gemachtigde heeft bij brief van 10 juli 2023 bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Op 15 maart 2024 zijn de bezwaren nader toegelicht.
  • UHT heeft op 26 juni 2025 schriftelijk gereageerd op de bezwaren van de gemachtigde.
  • Op 4 september 2025 heeft de gemachtigde de Commissie per e-mail verzocht om de zaak op de stukken af te doen. De Commissie ziet daarom, op grond van artikel 7:3, onderdeel c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), af van het horen van belanghebbende.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie zal allereerst ingaan op de volgende bezwaargronden:

  • Op de zaak betrekking hebbende stukken
    • Strijd met het zorgvuldigheidsbeginsels- en motiveringsbeginsel

Op de zaak betrekking hebbende stukken

Belanghebbende stelt dat UHT geen inzicht heeft gegeven in het dossier en haar daarmee het recht op adequate rechtsbijstand heeft onthouden.

De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. De schriftelijke beschouwing van 26 juni 2025, alsmede het ouderdossier waarop deze beschouwing is gebaseerd, zijn op 21 augustus 2025 aan de gemachtigde toegezonden. De Commissie is van oordeel dat UHT met het verstrekken van deze stukken heeft voldaan aan haar verplichting op grond van artikel 7:4, tweede lid, van de Awb om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen.

Met het indienen van het bezwaarschrift en het bestuderen van de schriftelijke beschouwing van UHT, heeft de gemachtigde zich in voldoende mate op de hoogte kunnen stellen van de relevante feiten en omstandigheden van de zaak. Er zijn geen aanwijzingen dat de gemachtigde in de voorbereiding van deze bezwaarprocedure is belemmerd.

Gelet hierop stelt de Commissie vast dat is voldaan aan de eisen van een eerlijk proces, zoals bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). In het bijzonder is het beginsel van hoor en wederhoor in acht genomen, nu de gemachtigde in de gelegenheid is gesteld om kennis te nemen van alle relevante stukken en daarop te reageren en zelf heeft verzocht het bezwaar alleen op de stukken te beoordelen. Van een schending van het fair trial-beginsel is dan ook geen sprake. Deze bezwaargrond slaagt derhalve niet.

Strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel

Belanghebbende stelt dat in de bestreden beschikking onvoldoende inzichtelijk is gemotiveerd waarom over de betrokken jaren geen compensatie is toegekend op grond van institutionele vooringenomenheid dan wel de hardheidsregeling. Daarbij zouden het ouderverhaal en de relevante feiten onvoldoende zijn meegewogen.

De Commissie kan UHT volgen in het ingenomen standpunt ten aanzien van de motivering van de bestreden beschikking en de zorgvuldigheid van het daaraan ten grondslag liggende onderzoek. De Commissie is van oordeel dat UHT de bestreden beschikking uitvoerig en deugdelijk heeft gemotiveerd. In de schriftelijke beschouwing van 26 juni 2025 heeft UHT een uitgebreide toelichting gegeven, mede aan de hand van de LIC-overzichten, RKT- en SAS-overzichten, en overige relevante stukken. Deze documenten maken tevens onderdeel uit van de op de zaak betrekking hebbende stukken. Gelet hierop slaagt deze bezwaargrond niet.

De Commissie ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden heeft besloten het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming over de jaren 2008 tot en met 2013, 2016 en 2019 af te wijzen.

De Commissie zal daarbij ingaan op de volgende twee items:

  • Reguliere bijstellingen
  • Grote terugvorderingen en de gevolgen

Reguliere bijstellingen

Belanghebbende stelt dat zij over de betrokken jaren (2008 tot en met 2013, 2016 en 2019) wél recht heeft op een vergoeding, en dat zij als gedupeerde moet worden aangemerkt.

De terugvorderingen over de betrokken jaren waren gebaseerd op de vaststelling dat een te hoog voorschot was toegekend. Deze voorschotten zijn door reguliere wijzigingen opnieuw berekend. De Commissie heeft de reguliere wijzigingen over de betrokken jaren nagelopen en stelt het volgende vast:

  • Voor het toeslagjaar 2008 heeft eenmaal een neerwaartse bijstelling van de KOT plaatsgevonden vanwege een hoger toetsingsinkomen.
  • Voor het toeslagjaar 2009 heeft eveneens eenmaal een neerwaartse bijstelling plaatsgevonden, doordat rekening is gehouden met de jaaropgave en een hoger toetsingsinkomen.
  • Voor het toeslagjaar 2010 is de KOT tweemaal neerwaarts bijgesteld als gevolg van doorgegeven wijzigingen door belanghebbende en het inbrengen van twee jaaropgaven met een gewijzigd toetsingsinkomen.
  • Voor het toeslagjaar 2011 heeft eenmaal een neerwaartse bijstelling plaatsgevonden vanwege een hoger toetsingsinkomen.
  • Voor het toeslagjaar 2012 is de KOT tweemaal neerwaarts bijgesteld als gevolg van een door belanghebbende zelf doorgegeven wijziging en een gewijzigd toetsingsinkomen.
  • Voor het toeslagjaar 2013 is de KOT eenmaal neerwaarts bijgesteld vanwege een door belanghebbende zelf doorgegeven stopzetting van de toeslag vanaf 15 april 2013.
  • Voor het toeslagjaar 2016 is de KOT eenmaal verlaagd vanwege een hoger toetsingsinkomen.
  • Voor het toeslagjaar 2019 hebben geen neerwaartse bijstellingen van de KOT plaatsgevonden.

De hierboven genoemde bijstellingen zijn overeenkomstig de wet uitgevoerd. Dergelijke reguliere bijstellingen geven in beginsel geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om in het geval van belanghebbende hiervan af te wijken.

Er is bovendien geen sprake geweest van een onterechte kwalificatie als opzet/grove schuld (hierna: O/GS), zodat ook geen aanspraak bestaat op een vergoeding op die grond. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Grote terugvorderingen en de gevolgen

Belanghebbende en haar partner zijn gedurende meerdere jaren geconfronteerd met aanzienlijke terugvorderingen, waaronder een bedrag van € 5.554 over het jaar 2010. Dit leidde tot gevoelens van angst en ernstige financiële problemen, die een ingrijpende impact hadden op het werk- en gezinsleven van belanghebbende.

Voor een aanvullende compensatie voor werkelijke schade komt in aanmerking:

  • de ouder bij wie aannemelijk is dat de vaststelling van zijn of haar aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van bijzondere hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van B/T,
  • de ouder die ten onrechte een kwalificatie O/GS heeft gekregen en aan wie daardoor een persoonlijke betalingsregeling of buitengerechtelijke schuldregeling is geweigerd, of
  • de ouder aan wie ten onrechte een persoonlijke betalingsregeling of buitengerechtelijke schuldregeling is geweigerd en aan wie op grond van artikel 9.1 van de Wht een tegemoetkoming voor O/GS toekomt.

De Commissie is van oordeel dat UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot het besluit om het verzoek om compensatie van belanghebbende af te wijzen. Aangezien belanghebbende daarmee niet als gedupeerde in de zin van de hersteloperatie wordt aangemerkt, komt zij ook niet in aanmerking voor een aanvullende compensatie voor werkelijke schade. De Commissie begrijpt dat belanghebbende gedurende de betrokken periode financieel zeer moeilijke omstandigheden heeft doorgemaakt, die ook een aanzienlijke impact hebben gehad op haar privésituatie en het gezinsleven maar dit doet niet af aan de juistheid van de vaststellingen van de KOT.

Proceskostenvergoeding

Nu de Commissie niet adviseert de bestreden beschikking te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter