Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-15552

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Dienst Toeslagen / Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen
(hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 15 juli 2024 (UHT-DCHOA)

Ontvangst bezwaarschrift: [dd-mm-jj]

Hoorzitting: N.V.T.

Overdracht advies aan UHT: 11 september 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en geen vergoeding van de kosten van rechtsbijstand toe te kennen.

Onderwerp van advies

Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT op 15 juli 2024 genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag met kenmerk UHT-DCHOA.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2015 tot en met 2019.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 28 april 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2014 tot en met 2018.
    De herbeoordeling heeft zich, met goedvinden van belanghebbende, uitgestrekt over de jaren 2015 tot en met 2019.
  • UHT heeft bij besluit van 2 mei 2022 aan belanghebbende medegedeeld dat zij (nog) niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000,-.
  • UHT heeft bij voorlopige beslissing van 4 juli 2024 met kenmerk UHT-VCH A geen compensatie toegekend voor de jaren 2015 tot en met 2019.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 5 juli 2024 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat de compensatieregeling van artikel 2.1, eerste lid, Wht niet van toepassing is voor de jaren 2015 tot en met 2019.
  • UHT heeft bij besluit van 15 juli 2024 met kenmerk UHT-DCHOA aan belanghebbende geen compensatie toegekend voor de jaren 2015 tot en met 2019.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 7 augustus 2024 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 2 juni 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 4 september 2025 heeft gemachtigde de Commissie verzocht advies uit te brengen op basis van de stukken. De Commissie ziet met toepassing van artikel 7:3 aanhef en onderdeel c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) af van het horen van belanghebbende.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en 2 commissieleden.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Persoonlijk dossier/equality of arms
Belanghebbende voert in bezwaar aan dat UHT handelt in strijd met het beginsel van equality of arms. In haar ogen wordt zij in haar procesbelang geschaad omdat zij niet de beschikking heeft over haar persoonlijk dossier en daardoor niet over alle voor het voeren van bezwaar benodigde documenten beschikt.

De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. De schriftelijke beschouwing en de onderliggende stukken zijn op 2 juni 2025 aan gemachtigde toegezonden. De Commissie vindt dat met het toezenden van deze stukken is voldaan aan de in artikel 7:4 Awb neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Dat kan anders zijn als de belanghebbende een duidelijk aanknopingspunt geeft waarom het persoonlijk dossier moet worden afgewacht. De enkele opmerking dat bij onbekendheid van de stukken in dat dossier het zo kán zijn dat er nu relevante informatie ontbreekt, is niet voldoende. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Inhoudelijke bezwaren

Beoordeling afwijzing compensatie toeslagjaren 2015 tot en met 2019
De Commissie ziet zich gesteld voor de beantwoording van de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming over de jaren 2015 tot en met 2019 af te wijzen.

De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat de Belastingdienst Toeslagen (hierna: B/T) bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de toeslagjaren 2015 tot en met 2019 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel jegens belanghebbende te hard heeft uitgewerkt.

Allereerst is de Commissie van opvatting dat UHT terecht heeft geconcludeerd dat van vooringenomen handelen door B/T in de jaren 2015 tot en met 2017 geen sprake was, aangezien de KOT in die jaren niet neerwaarts is bijgesteld. De terugvorderingen van de KOT over de jaren 2018 en 2019 waren gebaseerd op de vaststelling dat een te hoog voorschot was toegekend. Dat voorschot is door reguliere wijzigingen opnieuw berekend. De reguliere wijziging in het toeslagjaar 2018 was te herleiden tot door de kinderopvanginstelling (hierna: KOI) doorgegeven informatie. B/T had geen reden om aan die informatie te twijfelen. De reguliere wijziging in het toeslagjaar 2019 was te herleiden tot een stopzetting van de KOT door belanghebbende per 1 januari 2019. Deze bijstellingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming.

De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover in het geval van belanghebbende anders te oordelen. Er was ook geen onterechte kwalificatie O/GS, zodat er ook geen aanspraak is op een daarop gebaseerde vergoeding.
De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Opname in het FSV-register en discriminatie
Belanghebbende voert aan dat de vermelding in het zogenoemde FSV-register leidt tot vooringenomen handelen door B/T. Verder heeft belanghebbende het vermoeden dat sprake is geweest van discriminatie. De Commissie overweegt het volgende. Uit productie 1400002 blijkt dat de opname in het FSV-register betrekking had op mogelijke onregelmatigheden bij de inkomstenbelastingheffing over de jaren 2011 en 2012. De opmerking op pagina 7 van het informatie- en beoordelingsformulier, dat de FSV-opname niet van invloed was op de beoordeling van de KOT, acht de Commissie navolgbaar.

Daarnaast heeft de Commissie op basis van de beschikbare stukken en de schriftelijke beschouwing van UHT geen aanknopingspunten gevonden om te concluderen dat in het specifieke geval van belanghebbende sprake is geweest van discriminatie. De verwijzing van belanghebbende naar het onderzoek van het College voor de Rechten van de Mens van september 2022 is daartoe onvoldoende. Voor een dergelijke conclusie zijn concrete aanwijzingen in de stukken nodig. Dergelijke aanwijzingen zijn niet aannemelijk geworden. De Commissie adviseert UHT daarom om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Hardheidscompensatie: beslagvrije voet
Belanghebbende betoogt dat zij in aanmerking behoort te komen voor compensatie wegens hardheid bij de toepassing van het stelsel, omdat B/T geen rekening heeft gehouden met de beslagvrije voet bij de terugvordering van de KOT.

De Commissie overweegt dat de KOT expliciet is uitgesloten van de beslagvrije voet in artikel 475c sub j Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De vraag of, en in hoeverre, rekening is gehouden met de beslagvrije voet bij verrekeningen met andere toeslagen, valt buiten de reikwijdte van de begrippen vooringenomen handelen en hardheid van het stelsel binnen het kader van de Wht en daarmee buiten de reikwijdte van de huidige bezwaarprocedure. De Commissie adviseert UHT het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

Automatische continuering KOT
Belanghebbende stelt dat B/T onzorgvuldig heeft gehandeld door de KOT in de jaren 2016 tot en met 2019 automatisch te continueren. De Commissie overweegt dat op grond van artikel 15, vijfde lid, van de Awir een aanvraag wordt geacht mede te zijn gedaan voor op het berekeningsjaar volgende berekeningsjaren.
De Commissie overweegt verder dat belanghebbende zelf verantwoordelijk is om tijdig wijzigingen door te geven. De Commissie adviseert UHT daarom om het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

Zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel
Met de door UHT in bezwaar ingediende schriftelijke beschouwing en de overgelegde stukken – waaronder een uitgebreide uitleg met behulp van de Landelijke Incassocentrum (LIC) overzichten - en de overige producties, is in ieder geval thans geen sprake van strijd met de door belanghebbende genoemde algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De vraag of die strijd er wel was ten tijde van de bestreden beschikking behoeft in dit geval geen beantwoording. Wat nader is onderbouwd en uiteengezet omtrent de voorbereiding en motivering van de bestreden beschikking leidt immers niet tot het herroepen daarvan.

Vergoeding van de kosten van rechtsbijstand
Gemachtigde heeft verzocht om een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand voor deze bezwaarprocedure. Nu het bezwaar volgens de Commissie, de hiervoor geformuleerde vraag bevestigend beantwoordend, ongegrond is komen deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en geen vergoeding van de kosten van rechtsbijstand toe te kennen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter