Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-15550

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Dienst Toeslagen / Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen
(hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 30 april 2024 (UHT-DCHO)

Hoorzitting: 18 augustus 2025 om 11:15 uur

Overdracht advies aan UHT: 15 september 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.

Onderwerp van advies

Het door de gemachtigde ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.
Deze beschikking, van 30 april 2024, wordt hierna aangeduid als de bestreden beschikking.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2012 tot en met 2015. Wel heeft belanghebbende een tegemoetkoming ontvangen vanwege de onterechte kwalificatie opzet/grove schuld (hierna: O/GS) voor de jaren 2012, 2013 en 2015.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 5 maart 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2012 tot en met 2015.
  • UHT heeft bij beschikking van 23 juni 2021 aan belanghebbende meegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000,-.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 26 maart 2024 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft in haar advies vermeld dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft bij bestreden beschikking aan belanghebbende meegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2012 tot en met 2015 maar wel op een O/GS-tegemoetkoming voor de jaren 2012, 2013 en 2015.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 21 mei 2024, ingekomen op 24 mei 2024,
    tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 1 april 2025, ingekomen op 1 april 2025,
    het bezwaarschrift aangevuld.
  • UHT heeft op 27 mei 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift en de daarop gegeven aanvulling.
  • Op 18 augustus 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Zowel de gemachtigde als de zaakbehandelaar van UHT hebben spreekaantekeningen overgelegd. Bij het stuk van UHT zat een drietal aanvullende stukken.
    Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en 2 commissieleden.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming deels af te wijzen.

Algemene beginselen van behoorlijk bestuur
Belanghebbende stelt in haar bezwaar dat het bestreden besluit is genomen in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

De Commissie overweegt dat, gelet op de hersteloperatie en de stukken in het bezwaardossier, niet aannemelijk is geworden dat de bestreden beschikking is genomen in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. UHT is bevoegd en de inhoud van de beschikking is gebaseerd op de Wht. UHT heeft het dossier en een schriftelijke reactie aan belanghebbende verstrekt. Belanghebbende heeft gelegenheid gehad om de ontvangen gegevens te beoordelen en de gronden van haar bezwaar zo nodig verder aan te vullen. Op de hoorzitting heeft belanghebbende gelegenheid gehad om nader te reageren op de ontvangen gegevens en hierop een toelichting te vragen.

De Commissie is van oordeel dat UHT de bestreden beschikking voldoende heeft toegelicht. Bovendien is de bestreden beschikking voldoende onderbouwd door het schriftelijke verweer, de uitgebreide uitleg met behulp van de overzichten van het “Landelijk Incasso Centrum” (hierna LIC) en de overige producties. Ook is de beschikking in lijn met doel van de Wht en zijn daaraan geen onevenredig nadelige gevolgen voor belanghebbende verbonden.

De Commissie adviseert UHT om het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

Opmerkelijk is wel dat UHT bij aanvang van de hoorzitting in deze zaak drie aanvullende op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd.
De Commissie acht het onzorgvuldig en onwenselijk dat dergelijke stukken in een zo laat stadium aan de op de zaak betrekking hebbende stukken worden toegevoegd. Omdat het ook om waarheidsvinding gaat en de raadsman tegen het overleggen van dat stuk verder geen bezwaar heeft gemaakt, heeft de Commissie wel acht geslagen op deze stukken.

Geen vooringenomen handelen of hardheid
Uit de stukken in het dossier maakt de Commissie op dat de nihilstelling van de KOT voor de toeslagjaren 2012 tot en met 2015 is gebaseerd op door belanghebbende zelf doorgegeven informatie. Belanghebbende heeft verklaard dat zij in deze toeslagjaren geen geregistreerde kinderopvang heeft afgenomen.
Er zijn geen aanwijzingen dat deze verklaring onjuist of onvolledig is.

B/T heeft de wettelijke taak om te controleren of de KOT-voorschotten in een gegeven toeslagjaar terecht zijn uitgekeerd en, zo niet, om eventueel te veel uitgekeerde bedragen terug te vorderen. B/T mag daarbij vertrouwen op de inkomensgegevens van ouders zoals deze in het systeem van de belastingdienst worden verwerkt en de gegevens die ouders verstrekken.

De Commissie overweegt dat niet aannemelijk is geworden dat er bij de nihilstelling en terugvordering van de KOT voor toeslagjaren 2012 tot en met 2015 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door B/T dan wel hardheid van het stelsel. Hier komt bij dat belanghebbende op grond van art. 2.1 lid 2 Wht niet in aanmerking komt voor compensatie nu zij in die jaren geen gekwalificeerde kinderopvang heeft genoten.

De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hier ten aanzien van belanghebbende anders over te oordelen.

De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Opzet/Grove Schuld Uit art. 2.6 lid 1 Wht volgt dat een belanghebbende aan wie vanwege een onterechte kwalificatie van opzet of grove schuld geen persoonlijke betalingsregeling is toegekend of een buitengerechtelijke schuldregeling is geweigerd, recht heeft op een O/GS-tegemoetkoming.

Uit de stukken in het bezwaardossier volgt dat belanghebbende in ieder geval voor de toeslagjaren 2012, 2013 en 2015 in aanmerking komt voor een O/GS-tegemoetkoming. In het informatie- en beoordelingsformulier is bij de beoordeling van toeslagjaar 2014 te lezen dat er voor dat jaar ook een onterechte O/GS-kwalificatie is geweest en belanghebbende daarom voor dat toeslagjaar ook recht zou hebben op een O/GS-tegemoetkoming. Op de zitting heeft UHT uitgelegd dat dit een schrijffout betreft en dat aan belanghebbende geen persoonlijke betalingsregeling is geweigerd voor het toeslagjaar 2014.

Na bestudering van de stukken acht de Commissie het niet aannemelijk dat belanghebbende ook voor toeslagjaar 2014 recht heeft op een O/GS-tegemoetkoming. Uit het LIC-overzicht voor dit toeslagjaar blijkt dat aan haar, in tegenstelling tot de andere toeslagjaren, wel een betalingsregeling is toegekend. Van april 2016 tot en met augustus 2017 heeft belanghebbende iedere maand hetzelfde bedrag aan B/T betaald. Zonder de weigering van een betalingsregeling als gevolg van een ten onrechte toegepaste O/GS-kwalificatie, heeft een belanghebbende geen aanspraak op een tegemoetkoming als bedoeld in art. 2.6 Wht.

De Commissie adviseert UHT daarom ook dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Overige toeslagen
Belanghebbende stelt in haar bezwaar dat zij meerdere toeslagen (zorgtoeslag, huurtoeslag en kindgebondenbudget) ten onrechte niet heeft ontvangen gedurende de periode 2006 tot en met 2021. Zij wil deze nu alsnog toegewezen krijgen.

De Wht is echter alleen bedoeld voor herstel van vooringenomen handelen, hardheid of een onterechte O/GS-kwalificatie met betrekking tot KOT. De Wht ziet niet op de herziening van definitieve KOT-beschikkingen, laat staan de toekenning, afwijzing of hoogte van andere toeslagen. Een beoordeling daarvan valt dus buiten de reikwijdte van de Wht.

De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Verrekeningen
Belanghebbende voert aan dat zij in aanmerking komt voor een compensatie van de schade die zij heeft geleden als gevolg van de verrekeningen van de terugvordering over de jaren 2012 tot en met 2015 met de nadien toegekende toeslagen.

Die toeslagen zijn niet (volledig) aan belanghebbende uitbetaald, omdat de KOT-schuld over de toeslagen 2012 tot en met 2015 hiermee is verrekend.
De Commissie overweegt dat deze verrekeningen onderdeel zijn van de uitvoering die over de jaren 2012 tot en met 2015 aan de KOT is gegeven.

Zoals is overwogen, heeft UHT terecht geconcludeerd dat belanghebbende geen recht had op KOT in de periode 2012 tot en met 2015 doordat zij in die periode geen opvang heeft afgenomen. Daarom is (achteraf bezien) terecht de KOT over die jaren teruggevorderd. Het verrekenen van terechte terugvorderingen levert op zichzelf geen compensatie op grond van hardheid op.

Uit de wetsgeschiedenis van de Wht en systematiek van de compensatieregeling kan niet worden afgeleid dat de wetgever eventuele schade geleden als gevolg van verrekeningen van terugvorderingen met de nadien toegekende toeslagen onder de noemer hardheid als bedoeld in art. 2.1 lid 1 onder b Wht heeft willen scharen. De wet noemt de situatie van verrekening niet expliciet. Bij de bepaling van de hoogte van de compensatie in de artikelen 2.2 en 2.3 Wht wordt aangesloten bij het bedrag van de weigering, terugvordering of stopzetting van KOT die een direct gevolg is van onder andere hardheid. De verrekening van een op zichzelf terechte terugvordering of stopzetting valt daar niet onder. Dat is ook met zoveel woorden terug te lezen in de memorie van toelichting. Daarin staat: “Bij gedupeerden door een onterechte O/GS-kwalificatie waren de terugvorderingen op zichzelf niet onterecht, dus deze worden niet gecompenseerd. Wel krijgen de ouders een financiële tegemoetkoming voor het ondervonden nadeel van 30% van de betreffende terugvorderingen” (Kamerstukken II 2021–2022, 36 151, nr. 3, p. 14). Daar komt bij dat in de wetsgeschiedenis, namelijk in de nota naar aanleiding van het verslag, is opgemerkt dat de reikwijdte van de hardheidsregeling bewust enigszins beperkt is gehouden en dat eventuele uitbreidingen een nieuwe bewuste afweging van de wetgever vergen (Kamerstukken II 2021-2022, 36 151, nr. 7, p. 14).

De Commissie adviseert UHT om ook dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Aanvullende materiële en immateriële schade
Deze bezwaarschriftprocedure heeft alleen betrekking op de toekenning van de standaardvergoedingen en niet op de vergoeding van de werkelijke schade. Hiervoor is de procedure bij de Commissie Werkelijke Schade (hierna: CWS) bestemd. Indien belanghebbende voor aanvullende compensatie voor (hogere) werkelijke schade in aanmerking wil komen, dient zij daartoe een verzoek tot vergoeding van de werkelijke schade in te dienen, dat UHT vervolgens voor advies zal voorleggen aan de CWS. Het CWS-advies is daarna leidend bij het besluit met betrekking tot de aanvullende compensatie.

De Commissie heeft in het bezwaardossier een brief van UHT aan belanghebbende gevonden van 22 oktober 2024 waarin UHT verwijst naar een eventueel advies van de CWS. Deze brief lijkt te impliceren dat de CWS reeds om een advies in deze zaak heeft gevraagd, maar tijdens de zitting is gebleken dat dit niet het geval is. Het initiatief voor het doorlopen van de procedure bij de CWS ligt bij belanghebbende. De Commissie merkt op dat UHT tegenover belanghebbende niet bijzonder duidelijk is geweest over de eventuele (door)verwijzing naar de CWS. Wellicht zou UHT er goed aan doen om de gedupeerde ouders in een aparte, duidelijke brief te wijzen op (a) de mogelijkheid van de procedure bij de CWS en (b) welke specifieke handelingen van de ouder vereist zijn om die procedure te starten.

Proceskostenvergoeding
Aangezien het bezwaar naar het oordeel van de Commissie ongegrond is, heeft belanghebbende geen recht op een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand. De Commissie adviseert UHT om dit verzoek af te wijzen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek voor een proceskostenvergoeding af te wijzen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter